Sleutels voor personenvennootschapsrecht
Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.2.5.4:2.2.5.4 Vennootschapsaandeel en verpandbaarheid
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.2.5.4
2.2.5.4 Vennootschapsaandeel en verpandbaarheid
Documentgegevens:
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS584569:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Blackett-Ord & Haren 2015, nr. 8.1 en 10.9.
Blackett-Ord & Haren 2015, nr. 8.1.
Blackett-Ord & Haren 2015, nr. 10.1.
Blackett-Ord & Haren 2015, nr. 10.3 en 10.17.
Blackett-Ord & Haren 2015, nr. 10.6; Morse 2015, nr. 6.05, 6.09 en 6.11.
Zie 2.5.7.1.
Blackett-Ord & Haren 2015, nr. 10.4 en 10.10; Morse 2015, nr. 6.10.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Volgens de Engelse leer kent de deelneming (interest) van een vennoot in de partnership in beginsel vier componenten: (1) een recht op winstdeling, (2) een recht om deel te nemen in het bestuur en het gebruik van de vennootsschapsgoederen voor zover de vennootschapsovereenkomst dat toestaat, (3) een recht jegens de medevennoten op nakoming van de vennootschapsovereenkomst en een lien om die nakoming af te dwingen, en (4) een eigendomsrecht op een aandeel in het liquidatiesaldo. Deze rechten laten zich in het algemeen niet van elkaar of van de vennootschappelijke verplichtingen scheiden. Samen worden deze rechten wel aangeduid als vennootschapsaandeel (partnership share). Gedurende het bestaan van de vennootschap wordt het vennootschapaandeel in hoofdzaak gevormd door een recht op een onbepaalde en fluctuerende som.1 Alleen in deze beperkte zin is de vennoot ‘eigenaar’ van het vennootschapsvermogen. Een vennoot kan zichzelf geen (mede)eigenaar van de afzonderlijke tot het vennootschapsvermogen behorende goederen noemen,2 maar is wel rechthebbende op zijn vennootschapsaandeel als geheel. Dat is his own property.3 Treedt een vennoot uit, dan kan de juridische eigendom van gezamenlijk gehouden goederen op de overblijvende vennoten overgaan, maar de aanspraak die in het vennootschapsaandeel besloten ligt niet. Als een vennoot overlijdt, dan gaat het vennootschapsaandeel over op de erfgenamen, niet op de overblijvende vennoten. Dit betekent niet dat een erfgenaam vennoot wordt. In beginsel wordt hij dat juist niet, waardoor het vennootschapsaandeel in feite wordt ‘uitgekleed’ tot een economisch eigendomsrecht in het vennootschapsvermogen als geheel.4 Door de hierboven onder (3) bedoelde lien over het vennootschapsvermogen heeft dit economisch eigendomsrecht het karakter van (een aandeel in) een beneficial interest in de zin van het trustrecht,5 dat verderop wordt besproken.6
Tenzij de vennootschapsovereenkomst anders bepaalt, mag een vennoot zijn vennootschapsaandeel overdragen of bezwaren, ook na ontbinding. Een bepaling in de vennootschapsovereenkomst dat een vennoot zijn aandeel niet kan overdragen, is niet een verplichting om zich van overdracht te onthouden, maar beperkt de rechten van de verkrijger. Zonder instemming van de medevennoten wordt de verkrijger geen vennoot. De persoonlijke rechten van een vennoot zijn niet vatbaar voor overdracht, maar de overdracht van een vennootschapsaandeel maakt de vervreemder (die vennoot blijft) tot trustee van de verkrijger. Als uitgangspunt geldt dat de vervreemder gehouden is zijn bevoegdheden in de vennootschap uit te oefenen overeenkomstig de instructies van de verkrijger. Voor beschikking over een aandeel in een vennootschap die eigenaar is van onroerend goed, is een schriftelijke overeenkomst vereist.7