Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/4.6
4.6 Conclusie
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855317:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel afd. 7.7.1 BW van regelend recht is en opzeggingsbescherming dus ook uit het contract kan volgen, behoort het afdwingen van dergelijke bescherming hooguit tot de mogelijkheden voor een enkele opdrachtnemer aan de onderkant; voor het overgrote merendeel is dit geen reëel perspectief.
Zo maakt een (langere) opzegtermijn of een (hogere) (aanvullende) (schade)vergoeding de opzegging eerder redelijk. Ook blijkt dit uit het feit dat de reden van de opzegging en de eventueel aangeboden (schade)vergoeding de lengte van de opzegtermijn beïnvloeden. Bovendien wordt de aanvullende (schade)vergoeding zelden toegekend, omdat de opzegtermijn en deze vergoeding worden gezien als twee zijden van dezelfde medaille. Om die reden kan de opdrachtnemer slechts in aanmerking komen voor deze vergoeding indien de opzegtermijn hem niet in voldoende mate heeft gecompenseerd.
Deze aanvulling vormt allerminst een inbreuk op de contractsvrijheid, aangezien de redelijkheid en billijkheid rechtsgevolgen in het leven roept die passen bij wat de opdrachtgever en opdrachtnemer hebben afgesproken. Het is immers vereist dat zowel een leemte in de (wettelijke of contractuele) opzegregeling bestaat als dat de rechtsverhouding tussen partijen aanvulling behoeft. Bovendien is het nog altijd mogelijk dat partijen het risico van de onmiddellijke beëindiging door de opdrachtgever anders verdelen en deze bijv. verdisconteren in het tarief van de opdrachtnemer.
In dit hoofdstuk stond de opzegging van de opdrachtgever centraal. Afdeling 7.7.1 BW biedt de opdrachtnemer in dit kader alleen een bepaalde bescherming op het recht op loon na opzegging: de opdrachtnemer kan recht hebben op een in redelijkheid vast te stellen deel van het loon of – in uitzonderingsgevallen – het volle loon (artikel 7:411 BW). Anders dan op de thema’s loon (met artikel 2 lid 2 aanhef en sub b WML) en aansprakelijkheid (met artikel 7:658 lid 4 BW) kent het thema opzegging geen bijzondere regel die van toepassing is verklaard op een deel van de opdrachtnemers.1 Voor de (overige) opzeggingsbescherming van de opdrachtnemer komt het daarom doorgaans aan op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW).2 Uit mijn rechtspraakanalyse volgt dat de opdrachtnemer vooral wordt beschermd ten aanzien van de financiële afwikkeling van de opzegging, vaak in de vorm van een opzegtermijn. Pas als een opzegtermijn, eventueel aangevuld met een (schade)vergoeding, de opdrachtnemer niet de compensatie kan bieden die hij in een concreet geval verdient, kan aan de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever de eis van een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging worden verbonden. Naast het feit dat voor de opzegging van de opdrachtgever slechts in bijzondere gevallen zo’n grond dient te bestaan, maakt dit een aantal zaken duidelijk. Zo moet de opzegbaarheid van de overeenkomst zelf worden onderscheiden van de financiële gevolgen daarvan, waaronder ik mede de opzegtermijn schaar. Ook leid ik hieruit af dat voor de vraag of sprake is van een redelijke opzegging, moet worden gekeken naar de verschillende opzegmodaliteiten, die tot op zekere hoogte fungeren als communicerende vaten.3 In meer algemene zin heeft dit hoofdstuk drie bevindingen opgeleverd.
In de eerste plaats toont het algemene verbintenissenrecht zijn beschermende functie voor de gevallen waarin dit (structureel) nodig wordt geacht. De bescherming van de opgezegde opdrachtnemer wordt bij de duurovereenkomst in de regel namelijk aangevuld met in ieder geval een opzegtermijn (artikel 6:248 lid 1 BW).4 Via deze weg kan de opdrachtnemer meestal voldoende compensatie worden geboden zonder dat het ingrijpendere middel van de inperking van de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever moet worden aangewend. Hoewel de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever zelden wordt ingeperkt en de opdrachtnemer doorgaans niet in aanmerking komt voor een aanvullende (schade)vergoeding bij opzegging, heb ik het beschermingsniveau van de opdrachtnemer aan de onderkant geclassificeerd als ‘gemiddeld’ vanwege enerzijds de bescherming die de opzegtermijn biedt en anderzijds het feit dat ik in deze context weinig knelpunten heb kunnen vinden. In dat laatste kader heb ik alleen gewezen op het contractueel kunnen beperken of uitsluiten van bepaalde bescherming. Daarbij valt te denken aan een afwijkende afspraak over het recht op loon na opzegging ten nadele van de opdrachtnemer aan de onderkant en het uitsluiten van een opzegtermijn voor de opdrachtgever, waardoor de opdrachtnemer aan de onderkant deze bescherming misloopt.
In de tweede plaats is de achterliggende gedachte van de wijze waarop het verbintenissenrecht de opgezegde opdrachtnemer aan de onderkant beschermt, gelegen in het belang dat bij opzegging speelt. Daarbij wordt rekening gehouden met de individuele belangen van beide partijen. De ruime opzegbevoegdheid van de opdrachtgever hangt samen met de aard van de duurovereenkomst van opdracht zelf: de opdrachtgever is in principe vrij op welke manier hij zijn belangen behartigd wil zien worden en moet niet gedwongen kunnen worden de door hem bedongen prestatie te aanvaarden. De bestaanszekerheid van de opgezegde opdrachtnemer komt echter in het geding als hij geen enkele vorm van inkomensbescherming (opzegtermijn of opzegvergoeding) zou genieten. Via een opzegtermijn wordt de opdrachtnemer een zekere tijd gegeven zich (financieel) aan te passen aan de nieuwe situatie. Daaraan hebben in de regel alle opdrachtnemers behoefte, gezien het belang dat hiermee is gemoeid. Zonder opzegtermijn zou namelijk de enige of hoofdzakelijke inkomstenbron direct kunnen wegvallen zonder dat hij de tijd krijgt geboden te zoeken naar alternatieven, wat voor alle opdrachtnemers als onwenselijk wordt gezien. Uit het voorgaande maak ik op dat de opzegging van de duurovereenkomst van opdracht door de opdrachtgever in zijn algemeenheid tot het normale ondernemersrisico van de opdrachtnemer behoort. Dat valt niet alleen af te leiden uit de ruime opzegbevoegdheid van de opdrachtgever, maar ook uit de bescherming die meestal uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid voortvloeit (artikel 6:248 lid 1 BW). Weliswaar wordt het onmiddellijk wegvallen van de opdracht (en de daaruit gegenereerde inkomsten) niet tot het normale ondernemersrisico van de opdrachtnemer gerekend, maar een opzegtermijn compenseert ‘slechts’ een bepaalde overgangstermijn. Dit geldt eveneens als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die leiden tot een aanvullende (schade)vergoeding, nu ook die vergoeding in principe niet alle nadelige gevolgen van de opzegging wegneemt.
In de derde plaats lijkt de opzeggingsbescherming van de opdrachtnemer aan de onderkant in essentie gelijk met die van de andere opdrachtnemers. Het zelden inperken van de ruime opzegbevoegdheid van de opdrachtgever is niet gerelateerd aan de grootte van partijen, hun onderlinge economische afhankelijkheid of het tarief van de opdrachtnemer, maar aan de aard van de overeenkomst van opdracht. Tegelijkertijd is de rechtvaardiging van de (financiële) opzeggingsbescherming van de opdrachtnemer verbonden aan de gevolgen van de opzegging, die voor alle opdrachtnemers ingrijpend kunnen zijn en waarvoor de opdrachtnemer een redelijke mogelijkheid moet worden geboden zich voor te bereiden op de nieuwe situatie die na de beëindiging van de overeenkomst zal intreden. Anders gezegd: de opdrachtnemer aan de onderkant en de economisch onafhankelijke opdrachtnemer die een hoog tarief in rekening brengt, worden zelden beschermd tegen de opzegging van de opdrachtgever zelf, terwijl zij beiden in beginsel wel de bescherming van een opzegtermijn ontvangen. De differentiatie die aan de hand van de hoedanigheid van partijen plaatsvindt, ziet niet zozeer op het wel of niet in aanmerking komen voor een bepaald recht, maar meer op de daadwerkelijke invulling van dat recht. Een voorbeeld is de economische afhankelijkheid van de opdrachtnemer, die mee kan brengen dat de opdrachtgever een langere opzegtermijn in acht moet nemen, maar er in beginsel niet toe leidt dat de opdrachtnemer wordt beschermd tegen de opzegging zelf of hem recht geeft op een (aanvullende) (schade)vergoeding.