De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie
Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/7.2.1:7.2.1 De implementatie van art. 7 Tiende Richtlijn
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/7.2.1
7.2.1 De implementatie van art. 7 Tiende Richtlijn
Documentgegevens:
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS392087:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Tiende Richtlijn kent als uitgangspunt dat de aan de grensoverschrijdende fusie deelnemende vennootschappen voorafgaand aan de fusie voldoen aan de bepalingen en formaliteiten van de op hen toepasselijke nationale wetgeving (art. 4 lid 2 Tiende Richtlijn). In aanvulling hierop verplicht de Tiende Richtlijn het leidinggevende dan wel het bestuursorgaan van iedere aan de fusie deelnemende vennootschap voor de aandeelhouders een verslag op te stellen waarin de juridische en economische aspecten van de fusie en de gevolgen voor onder meer de werknemers worden toegelicht (art. 7 Tiende Richtlijn). Het Nederlandse recht kende met art. 2:312 BW voor de interne fusie reeds een soortgelijke verplichting. Deze bepaling is op de grensoverschrijdende variant van overeenkomstige toepassing verklaard en op sommige punten nader aangevuld.
Art. 2:312 lid 1 (h) BW verplicht de vennootschap in het fusievoorstel informatie op te nemen over het voortzetten of het beëindigen van werkzaamheden van de fuserende vennootschappen na de fusie. Gaat het om een grensoverschrijdende fusie dan vermeldt het fusievoorstel bovendien de waarschijnlijke gevolgen van de fusie voor de werkgelegenheid (art. 2:333d (b) BW). Voorts dient het bestuur van de vennootschap in een nadere schriftelijke toelichting uiteen te zetten wat de redenen voor de fusie zijn met de te verwachten gevolgen voor de werkzaamheden. De uiteenzetting moet plaatsvinden vanuit een juridisch, een economisch en een sociaal oogpunt (art. 2:313 BW). De juridische informatie heeft betrekking op de keuze voor de grensoverschrijdende juridische fusie als reorganisatievorm. De economische informatie richt zich op de synergie voordelen die de fusie naar verwachting zal hebben. Bij het sociaal oogpunt kan worden gedacht aan de consequenties van de fusie voor de bedrijfsvoering.1
De toelichting hoeft – anders dan het fusievoorstel zelf – niet te worden gedeponeerd bij het Handelsregister. Wel moet de toelichting met het fusievoorstel zijn neergelegd ten kantore van de rechtspersoon (art. 2:314 BW). Ook hier kent de wet een aanvullende bepaling voor de grensoverschrijdende fusie. Art. 2:333f BW bepaalt dat de toelichting tot het tijdstip van fuseren ter inzage voor de ondernemingsraad moet worden gelegd. De bepaling voegt inhoudelijk niets toe aan art. 2:314 BW. Eventueel kan men uit de bepaling afleiden dat het bestuur de ondernemingsraad op de hoogte moet stellen van het feit dat de toelichting ter inzage ligt. De wettekst bepaalt dit echter niet met zoveel woorden. Met instemming van de aandeelhouders kan het opstellen van een toelichting achterwege blijven (art. 2:313 lid 4 BW). Bij een interne fusie kan het daarom voorkomen dat geen inzicht wordt verschaft in de gevolgen voor de werkgelegenheid. Dit is bij een grensoverschrijdende fusie niet mogelijk nu deze informatie in het fusievoorstel zelf moet zijn vermeld (art. 2:333d (b) BW). Uiteindelijk komt de informatie altijd wel bij de ondernemingsraad terecht. De ondernemer dient – zoals hierna zal blijken – de informatie namelijk eveneens te verschaffen in het kader van het adviestraject van art. 25 WOR.2