Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/1.2.2
1.2.2 Opkomst van het ‘burgerperspectief’
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661235:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Illustratief voor de beperkte aandacht voor ‘de burger’ in het (algemene) bestuursrecht zijn anekdotes van Scheltema 2020a, die het vroegere bestuursrecht memoreert waarin de positie van de burger ‘nog marginaal’ was. Uit zijn tijd als wetgevingsambtenaar bij het (toenmalig) Ministerie van Justitie memoreert hij dat het perspectief van burgers eenvoudigweg nauwelijks op de agenda stond. Scheltema 2019a, par. 1: ‘Wat hadden wij voor beeld voor ogen van die burgers? Als ik aan die tijd terugdenk, dan herinner ik mij dat niet als een belangrijke vraag. Goede wetgeving was de wetgeving die paste in het systeem van het recht, die goed hanteerbaar was voor rechters en advocaten, en dus goed werd ontvangen in de wereld van de juristen. (…) De burger, ja die burger. Als je had doorgevraagd wat voor beeld we daarvan hadden, dan zou het antwoord vaag en onduidelijk zijn geweest.’
Zie paragraaf 2.2.4.
Zie bijv. uitgebreid in themanummer NTB 2021/59 t/m 101.
WRR 2017.
Zie voor een bestuursrechtelijke verschuiving naar ‘het burgerperspectief’ in ABRvS 29 mei 2019, nr. 201802496/1/A1, AB 2019/302 en bijbehorende conclusie van Staatsraad A-G Wattel van 20 maart 2019. Zie ook Stevens 2018, par. 2.2.
Zie voor een beschrijving van ontwikkelingen in Scheltema 2018; Meijerman 2021a.
Zie Adviescommissie praktische rechtsbescherming in belastingzaken 2021, p. 110.
Zie een overzicht in Baron & Poelmann 2021b.
Zie de brief van Staatssecretaris Vijlbrief van Financiën van 20 februari 2020, kenmerk 2020-0000027577, V-N 2020-12.3, waarin hij aangeeft dat de ‘doenvermogentoets’ onderdeel wordt van fiscale wet- en regelgeving vanaf het Pakket Belastingplan 2021. Eerder zie het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State bij het Belastingplan 2019, Kamerstukken II 2018/2019, 35026, nr. 4, p. 2, 7 en 13, waarin de RvS de aandacht vestigt op het ‘burgerperspectief’. Zie ook het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 tot invoering van schrijnende gevallen (Wet delegatiebepalingen tegemoetkoming schrijnende gevallen), ingediend op 21 september 2021 (35930).
Zie het artikel ‘Vermorzeld in de raderen van de Belastingdienst’ in Volkskrant 20 augustus 2021 en de brief van staatssecretaris van Financiën Vijlbrief met reactie van 28 september 2021, kenmerk 2021-0000193425.
Zie Douma 2021 met een beschrijving van de problematiek in Toeslagenaffaire.
Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag 2020.
Scheltema 2021, p. 811. Zie ook het artikel ‘Rechters oordelen hard over zichzelf in toeslagenaffaire: ‘We hebben burgers niet beschermd’ in AD 8 oktober 2021 (https://www.ad.nl/binnenland/rechters-oordelen-hard-over-zichzelf-in-toeslagenaffaire-we-hebben-burgers-niet-beschermd) en ‘Rechters zaten fout in toeslagenaffaire: 'Steevast kant Belastingdienst gekozen’ in AD 8 oktober 2021.
Bijv. Gunn 2021; Poelman 2021; De Haan 2020; Brenninkmeijer 2021, p. 13.
Werkgroep reflectie toeslagenaffaire rechtbanken 2021.
Zie o.a. Van Ettekoven 2021; Reflectierapport van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2021; en Scheltema 2021, p. 814. Zie ook de conclusie van A-G Niessen van 15 mei 2020 bij HR 26 juni 2020, nr. 19/03705, BNB 2020/133, punt 3.61, waarin de A-G ervoor pleit om ‘het belang van het reële burgerperspectief’ te onderschrijven, onder verwijzing naar de grondslagen van de Awb, de stellingname en de regering en de Raad van State (zie punt 3.32 en 3.44).
Zie paragraaf 2.2.4; Meijerman 2021a.
Naar aanleiding van de conclusie van Staatsraad A-G’s Widdershoven en Wattel van 7 juli 2021, nrs. 202006932/3/A3, 202002668/2/A3 en 202000475/2/A3. Zie ook Van Roij 2021; Pechler 2021; Baron & Poelmann 2021a; Baron & Poelmann 2021c; Baron & Poelman 2021d; Van den Broek 2021.
Zie paragraaf 4.7, 7.5.2, 7.6.2.l.
In de tweede plaats dwingt een relatief recente ontwikkeling tot herijking van de huidige koers: de opkomst van het ‘burgerperspectief’ in het juridisch discours. Deze ontwikkeling is bij uitstek relevant voor dit onderzoek, aangezien het hier gaat om voorlichting aan burgers (paragraaf 1.5).
Bij aanvang van het onderzoek was ‘het burgerperspectief’ in het juridisch discours praktisch geen thema.1 De afgelopen jaren is dat sterk veranderd. Er een opvallende toename in de wetenschappelijke, politieke en maatschappelijke aandacht voor de positie van ‘de burger’ in het recht.2 Met ‘de burger’ wordt doorgaans gedoeld op een gemiddelde, niet (juridisch) deskundig persoon (paragraaf 1.7.2). De aanleiding voor de aandacht voor het burgerperspectief is, enigszins paradoxaal, ingegeven door gevallen waarin de burger in het recht volstrekt buiten beeld bleek te zijn geraakt. Katalysatoren in dit verband zijn met name de Toeslagaffaire3 en het WRR-rapport ‘Weten is nog geen doen’ uit 20174, die elk op een eigen manier hebben geleid tot de urgente oproep dat de burger serieus moet worden genomen in het recht.5 Inmiddels herijken diverse rechtsstatelijke instituties – de wetgever, de rechtspraak, uitvoeringsinstanties – de wijze waarop zij rekening houden met het belang van burgers, al dan niet aangezwengeld door politieke aandacht.6
De aandacht voor het perspectief van de burger is ook te zien in het belastingrecht (paragraaf 2.2.4). Onlangs concludeerde de Adviescommissie praktische rechtsbescherming in belastingzaken dat het huidige niveau van de praktische rechtsbescherming voor de burger in belastingzaken in het licht van de kernbeginselen van de rechtsstaat tekortschiet.7 Bovendien laat een reeks recente moties in de Tweede Kamer zien dat de politieke tendens is dat (ook) in het belastingrecht beter rekening moet worden gehouden met de belangen van de burger.8 Op wetgevingsniveau is het perspectief van de burger inmiddels geïncorporeerd in de zogeheten ‘doenvermogentoets’ bij belastingwetten, die tot uitdrukking moet brengen dat de wetgever in ogenschouw houdt of wetten voor burgers ‘doenlijk’ zijn.9
Bovendien kleurt de Kinderopvangtoeslagaffaire de tijdgeest. In deze toeslagenaffaire zijn burgers vanwege strenge navorderingen van toeslagen ‘vermorzeld’10 geraakt door het rechtssysteem en de Belastingdienst, terwijl het recht er juist is om burgers tegen overheidsoptreden te beschermen.11 Niettegenstaande het feit dat de Kinderopvangtoeslagaffaire ‘ongekend onrecht’12 betreft en in allerlei opzichten van een volstrekt andere aard is dan het thema in dit onderzoek, is de waarschuwing helder. Negeren van het perspectief van de burger in het recht kan ertoe leiden dat de burger door het recht niet wordt beschermd, maar juist bedreigd.13 Het perspectief van de burger verdient dan ook serieuze aandacht.14 De Toeslagenaffaire heeft geleid tot openbare reflecties van de algemene bestuursrechters op hun eigen handelen.15 De bestuursrechtspraak wil de belangen van de burger beter in acht nemen en onderzoekt op welke wijze rechtsbescherming doeltreffend kan worden geboden.16 Hoewel de Toeslagenaffaire geen belastingwetgeving betreft, strekt de onderliggende boodschap zich evengoed uit tot het belastingrecht. De rechtsbescherming voor burgers is niet voldoende gewaarborgd met enkel het bestaan van toegang tot de (belasting)rechter. Dergelijke ontwikkelingen leiden er tevens toe dat diverse actoren in het belastingrecht hun rol in het bieden van rechtsbescherming aan belastingplichtigen tegen het licht houden, van wetgever tot rechter.17 Concreet voorbeeld van een ontwikkeling in dit kader is de aandacht in de fiscale literatuur18 voor toepassing van het evenredigheidsbeginsel.19
Bovengenoemde ontwikkelingen roepen de vraag op hoe de huidige koers – waarin de burger als hoofdregel het risico draagt van onjuiste voorlichting – zich verhoudt tot het perspectief van de burger. Houdt het belastingrecht wel voldoende rekening met zijn belang? De relevantie van die vraag geldt eens te meer na de recente herijking door de Hoge Raad van zijn rechtspraak in het arrest in BNB 2022/10. Hoewel de Hoge Raad in dit arrest na 42 jaar vaste rechtspraak aanleiding zag tot herijking vanwege ‘huidige rechtsopvattingen’, heeft dit enkel geresulteerd in een aanpassing in een deelaspect (‘dispositievereiste’; kort gezegd: de eis dat de belastingplichtige heeft voortgebouwd op de informatie en daardoor nadeel ondervindt, zie paragraaf 4.3.4). Het arrest heeft echter geen wezenlijke verandering in de koers als zodanig gebracht.