Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/5.3.2.4
5.3.2.4 Het FIRIN-arrest (vervolg)
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS494251:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
R.o. 56-57.
Zie in dit verband uitgebreid paragraaf 3.3.1.
Vgl. Van de Ven en Van Esdonk (2012, paragraaf 2.1 en 2016, paragraaf 4.1). Zij lijken van een ander uitgangspunt uit te gaan. Specifiek met betrekking tot de btw-behandeling van vouchers wordt naar hun mening niet aan btw-heffing toegekomen als geen prestatie wordt verricht, omdat geen handeling (onder bezwarende titel) plaatsvindt als bedoeld in art. 2 Btw-richtlijn. Zij verwijzen hierbij naar HvJ 18 juli 2007, nr. C-277/05, V-N 2007/34.25 (Société thermale d’Eugénie-les-Bains), waarin bedragen die als voorschot waren betaald in het kader van een hoteldienst in geval van annulering door de klant volgens het HvJ moesten worden beschouwd als een forfaitaire schadeloosstelling en het rechtstreeks verband met een tegenprestatie ontbrak. Zie ook HvJ 23 december 2015, nrs. C-250/14 en C-289/14, V-N 2016/2.12 (Air France-KLM en Hop!-Brit Air), waarin het HvJ bij de verkoop van vliegtickets anders oordeelde door te concluderen dat bij de afgifte van vliegtickets zonder deze te gebruiken wel sprake was van een rechtstreeks verband. In wezen betreft dit de vraag naar de belastbaarheid van een transactie (art. 2 Btw-richtlijn). Deze gaat mijns inziens vooraf aan (en staat derhalve los van) de vraag omtrent de maatstaf van heffing. Indien de (voorgenomen) prestatie eenmaal als belastbaar is aangemerkt en de prestatie uiteindelijk niet wordt verricht, bestaat (behoudens toepassing van art. 90 Btw-richtlijn) naar mijn mening geen recht op teruggaaf van btw. In dat geval zou de belastingplichtige naar mijn idee mogelijk nog wel met succes in stelling kunnen brengen dat (achteraf bezien) het vereiste rechtstreekse verband voor belastbaarheid ontbreekt.
HvJ 15 maart 2007, nr. C-35/05, V-N 2007/15.10 (Reemtsma). Zie ook HvJ 26 april 2017, nr. C-564/15, V-N 2017/37.23 (Farkas).
Waarbij opgemerkt dat A-G Kokott hier weinig voor lijkt te voelen (zie pt. 49 van haar conclusie bij HvJ 13 maart 2014, nr. C-107/13, V-N 2014/16.21 (FIRIN)).
Het moment van het afsluiten van het onderzoek op 31 december 2017.
Naast de vergelijking met art. 203 Btw-richtlijn en de overweging dat btw als uitgangspunt (behoudens gevallen van vooruitbetaling) enkel voor aftrek in aanmerking komt als deze betrekking heeft op aan btw onderworpen handelingen, rechtvaardigt het HvJ het verschil in behandeling tussen de leverancier en de afnemer (FIRIN) tevens door te overwegen dat voor herziening van de door de leverancier verschuldigde btw op grond van art. 90 Btw-richtlijn geen plaats is zolang de bij vooruitbetaling ontvangen vergoeding niet door hem aan de afnemer is terugbetaald,1 hetgeen mij juist voorkomt.2 Met andere woorden: de volgens het HvJ fiscaal rechtvaardige ongelijkheid kan enkel worden opgeheven door de afnemer via de civielrechtelijke weg actie te laten ondernemen (en terugbetaling van het voorschot terug te vorderen). Met deze conclusie wekt het HvJ de indruk dat de ongelijkheid simpelweg voortvloeit uit het geldende btw-systeem en dat dit anders was geweest als de reikwijdte van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn op die van art. 184-186 Btw-richtlijn zou zijn afgestemd (of vice versa): art. 90 lid 1 Btw-richtlijn schrijft immers geen correctie voor bij een ‘wijziging in de elementen’. Gelet op de redactie van art. 90 Btw-richtlijn en die van art. 184-186 Btw-richtlijn kan ik dit begrijpen.3 Bedoelde lacune lijkt derhalve enkel door een actief ingrijpen van de Uniewetgever te kunnen worden weggenomen (door de redactie van bedoelde bepalingen op elkaar af te stemmen).
Echter: ik waag te betwijfelen of dit de juiste oplossing is met het oog op de ratio van art. 90 Btw-richtlijn (het belasten van de daadwerkelijk ontvangen tegenprestatie) en art. 184-185 Btw-richtlijn (het vergroten van de precisie van de aftrek). Het opnemen van een nieuwe categorie in art. 90 Btw-richtlijn (bijvoorbeeld ‘het niet verrichten van de prestatie’) zou aan de ratio van bedoelde bepaling immers afbreuk doen. Dit geldt ook voor het uitsluiten van de spiegelbeeldige categorie (zoals ‘het niet ontvangen van de prestatie’) van art. 185 Btw-richtlijn. Naar mijn idee biedt een beroep op het doeltreffendheidsbeginsel (in samenhang beoordeeld met het neutraliteitsbeginsel) een galantere oplossing. Ik verwijs in dat verband naar het in paragraaf 2.3.2.1.3 behandelde Reemtsma-arrest.4 Daarin oordeelde het HvJ in het licht van ‘art. 203-btw’ met zoveel woorden dat wanneer de ontvanger van de factuur moeite ondervindt om via de civielrechtelijke weg terugbetaling te vorderen van (ten onrechte) gefactureerde btw, hij onder omstandigheden de vordering rechtstreeks tot de belastingdienst zou moeten kunnen richten. Met andere woorden: als FIRIN er niet in zou slagen terugbetaling te vorderen van haar leverancier, dan zou zij de mogelijkheid moeten hebben een rechtstreekse vordering jegens de belastingdienst in te stellen. Ik voel daar wel wat voor.5
Noemenswaard in dit verband is dat er op dit moment6 twee Duitse zaken (met een soortgelijk feitencomplex) aanhangig zijn bij het HvJ, die betrekking hebben op de in deze paragraaf behandelde problematiek. Deze zaken zijn bij het HvJ geregistreerd onder nummers C-660/16 (Achim Kollross) en C-661/16 (Erich Wirtl). In eerstgenoemde zaak staat onder meer de vraag centraal of lidstaten herziening van de btw en herziening van de aftrek afhankelijk mogen stellen van de terugbetaling van de vooruitbetaling en of de vooruitbetalende partij zich met een vordering tot de belastingdienst kan wenden wanneer hij de voortuitbetaling niet van de ontvanger ervan kan terugkrijgen. Ook laatstgenoemde zaak handelt over de vraag of lidstaten terugbetaling mogen eisen en stelt tevens de reikwijdte van art. 186 Btw-richtlijn ter discussie.7