Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/2.3
2.3 Convergentie tussen Europese en Amerikaanse publicatieverplichtingen
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS577874:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een fraai voorbeeld daarvan wordt gegeven door Vergoossen (1999). Hij laat op p. 3-5 de uiteenlopende nettowinst van AEGON N.V. over de periode 1984-1998 zien indien deze worden berekend met inachtneming van de toenmalige Nederlandse verslaggevingsvoorschriften, danwel op basis van US GAAP. Zie ook de uiteenlopende uitkomsten die gepresenteerd worden door Bakker/Vergoossen (2004), op p. 492. Marseille laat zien dat ook in de financiële verslaggeving over het boekjaar 2005 van een negental Nederlandse beursvennootschappen met een 'cross listing' in de Verenigde Staten van Amerika nog grote verschillen te vinden zijn; vgl. Marseille (2006).
Hierover meer uitgebreid: Coffee (2002b).
Zie Ruder/Canfield/Hollister (2005). Zij beschrijven deze ontwikkelingen vanuit het perspectief van de opstellers van de verslaggevingsvoorschriften; dat wil zeggen vanuit het perspectief van de Amerikaanse FASB (als opsteller van de US GAAP) en vanuit de IASB (als opsteller van de IFRS). Een belangrijk moment in de discussies tussen de FASB en IASB is de totstandkoming van de overeenkomst op 18 september 2002 'to Work Together toward Convergence of Global Accounting Standards'. Zie over deze zogenoemde 'Norwalk Agreement': Ruder/Canfield/Hollister (2005), p. 555 e.v., Tweedie/Seidenstein (2005), p. 597 e.v. Zie daarnaast de gezamenlijke persberichten van de FASB en IASB van 29 oktober 2000 (te vinden op www.fasb.org/intl/convergence_iasb.shtml, resp. www.iasb.org/Current+Projects/Memorandum+of+Understanding+with+the+FASB.htm). Op deze websites is ook verdere informatie opgenomen over de voortgang van dit project. De samenwerking tussen de FSAB en de IASB komt ook tot uitdrukking in de instelling van de Financial Crisis Advisory Group (FCAG). De FCAG heeft op 28 juli 2009 een rapport gepubliceerd over de gevolgen van de financiële crisis voor de (opstelling en opstellers van de) verslaggevingsvoorschriften (te vinden op http://www.iasb.org/NR/rdonlyres/2D2862CC-BEFC-4A1E-8DDC-F159B78C2AA6/0/FCAGReportJuly2009.pdf). Eén van de belangrijkste bevindingen is dat door politici (onwenselijk) grote druk is uitgeoefend om tot snelle aanpassing van de verslaggevingsvoorschriften te komen.
Hierover ook Van Hulle (2000b). Uit zijn betoog blijkt, op p. 180, ten eerste om welke reden de Europese Commissie een voorkeur heeft voor de IFRS boven US GAAP: 'Amerikaanse standaarden worden opgesteld voor Amerikanen en door Amerikanen (...) Bovendien heeft Europa geen invloed op de totstandkoming van US GAAP.' Vervolgens merkt Van Hulle, op p. 182, op erin te geloven dat uiteindelijk de markt zal beslissen dat op grond van de IFRS opgestelde jaarrekeningen als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd met jaarrekeningen opgesteld op grond van US GAAP, ondanks dat op dat moment — eind 2000 — 'de Verenigde Staten nog steeds niet bereid lijken een IAS-jaarrekening als gelijkwaardig met een US GAAP-jaarrekening te aanvaarden.'
Exemplarisch daarvoor is het in de vorige voetnoot aangehaalde betoog van Van Hulle (2000b). Vgl. hierover ook Cox (1999). Hij schrijft, op p. 1237: '[t]he SEC has long been a dominant voice on the subject of international securities regulation' en constateert verder, op p. 1211, dat 'the SEC's consideration of IAS on the grounds of comparability has its own Catch 22: IAS will be acceptable when there is the least interest by issuers and investors whether the SEC filings conform to U.S. GAAP or IAS.' Overigens is ook in meer recente Amerikaanse literatuur nog de reflex te vinden dat de 'Amerikaanse aanpak', en dan met name de intensiteit van het toezicht dat de SEC uitoefent, de maatstaf voor convergentie zou moeten zijn. Zie bijvb. de betogen van Jackson (2005) en (2007). Hij beschouwt de omvang van de kosten en intensiteit van het toezicht als een maatstaf voor de ontwikkeling van financiële markten (vgl. met name Jackson (2005), p. 31-33 en (2007), p. 115-116). Zie daarnaast de SEC medewerkers Tafara/Petersen (2007) die, in een fraai betoog over de wijze waarop de secundaire effectenmarkten wereldwijd meer met elkaar vervlochten raken, voorstellen om te komen tot 'a system of selective substitute compliance'. Onderdeel daarvan maakt echter wel uit, zoals zij opmerken op p. 56, dat '[s]ubstituted compliance would (...) permit the United States and other countries with similar regulatory philosophies to leverage their regulatory strengths (...), substituted compliance may encourage other jurisdictions to adopt high regulatory standards and thus minimize regulatory arbitrage as a way to attract business away from the United States and its partners.'
Een voorbeeld biedt de in januari 2005 in Londen gehouden toespraak van toenmalig SEC voorzitter Donaldson, met als veelzeggende titel: 'U.S. Capital Markets in the PostSarbanes-Oxley World: Why Our Markets Should Matter to Foreign Issuers' (te vinden op www.sec.govinews/speech/spch012505whd.htm).
Vgl. in deze zin expliciet de 'Chief Accountant' van de SEC in 2005, Nicolaisen (2005), p. 670-673. Zie voor een uitvoerige beschrijving van dit proces verder Karmel (2008), p. 13 e.v. en Karmel (2009), p. 548 e.v.
Hierover: Ruder/Canfield/Hollister (2005), p. 529 e.v., Nicolaisen (2005), p. 676-677 en Karmel (2008), p. 14-15.
Vgl. de expliciete verwijzing van de SEC in de toelichting op SEC Release Nos. 33-8879; 34-57026 (73 F.R. 986, op p. 987) naar de totstandkoming van de IAS-verordening in de EU. Zie in dit verband ook Nicolaisen (2005), p. 661-666.
Vgl. art. 20, lid 1, onderdeel b, Prospectusrichtlijn en de uitwerking daarvan in artikel 35 Prospectusverordening, resp. art. 23, lid 1, Transparantierichtlijn. Oorspronkelijk werd op grond van deze bepalingen aan beursvennootschappen van buiten de EU tot 1 januari 2007 uitstel verleend van de verplichting om de door hen te publiceren informatie op basis van IFRS op te stellen. Deze 'uitstelperiode' is door de Europese Commissie op 4 december 2006 in eerste instantie verlengd tot 1 januari 2009 (voor de Prospectusrichtlijn door de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1787/2006; voor de Transparantierichtlijn door Beschikking 2006/891/EG). Het tijdelijke uitstel is inmiddels omgezet in een, niet aan een termijn gebonden, erkenning dat van gelijkwaardigheid sprake is. Zie de door de Europese Commissie op 12 december 2008 vastgestelde Verordening (EG) nr. 1289/2008 (waarbij de Prospectusverordening is aangepast), resp. Beschikking 2008/961/EG (waardoor Beschikking 2006/891/EG ingetrokken is).
Verordening (EG) nr. 1569/2007. Hierover: Eisma/Schlingmann (2008), p. 1016-1017.
Ingevolge art. 4, lid 5, Verordening (EG) nr. 1569/2007.
Vgl. het CESR advies van 31 maart 2008 aan de Europese Commissie (document CESR/08179, te vinden op www.cesr-eu.org). Overigens heeft CESR ook voorafgaand aan de vaststelling door de Europese Commissie van Verordening (EG) Nr. 1569/2007 al enkele voorlopige adviezen over de gelijkwaardigheid van verslaggevingsvoorschriften gepubliceerd. Hierover: Van Wijngaarden (2005b).
Ik verwijs naar de reeds genoemde besluiten — zie noot 90 — van de Europese Commissie van 12 december 2008.
In deze zin expliciet Jackson (2007), op p. 117: '[w]hile the discussions have been couched in the language of diplomacy, there has been at least an implicit threat on the part of European authorities that if the SEC cannot see its way to accepting international accounting standards for European issuers, then the EU may need to revisit the question of whether U.S. GAAP should remain acceptable for U.S. firms raising capital in public European markets.' Tot die conclusie komt ook Karmel (2008), op p. 12-13. Ook Van Wijngaarden merkte — in Van Wijngaarden (2005b), op p. 323 — reeds op dat het 'geen betoog [behoeft] dat beide processen van `equivalence' elkaar in politieke zin zullen beïnvloeden, hopelijk in constructieve zin.'
Aldus Tweedie/Seidenstein (2005), p. 596.
In deze zin Nicolaisen (2005), p. 673-675 en 686. Zie verder de website van de SEC, met daarop een overzicht van de stappen die ondernomen zijn (http://www.sec.gov/spotlight/ifrsroadmap.htm) en Karmel (2009), p. 548-551.
Vgl. het persbericht van de SEC en CESR van 2 augustus 2006 waarin dit 'Work Plan' uiteen is gezet (te vinden op www.sec.gov/news/press/2006/2006-130.htm).
SEC Release Nos 33-8879 en 34-57026, 'Acceptance From Foreign Private Issuers of Financial Statements Prepared in Accordance With International Financial Reporting Standards Without Reconciliation to U.S. GAAP' en gepubliceerd in 73 F.R. 986.
In het bijzonder Items 17 en 18; zie ook de toelichting van de SEC in 73 F.R. 986, vanaf p. 994.
Zie ook het persbericht van IOSCO — de internationale organisatie van effectentoezichthouders — van 7 februari 2008 (www.iosco.org/news/pdf/IOSCONEWS112.pdf). In deze verklaring, getiteld 'IOSCO urges public companies to clarify use of accounting standards', dringt IOSCO er bij beursvennootschappen op aan om (meer) duidelijkheid te verschaffen over de door hen toegepaste verslaggevingsvoorschriften.
Vgl. het persbericht van de SEC van 27 augustus 2008 (op www.sec.gov/news/press/2008/2008-184.htm) met de aankondiging van deze 'Roadmap'. De 'Roadmap' is gepubliceerd op 14 november 2008, vgl. SEC Release Nos. 33-8982; 34-58960; File No. S7-27-08, te vinden in 73 F.R. 70816. De oorspronkelijke reactietermijn was 19 februari 2009. Deze termijn is verlengd tot 20 april 2009 door SEC Release Nos. 33-9005; 34-59350; File No. S7-27-08, van 3 februari 2009 (zie 74 F.R. 6359).
Zie over dit initiatief de website van de SEC (www.sec.gov/about/offices/oca/aciftshtml). De in dit verband door de SEC ingestelde 'Advisory Committee on Improvements to Financial Reporting' heeft op 1 augustus 2008 haar eindrapport gepubliceerd. Bespreking van dit omvangrijke rapport, te vinden op www.sec.gov/about/offices/oca/acifeacift-finalreport.pdf, valt buiten het bestek van deze studie.
Vgl. de in voetnoot 85 aangehaalde opvattingen van Jackson (2007) en Tafara/Peterson (2007).
Deze 'strijd' vindt, tussen de SEC en de Europese Commissie, vooral plaats in de zogenoemde 'Transatlantic Financial Markets Regulatory Dialogue'. Hierover Alexander e.a. (2007). Zoals in het eerste hoofdstuk van deze studie is besproken speelt daarnaast binnen de Europese Unie de politieke discussie over de mate waarin lidstaten bereid zijn om de bevoegdheden van hun nationale toezichthouders volledig te harmoniseren en, in het verlengde daarvan, een Europese toezichthouder te creëren.
Vgl. p. 86 e.v. van het rapport van de US Treasury 'Financial Regulatory Reform: A new Foundation' (te vinden op http://www.fmancialstability.gov/docs/regs/FinalReport_web.pdf). Dit rapport, gepubliceerd op 17 juni 2009, bevat een overzicht van de beleidsvoornemens van de Amerikaanse regering om de gevolgen van de financiële crisis tegen te gaan. Behalve opmerkingen over convergentie van financiële verslaggevingsvoorschriften bevat het ook vergaande voorstellen voor hervorming van het toezicht in de Verenigde Staten van Amerika. Over dit rapport: Schouten (2009c). Inmiddels is, op 15 oktober 2009, mede op basis van dit rapport de 'Investor Protection Act of 2009 (H.R. 3817)' geïntroduceerd.
Kort gezegd kon op grond van de tot oktober 2008 geldende IAS 39.50 geen reclassificatie van de waarderingsbasis plaatsvinden van financiële activa in een 'fair-value' categorie naar een historische kostprijs categorie. Op basis van US GAAP was dit wel toegestaan. Meer uitvoerig hierover: Delger (2009), Marseille (2009) en Van Wijngaarden (2009).
Hierover Van Wijngaarden (2009). Zie voor kritiek op deze (te) grote politieke invloed het 'Report of the Financial Crisis Advisory Group' — een rapport van een door FASB en IASB ingestelde groep onder leiding van Goldschmid en Hoogervorst — van 28 juli 2009 (te vinden op http://www.iasb.org/NR/rdonlyres/5EB35F78-33FC-4C34-9C97-53DB4543038D/0/FCAGReport29JulyLD.pdf).
Van enkele voorstellen tot aanpassing van IAS 39 —door middel van IFRS 9 — heeft de 'Accounting Regulatory Committee' op 11 november 2009 overigens geadviseerd geen versnelde 'endorsement' toe te passen (vgl. http://ec.europa.eu/intemalmarket/accounting/docs/arc/2009-11-11_ARC_IFRS9_en.pdf). Daarmee blijft sprake van politieke druk op de IASB om verdergaande aanpassingen door te voeren.
Aldus Van Wijngaarden (2009), p. 429.
In ieder geval lijkt de opvatting breed gedeeld dat de wijze van aanpassen in het najaar van 2008 afbreuk heeft gedaan aan de voorspelbaarheid en betrouwbaarheid van de IASB als 'standardsetter', vgl. Van Wijngaarden (2009) en Delger (2009), p. 58-59.
Mede als gevolg van de toegenomen globalisering van de effectenmarkten is vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw de aandacht voor de verschillen tussen de Europese en Amerikaanse publicatieverplichtingen toegenomen. Dat het uiteenlopen van de publicatieverplichtingen tot kosten en onduidelijkheden leidde1, bleek met name bij beursvennootschappen met een zogenoemde "cross listing". Een "cross listing" is een toelating van effecten van een beursvennootschap tot de handel op meer dan één effectenbeurs in verschillende (lid)staten.2 Een belangrijk initiatief om deze kosten en onduidelijkheden tegen te gaan, is de harmonisering van de voorschriften voor de inrichting van de financiële verslaggeving, in het bijzonder de jaarrekening en het jaarverslag. Het sluitstuk van deze harmonisatie zou de convergentie van US GAAP en IFRS tot één wereldwijde financiële verslaggevingsstandaard moeten zijn.3
In eerste instantie werden de kosten en onduidelijkheden van het uiteenlopen van de inrichtingsvoorschriften voor de financiële verslaggeving vooral door Europese beursvennootschappen — en investeerders daarin — ondervonden. Dat is niet onlogisch. Zoals in het vorige hoofdstuk is besproken, was immers binnen de Europese Unie voorafgaand aan de totstandkoming van de IASVerordening in feite sprake van een per lidstaat verschillend stelsel van inrichtingsvoorschriften voor de financiële verslaggeving. Dit had tot gevolg dat Europese beursvennootschappen met een "cross listing" op een Amerikaanse effectenbeurs bij hun jaarrekening gebaseerd op hun nationale recht een "reconciliatie" naar US GAAP dienden op te stellen. Het tegengaan van dit gevolg was nu juist een belangrijk oogmerk voor het tot stand brengen van de IAS-verordening.4
Door Amerikaanse beursvennootschappen en effectenbeurzen werd, tot het begin van deze eeuw, in veel mindere mate hinder ondervonden van het uiteenlopen van de inrichtingsvoorschriften voor de publicatieverplichtingen.
Om die reden bevatte de dialoog tussen Europese en Amerikaanse politici en toezichthouders over convergentie van verslaggevingvoorschriften een bepaalde mate van onevenwichtigheid.5 Waar vanuit Europees perspectief reeds vanaf het einde van de jaren '90 van de vorige eeuw het streven gericht was op convergentie van verslaggevingsvoorschriften tot één wereldwijde standaard, leek van de Amerikaanse zijde tot voor kort sprake te zijn van een meer terughoudende opstelling.
Sinds de beginjaren van deze eeuw heeft in de Amerikaanse opstelling echter een kanteling plaatsgevonden.6 Aan die kanteling ligt een aantal ontwikkelingen ten grondslag. Ten eerste het, hierboven kort genoemde, proces van convergentie tussen US GAAP en IFRS tot één wereldwijde standaard.7 Daarbij speelden ook de omzetting van de IASC in de IASB en de daarmee samenhangende institutionele wijzigingen binnen de IASB een belangrijke rol.8 Daarnaast is de onderlinge vergelijkbaarheid van de financiële verslaggeving van — in ieder geval — Europese beursvennootschappen vergroot door de verplichte toepassing van de door de Europese Commissie "goedgekeurde" IFRS in hun financiële verslaggeving over boekjaren die zijn aangevangen na 1 januari 2005. Dit heeft voor de Amerikaanse regelgever de drempel verlaagd om van Europese beursvennootschappen publicatie van op IFRS gebaseerde (geconsolideerde) jaarrekeningen te accepteren zonder "reconciliatie".9
Een andere ontwikkeling die heeft bijgedragen aan de kanteling van de Amerikaanse opstelling, is de scherpere koers die de Europese regelgever heeft uitgezet in de Prospectusrichtlijn en Transparantierichtlijn. In deze richtlijnen is uitdrukkelijk bepaald dat uitgevende instellingen uit niet EU-landen, indien deze de in die richtlijnen beschreven informatie publiceren, vereisten in acht dienen te nemen die "gelijkwaardig" zijn aan de voorschriften van de betreffende richtlijn.10 Om te bepalen welke vereisten als "gelijkwaardig" aan de IFRS kunnen worden beschouwd heeft de Europese Commissie, ter uitvoering van art. 24, vierde lid, Transparantierichtlijn, eind 2007 een verordening gepubliceerd met een mechanisme op basis waarvan die gelijkwaardigheid kan worden vastgesteld.11 Daarbij is een belangrijke rol voor CESR weggelegd. CESR dient op grond van deze verordening door de Europese Commissie betrokken te worden bij beantwoording van de vraag of verslaggevingsstandaarden van buiten de EU gelegen landen aanvaardbaar zijn.12 CESR heeft inmiddels aan de Europese Commissie geadviseerd om US GAAP als gelijkwaardig met IFRS te beschouwen.13 Door de Europese Commissie is dit advies eind 2008 overgenomen.14 Het gevolg hiervan is dat Amerikaanse beursvennootschappen waarvan effecten worden (of zijn) toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, ook na 1 januari 2009, hun op US GAAP gebaseerde financiële informatie niet hoeven te "reconciliëren" naar IFRS. Dat deze Europese ontwikkelingen politieke druk hebben gelegd op de Amerikaanse toezichthouder om, in tegenruil, toepasselijkheid van de IFRS door niet-Amerikaanse beursvennootschappen te accepteren, ligt niet alleen voor de hand maar is ook als zodanig in de literatuur onderkend.15
Een laatste, en niet onbelangrijke, ontwikkeling die tot een kanteling van de Amerikaanse opstelling heeft geleid, vloeit voort uit de zogenoemde "boekhoudschandalen" van begin deze eeuw. Deze vonden — vooral — op de Amerikaanse effectenmarkten plaats bij Amerikaanse effectenbeurzen. Met recht is om die reden in de literatuur geconcludeerd dat "in the aftermath of Enron, the United States became more receptive to non-U.S. approaches to accounting."16
Aan de verandering in de houding van de SEC tegenover de toepassing van de IFRS door Europese beursvennootschappen in hun geconsolideerde jaarrekeningen, zonder de eis van "reconciliatie" te stellen, ging een proces vooraf dat door de betrokkenen ook wel de "Roadmap" is genoemd.17 Onderdeel daarvan maakte onder meer uit het in 2006 tussen de SEC en CESR overeengekomen "Work Plan".18 Hierin is uiteengezet op welke wijze de samenwerking tussen deze organen op het terrein van "financial reporting" is vormgegeven. De "Roadmap" heeft uiteindelijk geleid tot uitvaardiging van een tweetal SEC Releases op 21 december 2007.19 Op basis hiervan is, onder andere, "Form 20-F" op enkele plaatsen aangepast.20 Verder wordt aan niet-Amerikaanse beursvennootschappen toegestaan dat zij hun "financial statements" over boekjaren die eindigen na 15 november 2007 opstellen met inachtneming van de IFRS. Daarbij is door de SEC wel als eis gesteld dat het moet gaan om de door de IASB uitgevaardigde IFRS.
De ontwikkelingen, maar ook de discussies, over de wereldwijde convergentie van verslaggevingsvoorschriften zijn hiermee nog niet ten einde.21 Een voorbeeld daarvan is het voorstel van de SEC met, opnieuw, een "Roadmap" dat kan leiden tot het vanaf 2014 — ook — aan Amerikaanse beursvennootschappen toestaan om hun financiële verslaggeving op basis van de IFRS op te stellen.22 Tegelijkertijd heeft de SEC een discussie geïnitieerd om te komen tot een meer "investor friendly" systeem van publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen.23 Van belang is ten slotte dat de acceptatie door de SEC van de toepassing van de IFRS door Europese beursvennootschappen in belangrijke mate zal afhangen van de vraag of de verschillende Europese toezichthouders erin slagen af te dwingen dat Europese beursvennootschappen de "goedgekeurde" IFRS op eenduidige wijze toepassen en uitleggen. Dat dit, vanwege cultureel bepaalde en historische gegroeide verschillen in systemen van toezicht en handhaving tussen de lidstaten, nog geen eenvoudige opgave zal zijn, heb ik in het vorige hoofdstuk besproken. Aangezien tegelijkertijd vanuit Amerikaanse perspectief het standpunt ingenomen lijkt te worden dat, wat de handhaving van de verslaggevingsvoorschriften betreft, de Amerikaanse opvattingen als de standaard gelden24, is hierover voorlopig de laatste — politieke strijd nog niet gestreden.25
Onduidelijk is nog of als gevolg van de sinds het najaar van 2008 in volle hevigheid losgebarsten financiële crisis het convergentieproces van IFRS en US GAAP trager of sneller zal verlopen. Enerzijds heeft bijvoorbeeld het Amerikaanse ministerie van Financiën de FASB en de IASB opgeroepen tot aanpassing van de verslaggevingsvoorschriften, opdat deze in mindere mate zouden bijdragen aan versterking van pro-cyclische effecten, en hen aangespoord om voortgang te maken met het ontwikkelen van een "single set of high quality global accounting standards".26 Anderzijds lijken de opstellers van de US GAAP en IFRS voor dezelfde problematiek niet altijd dezelfde oplossingsrichting te prefereren, waarvan de wijze waarop werd (en moet worden) omgegaan met waardeverminderingen van financiële instrumenten een voorbeeld vormt.27 Mede vanwege de verschillen tussen US GAAP en IFRS is in oktober 2008 op de IASB stevige politieke druk uitgeoefend om IAS 39 aan te •
passen.28 Dit heeft geleid tot een ongekend snelle aanpassing van deze standaard in het najaar van 2008 en tot de aankondiging van IASB om in de loop van 2009 andere aanpassingen van IAS 39 voor te stellen.29 Naar verwachting zal convergentie met de Amerikaanse standaarden daarbij het richtsnoer zijn.30 Of deze aanpassingen, en de wijze waarop de aanpassingen van IAS 39 in najaar 2008 heeft plaatsgevonden, zullen bijdragen aan versnelling van het convergentieproces IFRS en US GAAP zal de toekomst echter moeten uitwijzen.31