Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/4.1
4.1 Inleiding
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855311:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Strijbos 1985, p. 5-6.
Onder ‘duurovereenkomst’ versta ik de verplichting van één of beide partijen tot opeenvolgende of voortdurende prestaties. Met deze definitie sluit ik aan bij Asser/Sieburgh 6-III 2022/89.
Trap 2007, p. 30; Boot e.a., De zzp’er (MSR nr. 64) 2014/3.6 en 3.8.
Kamerstukken II 2019/20, 31 311, 235, p. 2; Diris, Jongen & Van Vliet 2022.
Tegenover de duurovereenkomst staat de ‘voorbijgaande overeenkomst’, ook wel ‘eenmalige overeenkomst’ genoemd. Van zo’n overeenkomst spreek ik als een verbintenis in het leven wordt geroepen die door een enkele prestatie kan worden voldaan en die daarmee haar einde vindt (deze definitie is ontleend aan Asser/Sieburgh 6-III 2022/89). In het kader van de opzegging is het onderscheid tussen de duurovereenkomst en de voorbijgaande overeenkomst (eenmalige overeenkomst) van belang, aangezien de aard van de voorbijgaande overeenkomst zich in het algemeen verzet tegen tussentijdse opzegbaarheid (Tjong Tjin Tai, Meerpartijenovereenkomst en samenhangende overeenkomsten (Mon. BW nr. A29) 2019/54).
Hierbij valt te denken aan het verstrijken van tijd (art. 3:38 lid 1 BW), het in vervulling gaan van een ontbindende voorwaarde (art. 6:22 BW), nakoming (art. 6:27-51 BW) en het overlijden van de opdrachtgever of opdrachtnemer (art. 7:409 resp. 7:410 BW).
Voorbeelden hiervan zijn de wilsgebreken (art. 3:44 en 6:228 BW), geestelijke stoornis (art. 3:34 BW) en handelingsonbekwaamheid (art. 3:32 BW). Een bijkomend argument om vernietiging niet te bespreken, is dat dit leerstuk slechts kan worden gebaseerd op omstandigheden die zich gedurende het sluiten van de overeenkomst hebben voorgedaan, terwijl de inhoud van de opdracht regelmatig pas ten tijde van de uitvoering komt vast te liggen.
Hierbij doel ik op verrekening in de zin van art. 6:127 BW.
Ontbinden als bedoeld in art. 6:265 BW moet van opzeggen worden onderscheiden in die zin dat bij ontbinding de overeenkomst eenzijdig wordt verbroken doordat de opgezegde partij, ongeacht toerekenbaarheid, tekortschiet in de nakoming van zijn verbintenis, tenzij de tekortkoming, gelet op haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
In de vorige twee hoofdstukken stonden de thema’s loon en aansprakelijkheid centraal. Loon is het bestaansrecht van de opdrachtnemer, en een grote schadepost of -claim grijpt regelrecht in op de vermogenspositie van de opdrachtnemer, waarmee beide thema’s verband houden met het economische en juridische voortbestaan van de opdrachtnemer. In dit hoofdstuk komt het laatste thema van dit onderzoek aan bod: de opzegging door de opdrachtgever. Ook dit thema hangt samen met het economische en juridische voortbestaan van de opdrachtnemer, oftewel: zijn bestaanszekerheid. De opdrachtnemer die (te) gemakkelijk zijn opdracht kan verliezen door een ruime opzegbevoegdheid van de opdrachtgever en zonder dat hij in aanmerking komt voor bepaalde (financiële) zekerheden, zou direct in zijn economische en juridische positie (kunnen) worden aangetast als zijn mogelijk enige of hoofdzakelijke inkomstenbron onmiddellijk wegvalt. De verbintenisrechtelijke bescherming die de opdrachtnemer aan de onderkant in deze context bezit, vormt de kern van dit hoofdstuk.
‘Pacta sunt servanda’is een van de grondbeginselen van het verbintenissenrecht. Dit beginsel brengt onder andere mee dat een contractspartij de overeenkomst en daaruit voortvloeiende verbintenissen niet klakkeloos eenzijdig kan verbreken, zodat de wederpartij kan vertrouwen op het gegeven woord. Naast de voornoemde gevolgen voor de bestaanszekerheid kan een grenzeloze mogelijkheid tot opzegging er immers toe leiden dat partijen minder snel de neiging zullen hebben in en rondom een relatie te investeren als zij niet de zekerheid hebben dat deze gedurende een zekere periode stand zal houden, voor zover het gaat om een duurverhouding.1 De partij die de overeenkomst wenst op te zeggen of de wederpartij die daarmee wordt geconfronteerd, zal in eerste instantie (moeten) beoordelen of een opzegbevoegdheid bestaat. Dat is het geval indien uit de wet, overeenkomst of redelijkheid en billijkheid een dergelijke bevoegdheid voortvloeit. Als een partij deze bevoegdheid heeft en hier vervolgens gebruik van wil maken, rijst de vraag of ook rekening moet worden gehouden met andere opzegmodaliteiten, zoals een opzegtermijn en opzegvergoeding.
De wet kent geen definitie van het begrip ‘opzeggen’. Hieronder versta ik in deze studie de wilsverklaring van de opdrachtgever gericht op de beëindiging van de overeenkomst. Buiten deze definitie vallen onder andere de beëindiging op grond van de ontbindingsregeling bij een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis en andere algemene rechtsfiguren op grond waarvan een einde aan de overeenkomst komt, zoals vernietiging vanwege een wilsgebrek. Zoals ook al in de vorige alinea naar voren kwam, speelt bij de opzegging van een overeenkomst niet alleen de bevoegdheid om dit te kunnen doen, maar ook de wijze waarop dit moet geschieden. Hierdoor valt het kapstokbegrip ‘opzegging’ als het ware uiteen in drie onderwerpen: de opzegbevoegdheid, de opzegtermijn en de opzegvergoeding, waarbij ik met het laatste onderwerp vooral doel op een (aanvullende) (schade)vergoeding vanwege de opzegging, maar ook het recht op loon bij opzegging betrek. Deze drie onderwerpen worden in alle paragrafen afzonderlijk en in chronologische volgorde besproken. Allereerst analyseer ik de opzegbepalingen van afdeling 7.7.1 BW (paragraaf 4.2). In de daaropvolgende paragraaf bespreek ik onder welke omstandigheden het algemene verbintenissenrecht de opdrachtnemer bescherming ten aanzien van het thema opzegging biedt (paragraaf 4.3). Vervolgens zoek ik in de opzegregelingen van de aannemingsovereenkomst, arbeidsovereenkomst, agentuurovereenkomst en huurovereenkomst naar analogieën met de overeenkomst van opdracht, dan wel naar aanknopingspunten die wellicht als richtsnoer kunnen dienen voor de overeenkomst van opdracht (paragraaf 4.4). Daarna zal ik het beschermingsniveau van de opdrachtnemer ten aanzien van het thema opzegging schematisch in kaart brengen (paragraaf 4.5). Ook dit hoofdstuk beëindig ik met een conclusie (paragraaf 4.6).
Net als in de voorgaande twee hoofdstukken ligt de focus in dit hoofdstuk op de niet-particuliere opdrachtgever en de opdrachtnemer die hoofdzakelijk door middel van zijn eigen arbeid tegen een laag tarief zelf (in persoon) diensten verricht. Deze opdrachtnemer wordt door mij aangeduid als de opdrachtnemer aan de onderkant en is veelal economisch afhankelijk van één opdrachtgever (zie paragraaf 1.2). Anders dan bij de thema’s loon (met de resultaatsverbintenis-opdrachtnemer) en aansprakelijkheid (met de zij-aan-zij-opdrachtnemer) wordt geen ‘extra’ type opdrachtnemer in dit hoofdstuk vervlochten. Wel staat de duurovereenkomst van opdracht nog explicieter in het middelpunt,2 meer specifiek het eenzijdig opzeggen van die overeenkomst door de (niet-particuliere) opdrachtgever met de opdrachtnemer aan de onderkant. Vooral de opzegging van de duurovereenkomst van opdracht doet al jaren het nodige stof opwaaien.3 Getuige de wettelijke regeling kan deze overeenkomst met de opdrachtnemer namelijk direct en zonder grond worden opgezegd. Het gevolg hiervan zou zijn dat de opdrachtnemer aan de onderkant zijn enige of hoofdzakelijke inkomstenbron van het ene op het andere moment kan zien wegvallen, waarbij hij vermoedelijk geen reserves heeft kunnen opbouwen voor dit soort gevallen doordat zijn tarief te laag is (zie paragraaf 1.1 en 2.1). De coronacrisis legde dit pijnpunt onder een vergrootglas.4 De keuze voor de opzegging van de duurovereenkomst van opdracht heeft tot gevolg dat ik de voorbijgaande overeenkomst van opdracht onbesproken laat.5 Een andere consequentie is dat onderwerpen als beëindiging met wederzijds goedvinden, het einde van rechtswege,6 vernietiging,7 verrekening8 en ontbinding9 buiten het bestek van deze studie vallen. Dit geldt eveneens voor de problematiek die kan spelen na opzegging, zoals een boetebeding, exoneratiebeding en non-concurrentiebeding; een uitzondering hierop vormt het recht op loon na opzegging.