Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/9.3.4
9.3.4 Het verlichten van de bewijslast van de belegger via het (toepassing van het) leerstuk van proportionele aansprakelijkheid of het leerstuk van kansschade
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655727:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de proportionele benadering als oplossing voor causaliteitsonzekerheid in het algemeen reeds § 1.4.3, en zie ook de aldaar aangekaarte (en hopelijk afgekaarte) terminologische discussie omtrent het begrip ‘proportionele aansprakelijkheid’.
Zie over beide leerstukken achtereenvolgens § 1.4.3.1 respectievelijk § 1.4.3.2 en de aldaar vermelde literatuur en rechtspraak.
Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 79-80a; Lindenbergh 2020 (Mon. BW B34), nr. 34; Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 67.
Zie over het onderscheid tussen beide leerstukken onder meer Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 79-80a en nr. 81c-81d; Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 59; Tjong Tjin Tai 2016, p. 2239-2244; Cox 2016; Kortmann 2012, p. 41-52. Zie hierover ook Tjong Tjin Tai in zijn noten onder HR 31 maart 2006, NJ 2011/250 (Nefalit/Karamus) respectievelijk HR 24 december 2010, NJ 2011/251 (Fortis/Bourgonje).
Zie over het al dan niet toepassen van proportionele aansprakelijkheid bij schending van waarschuwings- of informatieplichten en daardoor beweerdelijk veroorzaakte beleggingsschade ook Busch 2014 (Mon. BW B8), nr. 23.2; De Jong & Pijls 2013, p. 7-8, en voordien De Jong 2010, p. 276. En zie over het al dan niet toepassen van proportionele aansprakelijkheid bij schending van waarschuwings- of informatieplichten in het algemeen Tjong Tjin Tai 2016, p. 2242; Giesen & Maes 2014, p. 225-227; Van der Kooij 2013, p. 168.
In gelijke zin A-G A. Hammerstein in punt 2.2.2 van zijn conclusie, ECLI:NL:PHR:2012:BX8349, bij HR 14 december 2012, NJ 2013/236, m.nt. S.D. Lindenbergh onder NJ 2013/237 (Nationale Nederlanden/S. en L.). Het betoog van A-G Hammerstein dat een oplossing via de route van kansschade in dit geval wél rechtens toelaatbaar is, onderschrijf ik overigens niet. Zie voor een genuanceerder betoog op dit punt Klaassen 2013, p. 157-158 en punt 3.15.1 van de conclusie van A-G J. Spier, ECLI:NL:PHR:2012:BX7491, bij HR 21 december 2012, NJ 2013/237, m.nt. S.D. Lindenbergh (Deloitte/H. & H. Beheer e.a.).
Zie reeds De Jong & Pijls 2013, p. 8. Wel wijs ik in dit verband nog op de 81 RO-arresten HR 30 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3191 (X e.a./Stichting ABAB) en HR 1 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3051 (X/Y en Z) en op punt 3.36 van de conclusie van A-G T. Hartlief, ECLI:NL:PHR:2017:430, bij HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2452 (X/Y en Z). Zie over de toepassing van kansschade als oplossing voor causaliteitsonzekerheid bij schending van het vereiste van informed consent ook Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 80a; Busch 2014 (Mon. BW B8), nr. 23.3. En zie voor een ander geluid ten opzichte van het in de hoofdtekst verdedigde standpunt Akkermans en Van Dijk in hun JA-noot (sub 15) onder HR 21 december 2012, JA 2013/41 (Deloitte/H. & H. Beheer e.a.); Castermans & Den Hollander 2013, § 7; Wouters 2013b, § 5-§ 6; Klaassen 2013, p. 160 en p. 164-165; Giesen & Maes 2014, p. 230-231.
HR 24 december 2010, NJ 2011/251, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Fortis/Bourgonje), r.o. 3.8. Zie in dit verband ook punt 3.6 van de conclusie van A-G T. Hartlief, ECLI:NL:PHR:2016:871, bij HR 23 december 2016, NJ 2017/133, m.nt. S. D. Lindenbergh (X e.a./Academisch Ziekenhuis behorende bij de Openbare Universiteit Rotterdam).
Zie over toepassing van het leerstuk van kansschade als oplossing voor een onzeker causaal verband tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing van de zittende aandeelhouder die stelt als gevolg van de misleiding zijn aandelen te laat te hebben verkocht Hof Amsterdam 13 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2422, JOR 2018/246, m.nt. I.N. Tzankova (Ageas S.A./N.V e.a./X e.a.), r.o. 5.29 (eindbeschikking in de WCAM-procedure van de Fortis-schikking): ‘Voor de toepassing van het leerstuk van de kansschade in een geval als het onderhavige zal eerst beoordeeld moeten worden of [csqn]-verband aanwezig is tussen het gestelde onrechtmatig handelen van Fortis en het verlies van een kans op een beter beleggingsresultaat. Een belegger met Holder Shares zal daartoe voldoende aannemelijk moeten maken dat in de hypothetische situatie zonder fouten een andere beleggingsbeslissing zou zijn genomen, zodat hem een kans op een beter beleggingsresultaat is ontnomen.’ De gecursiveerde zinsnede acht ik ongelukkig geformuleerd, aangezien de causaliteitszonderheid in dit geval juist betrekking heeft op de vraag of de belegger bij afwezigheid van de misleiding daadwerkelijk een andere beleggingsbeslissing zou hebben genomen. Zie over toepassing van het leerstuk van kansschade als oplossing voor de hiervoor bedoelde causaliteitsonzekerheid in de literatuur reeds Rutten 2012, p. 257-258 en zie daarover kritisch De Jong & Pijls 2013, p. 5-12.
Vgl. in dit verband Rb. Amsterdam 28 oktober 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:7495, JOR 2015/330, m.nt. U.B. Verboom (VEB en Stichting VEB-Actie Landis/Kuiken en Bus), r.o. 4.4 (slot).
Vgl. De Jong 2010, p. 297, die het leerstuk van kansschade behandelt als oplossing voor een onzeker causaal verband tussen enerzijds de misleiding en de daardoor veroorzaakte beleggingsbeslissing en anderzijds de door de belegger gestelde koersschade. Vgl. in dit verband ook Rutten 2012, p. 254.
Vgl. Pijls 2009b, p. 176 in het kader van de beleggingsonderneming die jegens zijn cliënt in zijn informatie- en/of waarschuwingsplicht is tekortgeschoten.
Zie over de begroting van kansschade in het algemeen reeds § 1.4.3.2. Zie hierover ook Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 79-80a; Jong 2010, p. 296; Van Dijk 2000, p. 29.
Zie over de bevoegdheid van de (feiten)rechter om de hoogte van de kansschade te schatten, indien een nauwkeurige vaststelling niet mogelijk is de arresten HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1683, NJ 2016/1, m.nt. T. F.E. Tjong Tjin Tai (X/Gemeente Zoeterwoude), r.o. 3.7.2 en HR 27 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2786 (X/Academisch Ziekenhuis Maastricht), r.o. 3.4.2. Zie hierover in de literatuur De Jong 2010, p. 296; Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 67; Klaassen 2007, p. 1352; Van Dijk 2000, p. 29; Akkermans 1997, p. 183-187.
Deze passage is gebaseerd op De Jong & Pijls 2013, p. 12.
Zie reeds De Jong 2010, p. 297-298. Zie in dit verband ook Pijls 2009b, p. 179-180.
Ten opzichte van de schakeringen ‘passieve particuliere’ belegger en ‘actieve professionele belegger’ zijn uiteraard nadere verfijningen mogelijk.
Vgl. Fox 2005a, p. 214 en p. 516, voetnoot 40; Fox 2005b, p. 1549.
Zie in dit verband ook de Amerikaanse uitspraak Ludlow v. BP, P. L.C, 800 F.3d 674, 690 (5th Cir. 2015).
Het feit dat in beleggingsschadezaken de grootte van de ‘gemiste kans’ niet met een redelijke mate van nauwkeurigheid kan worden vastgesteld, vormt voor Schild een doorslaggevend argument om proportionele aansprakelijkheid af te wijzen als oplossing voor causaliteitsonzekerheid bij schending van waarschuwings- en/of informatieplichten jegens de belegger. Zie Schild 2009, p. 260-261.
In gelijke zin De Jong 2010, p. 298.
Als kan worden vastgesteld dat het alternatieve beleggingsobject waarin de belegger in de hypothetische situatie zonder misleiding zijn geld zou hebben belegd (absoluut gezien) € 10 beter zou hebben gerendeerd dan het litigieuze aandeel thans heeft gedaan, kan dit bijvoorbeeld betekenen dat op het alternatieve beleggingsobject € 10 minder koersverlies zou zijn geleden dan thans op het litigieuze aandeel is geleden. Het zou echter ook kunnen betekenen dat op het alternatieve beleggingsobject € 10 meer koerswinst zou zijn behaald dan thans op het litigieuze aandeel is behaald.
Ik wijs erop dat deze onzekerheid zonder al te veel moeite in de schadeberekening kan worden verdisconteerd door bij het schatten van de kans daar rekening mee te houden.
Aldus ook De Jong 2010, p. 298 voor de situatie waarin het leerstuk van kansschade wordt toegepast als oplossing voor een onzeker causaal verband tussen de beleggingsbeslissing en de door de belegger gestelde koersschade.
Zie in dit verband ook het arrest HR 14 december 2012, NJ 2013/236, m.nt. S.D. Lindenbergh onder NJ 2013/237 (Nationale Nederlanden/S. en L.), r.o. 4.4, waarin de Hoge Raad oordeelde dat ‘indien in een bepaald geval tot toepassing van proportionele aansprakelijkheid is besloten, art. 6:101 lid 1 BW (…) [nog] aanleiding kan geven tot een vermindering van de (op basis van proportionele aansprakelijkheid vastgestelde) vergoedingsplicht en eventueel tot een billijkheidscorrectie als in dat artikellid bedoeld’ (toevoeging ACWP). En zie voorts Hof Arnhem-Leeuwarden 4 juni 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:CA2120, JA 2013/119, m.nt. H.J. Delhaas (X/Notariskantoor Oosterhesselen), r.o. 2.22-2.24.
Een andere manier om de belegger in zijn (zware) bewijslast bij het bewijs van het causaal verband tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing tegemoet te komen, is door een zogenoemde ‘proportionele benadering’ toe te passen.1 Hiermee bedoel ik dat de eventuele onzekerheid die bestaat bij de vraag of de beleggingsbeslissing daadwerkelijk door de misleiding is beïnvloed, wordt ‘opgelost’ door toepassing te geven aan het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid dan wel het leerstuk van (de vergoeding van) kansschade.2 Zoals uiteengezet in § 1.4.3.1, gaat het bij het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid om aansprakelijkheid naar rato van de kans dat het desbetreffende nadeel door de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis is veroorzaakt.3 Het leerstuk beoogt primair een oplossing te bieden voor onzekerheid over het causaal verband tussen de normschending en de door de benadeelde geleden schade. Bij de theorie van het verlies van een kans gaat het daarentegen om een bijzondere interpretatie van het schadebegrip: de kans dat zonder de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis een bepaald nadeel zou zijn uitgebleven, dan wel een bepaald voordeel zou zijn behaald, wordt beschouwd als rechtens relevante, en tevens rechtens vergoedbare schade.4 Anders dan het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid, beoogt de theorie van het verlies van een kans primair een oplossing te bieden voor onzekerheid over de vraag of de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis wel tot schade heeft geleid.5 Van onzekerheid over het causaal verband tussen de normschending en de door de benadeelde geleden kansschade is in beginsel echter geen sprake. Het aantrekkelijke van (het toepassen van) een proportionele benadering is dat de ‘pijn’ van de knellende bewijslast ten aanzien van het onzekere causaal verband en/of de onzekere schade niet eenzijdig bij één van de procespartijen wordt neergelegd (zoals dat wel gebeurt bij een rechterlijke beslissing op basis van het bewijsrisico), maar dat deze – in plaats daarvan – door middel van (het toewijzen van) een proportionele schadevergoeding tussen beide partijen wordt verdeeld. De onrechtvaardigheid en onbillijkheid van een ‘alles-of-niets’-oplossing wordt daarmee dus voorkomen.
Zoals ik heb uitgelegd in § 1.4.4.2, acht ik het naar aanleiding van het Fortis/Bourgonje-arrest niet waarschijnlijk dat de Hoge Raad proportionele aansprakelijkheid als oplossing voor causaliteitsonzekerheid bij schending van het vereiste van informed consent en daardoor beweerdelijk veroorzaakte beleggingsschade wenst te aanvaarden.6,7 Hoewel de Hoge Raad zich daar nog niet over heeft uitgelaten, vermoed ik dat hetzelfde heeft te gelden voor het leerstuk van het verlies van een kans als oplossing voor deze onzekerheid.8 Aan beide oplossingen is immers het door de Hoge Raad genoemde bezwaar verbonden dat ‘toepassing daarvan de mogelijkheid in zich draagt dat iemand aansprakelijk wordt gehouden voor een schade die hij niet (…) heeft veroorzaakt’ (curs. ACWP).9 Voor de volledigheid van de analyse zal ik hier niettemin de proportionele benadering als instrument om de bewijslast van de belegger te verlichten kort uitwerken, waarbij ik mij gemakshalve zal beperken tot het leerstuk van het verlies van een kans. Hierbij moet worden benadrukt dat ik hier louter het oog op de proportionele benadering als oplossing voor een onzeker causaal verband tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing. Ik heb het hier niet over de proportionele benadering als oplossing voor causaliteitsonzekerheid ten aanzien van één van de opvolgende schakels in het causaal verband. Over de laatstgenoemde onzekerheid kom ik in het vervolg van dit hoofdstuk nog te spreken.
Uitgaande van de situatie waarin de vennootschap een misleidende voorstelling van zaken heeft gegeven en waarin de beleggers die in het tijdvak van de misleiding aandelen hebben gekocht de vennootschap aansprakelijk willen stellen voor de door hen geleden koersschade, maar waarin het causaliteitsbewijs voor hen problematisch is, ziet een proportionele oplossing via het leerstuk van kansschade er als volgt uit.10 De belegger die niet (met een voldoende mate van zekerheid) kan bewijzen dat hij op de misleidende informatie is afgegaan (of bij een omissie: op de litigieuze informatie zou zijn afgegaan) en zijn beleggingsbeslissing door de misleiding is beïnvloed, zou zich op het standpunt kunnen stellen dat de vennootschap door het achterhouden van de werkelijke toestand van de vennootschap hem de kans heeft ontnomen een beleggingsbeslissing te nemen op basis van een niet-misleidende voorstelling van zaken.11 Deze belegger zou met andere woorden kunnen stellen dat zijn wil om het litigieuze aandeel (tegen een bepaalde koers) te kopen niet op zuivere wijze is gevormd, waardoor sprake is van het verlies van een kans die op geld waardeerbaar is.12 Dit kansverlies staat in causaal verband met de misleiding en komt daarmee in de vorm van kansschade voor vergoeding in aanmerking.13 De omvang van deze kansschade kan vervolgens worden berekend door (i) de feitelijk door de belegger geleden koersschade te vermenigvuldigen met (ii) de grootte van de kans dat zijn beleggingsbeslissing daadwerkelijk door de misleiding is beïnvloed.14 Ook dit begrotingsvraagstuk kan uiteraard soms problematisch zijn, maar dit probleem is van een andere orde dan het probleem van het eerdergenoemde causaliteitsbewijs. Wanneer namelijk eenmaal is vastgesteld dat de belegger rechtens relevante schade – in dit geval kansschade – heeft geleden, heeft de rechter op grond van art. 6:97 BW de vrijheid de omvang van deze schade te schatten indien een nauwkeurige vaststelling niet mogelijk is.15
De kans dat de belegger op de misleidende informatie is afgegaan en zijn beleggingsbeslissing hierdoor daadwerkelijk is beïnvloed (stap ii), laat zich moeilijk objectief en wetenschappelijk vaststellen.16 Deze kans zal daarom door de rechter moeten worden geschat aan de hand van het beleggingsgedrag en/of -profiel van de belegger.17 Grosso modo zou men kunnen zeggen dat wanneer het om een passieve particuliere belegger gaat, de kans relatief klein zal zijn, en wanneer het om een actieve professionele belegger gaat, de kans (relatief gezien) iets groter zal zijn.18 Voor professionele beleggers is immers eerder dan voor particuliere beleggers aannemelijk dat zij publiek beschikbare informatie tot zich nemen en analyseren en vervolgens op basis daarvan beleggingsbeslissingen nemen. Een soortgelijke stelregel zou men kunnen hanteren voor actieve ten opzichte van passieve beleggers. Verder geldt specifiek voor het scenario waarin de belegger zich op het standpunt stelt dat hij bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel in het geheel niet zou hebben gekocht, dat de kans dat zijn beleggingsbeslissing daadwerkelijk door de misleiding is beïnvloed ook nog afhankelijk is van de samenstelling van zijn bestaande beleggingsportefeuille, en van de in dat verband door de belegger aangehangen risico-/rendementvoorkeur (dit laatste ongeacht of het om een passieve particuliere belegger gaat, dan wel een actieve professionele belegger). Dit hangt samen met het feit dat het litigieuze aandeel in de hypothetische situatie zonder misleiding tegen een gunstigere prijs zou zijn verhandeld, en het in die hypothetische situatie derhalve een ‘normaal’ aandeel zou zijn geweest met een marktconform risico/rendementprofiel (daar mag men althans van uitgaan).19 Of de belegger bij afwezigheid van de misleiding daadwerkelijk van aankoop van het litigieuze aandeel zou hebben afgezien, moet dus mede in het licht worden bezien van de mate waarin het aandeel in deze hypothetische situatie – gegeven de door de belegger nagestreefde risico-/rendementverhouding – in zijn bestaande beleggingsportefeuille zou hebben gepast, en de mate waarin hij al dan niet gediversificeerd wilde zijn.20 Het moge duidelijk zijn dat het in de regel niet mogelijk zal zijn om de grootte van de kans dat de beleggingsbeslissing door de misleiding is beïnvloed, met een natuurwetenschappelijke mate van zekerheid en nauwkeurigheid vast te stellen. Dit geldt ongeacht de wijze waarop de belegger zijn vordering tot schadevergoeding inkleedt.21 De bevoegdheid van de rechter ex art. 6:97 BW om de omvang van de kansschade te schatten (en daarmee de grootte van de kans), komt hier dus goed van pas.
Wat de omvang van de feitelijk geleden koersschade betreft (de eerdergenoemde stap i), geldt dat hiervoor in beginsel kan worden aangeknoopt bij de door de belegger gestelde hypothetische gang van zaken.22 Kan de belegger bijvoorbeeld aannemelijk maken dat – gesteld dat hij bij afwezigheid van de misleiding inderdaad van aankoop van het litigieuze aandeel zou hebben afgezien (dit laatste is in het hier besproken scenario zoals ik al opmerkte onzeker) – hij in dat geval zijn geld zou hebben belegd in een alternatief beleggingsobject dat over het tijdvak van de misleiding (absoluut gezien) € 10 beter zou hebben gerendeerd dan het litigieuze aandeel, dan kan de feitelijk geleden schade in beginsel worden vastgesteld op een bedrag van € 10.23 Uiteraard zal het in de praktijk meestal zo zijn dat in het processuele debat ook onzekerheid bestaat over de vraag welke alternatieve beleggingsbeslissing de belegger in de hypothetische situatie zonder misleiding precies zou hebben genomen. Van deze onzekerheid wordt hier echter vooralsnog geabstraheerd.24 Deze onzekerheid heeft immers geen betrekking op het causaal verband tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing, maar betreft een verder gelegen schakel in de keten der causale gebeurtenissen, namelijk die tussen de beleggingsbeslissing en de door de belegger gestelde koersschade.
Nemen wij nu bij wijze van voorbeeld aan dat de kans dat de beleggingsbeslissing van de belegger daadwerkelijk door de misleiding is beïnvloed in het concrete geval kan worden begroot op 60%, dan bedraagt bij de zojuist veronderstelde hypothetische gang van zaken de kansschade die rechtens voor vergoeding in aanmerking komt in beginsel (60% * 10 =) € 6. Ik zeg echter bewust ‘in beginsel’, want een eventuele (verdere) vermindering van de schadevergoeding op grond van titel 6.1.10 BW blijft uiteraard onverminderd mogelijk.25,26 Zo zou de gedaagde onder meer nog het verweer kunnen voeren dat de door de belegger gestelde koersschade niet direct en/of volledig door de misleiding is veroorzaakt, maar – in plaats daarvan – geheel of gedeeltelijk is veroorzaakt door aan de misleiding externe factoren (zoals macro-economische, sectorgerelateerde en/of (met de misleiding geen verband houdende) bedrijfsspecifieke factoren), zodat de koersschade hem niet (volledig) op de voet van art. 6:98 BW kan worden toegerekend. Kan de gedaagde bijvoorbeeld aannemelijk maken dat de misleidende informatie de koers slechts met een bedrag van € 2 kunstmatig omhoog heeft gestuwd, dan betekent dit dat van het eerdergenoemde schadebedrag van € 10 een bedrag van (10 – 2 =) € 8 is terug te voeren op externe factoren. Uitgaande van de in hoofdstuk 5 verdedigde regel dat de rechtens toerekenbare schade wordt gemaximeerd op het bedrag van de door de misleiding veroorzaakte koersinflatie, bedraagt de kansschade die aan de gedaagde kan worden toegerekend in dit geval dus (60% * 2 =) € 1,20.