Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/1.2.3
1.2.3 Stand van het fiscale wetenschappelijke debat
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661337:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Zie BNB 1979/311; BNB 1988/148; HR 3 januari 1990, nr. 26 325, BNB 1990/148 en zie verder in paragraaf 4.3.2.
Scheltens in BNB 1979/311 en BNB 1990/148; Scheltens 1988.
Den Boer in BNB 1988/148.
Geppaart 1984, p. 487, 491-492.
A-G Van Soest in zijn conclusie bij BNB 1988/148, punt 9.13.
Happé 1996, par. 2.3 en 2.4. Begin jaren 90 was er (opnieuw) enige belangstelling voor de juridische status van voorlichting vanwege de eerste uitspraken over het aan de toelichting bij het aangiftebiljet te ontlenen vertrouwen, zie hierover Overdijk 1993, p. 60.
Zie paragraaf 4.3.2.4. Bijv. Poelmann, in: Cursus Belastingrecht FBR.4.3.3.0 (bijgewerkt tot 12 december 2021); NDFR deel Formeel belastingrecht, Vertrouwensbeginsel, par. 3.1.2; Happé 1996, par. 2.3 en 2.4; Gorissen 2008, par. 2.9.5-2.9.6; Jansen 2013, par. 3.3.1.2.2-3.3.1.2.3; Geppaart 1984, p. 487, 492. Instemmend op terughoudende koers is bijv. Zie Kistenkas 1993b, par. 3.
Bijv. Albert in BNB 2010/314, punt 1; Spek in BNB 2021/76.
Zie paragraaf 4.3.2.4.
Bijv. Van der Vegt in NTFR 2021/3783: ‘Het past naar mijn mening in het rechtvaardigheidsgevoel dat een burger die te goeder trouw op die informatie afgaat, wordt beschermd.’; Nent in NLF 2021/2162: ‘Een prachtig arrest, dat naar mijn mening recht doet aan het leed dat een belastingplichtige soms treft wanneer hij op basis van een onjuiste inlichting op de website een handeling verricht of nalaat.’ Zie ook IJzerman in FED 2022/11; Bergman in Belastingblad 2022/17; de redactie in V-N 2021/48.13; de redactie in FutD 2021-3395; Leenders en Braakman 2021; mijn commentaar in BNB 2022/10.
Kritisch is bijvoorbeeld Schlössels 2011, par. 2.5.2; Schlössels, e.a. 2019, 2019/1021; Van de Sande 2019, p. 251. Zie verder paragraaf 4.3.2.6.
Bijv. Damen 2018; Scheltema 2019a, par. 9; Van Triet 2021. Zie ook de bestuursrechtelijke uitspraak Rechtbank Oost-Brabant van 17 december 2021, nr. 20/1357, V-N 2022/8.22.29, AB 2022/59, waarin belanghebbende zich met succes beroept op informatie op de website van Belastingdienst/Toeslagen.
In de derde plaats vormt de stand van het fiscale wetenschappelijke debat ten aanzien van de huidige koers van de Hoge Raad aanleiding deze aan een nader onderzoek te onderwerpen. Er is opvallend weinig discussie over de toepassing van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting. Met name bij de totstandkoming van de ‘voorlichtingsjurisprudentie’1 tussen eind jaren 70 en begin jaren 90 werd de rechtspraak kritisch tegen het licht gehouden, bijvoorbeeld in commentaren en bijdragen van Scheltens,2 Den Boer,3 Geppaart,4 Van Soest5 en later in de dissertatie van Happé.6 Kort samengevat: over het algemeen had men begrip voor de koers om de Belastingdienst in beginsel niet aan zijn voorlichting te binden. Echter, er bestond wel enige kritiek op (i) het door de Hoge Raad geformuleerde dispositievereiste (paragraaf 4.3.4) en (ii) de moeizame afbakening tussen enerzijds (bindende) toezeggingen en anderzijds (niet-bindende) inlichtingen (paragraaf 4.6.1).
In bijvoorbeeld handboeken en overzichtswerken wordt in veel gevallen volstaan met de weergave van de huidige koers in de rechtspraak.7 Hetzelfde beeld geven commentaren bij de rechtspraak, waarin wordt verwezen naar de vaste lijn in de jurisprudentie.8 In het algemeen lijkt men begrip te hebben voor de door de Hoge Raad gemaakte afweging met het oog op het belang van de onbelemmerde uitvoering van de voorlichtende taak, hoewel de uitwerking van de koers in concrete zaken soms onbevredigend wordt geacht.9
Opvallend is dat het recente arrest in BNB 2022/10, waarin de Hoge Raad de mogelijkheid voor een belastingplichtige om zich met succes te beroepen op het vertrouwensbeginsel bij voorlichting op het punt van het dispositievereiste heeft verruimd, in de fiscale literatuur unaniem positief is ontvangen.10 Dit onderstreept eens te meer dat de toepassingswijze van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting kritisch tegen het licht moet worden gehouden.
Verder is opvallend dat buiten de fiscale literatuur kanttekeningen worden geplaatst bij de strenge koers van de Hoge Raad, evenals de daarvoor gegeven argumentatie. Die wordt niet overtuigend geacht.11 Bovendien zijn er signalen uit het algemene bestuursrecht over gebrekkige rechtsbescherming bij voorlichtende uitingen door de overheid. Zo wordt in publicaties van Damen, Scheltema en Van Triet de beperkte toepassing van het vertrouwensbeginsel bij algemene informatie van de overheid bekritiseerd.12 Een en ander roept de vraag op of de door de Hoge Raad gegeven argumenten nog voldoende overtuigen.