Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/10.4.4.3
10.4.4.3 Het specialiteitsbeginsel in combinatie met het registerpandrecht
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS415989:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie: §8.3.8.2.
Daarnaast zou de wetgever kunnen kiezen voor transaction filing, dat wil zeggen dat de akte waarbij het zekerheidsrecht wordt gevestigd, in haar totaliteit wordt aangeboden aan het register. Zie voor het onderscheid: G. McCormack, ‘Notice filing versus transaction filing – a comparison of the English and U.S. Law of Security Interest’, Insolvency L.J. 2002, 5 (AUG), p. 166-174. H.J. Snijders heeft – net na het Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.-arrest – voor een latere schuldeiser met een stil pandrecht of beslaglegger de mogelijkheid bepleit om inzicht te krijgen in de computerlijsten om vast te stellen of een bepaalde vordering reeds eerder was verpand. Zie: Snijders 1994, p. 787.
Het ontbreken van bescherming van latere schuldeisers die goederenrechtelijke zekerheid willen tegen generale zekerheid is opvallend, vooral gelet op het feit dat de ingrijpende herziening van de zekerheidsrechten in de 19e eeuw was gebaseerd op de bescherming van dergelijke schuldeisers. Het specialiteitsbeginsel moest oververzekering voorkomen en ondersteunde publiciteit in die zin dat een latere schuldeiser moest kunnen vaststellen of een goed onbezwaard was. Latere schuldeisers konden voor onroerende zaken het register inzien. Bij roerende zaken wisten zij dat een roerende zaak onbezwaard was als zij deze bij de schuldenaar aantroffen. Hierdoor behield de schuldenaar de mogelijkheid om ten behoeve van latere schuldeisers een eersterangs pandrecht te vestigen in ruil voor gunstiger krediet.
De erkenning van de zekerheidsoverdracht met levering constituto possessorio had tot gevolg dat een latere vuistpandhouder kon worden geconfronteerd met een eerdere zekerheidsoverdracht. Hij kon er dus niet meer op vertrouwen dat een schuldeiser met een eerder gevestigd stil zekerheidsrecht hem niet kon aanspreken. De vertrouwensbescherming van de vuistpandhouder heeft de rol van het specialiteitsbeginsel niet geheel overgenomen.1 De vuistpandhouder werd niet beschermd, indien hij het zekerheidsrecht kende of behoorde te kennen. Zelfs indien hij een eerdere zekerheidsoverdracht vermoedde, was hij te goeder trouw indien hij er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat de zekerheidseigenaar het zekerheidsrecht niet zou uitoefenen. Een verkrijger om baat mocht dit snel, maar een vuistpandhouder niet.
De wetgever kan er voor kiezen om het specialiteitsbeginsel toe te passen op het registerpandrecht. Dit betekent dat partijen elke afzonderlijke zaak moeten aanduiden in de ingeschreven informatie.2 Het specialiteitsbeginsel zou oververzekering kunnen voorkomen, indien een schuldeiser in bepaalde niet-courante goederen voldoende onderpand ziet. Hierdoor blijven de overige goederen onbezwaard en kan de schuldenaar ze aan latere schuldeisers tot zekerheid verbinden. De kans is echter groot dat een schuldeiser niet snel meent genoeg onderpand te hebben en bedingt dat de schuldenaar periodiek inventarislijsten registreert. Het specialiteitsbeginsel staat hieraan niet in de weg.