Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/6.5.3.1
III.6.5.3.1 Inleidend
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625542:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ook wel fideï-commissaire making of making over de hand genoemd.
Zie over de tweetrapsmaking/ het fideï-commis ook Verstappen, Handboek Erfrecht 2011, p. 266 e.v. en p. 281 e.v; Asser/Perrick 2013 (4), nr. 223 e.v.; Brinkman 2014.
Zie voor deze uitzonderingen Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, nr. 250 e.v.; Klaassen/Luijten & Meijer 2008 (II), nr. 297-298; Verstappen, Handboek Erfrecht 2011, p. 277 e.v.; Asser/Perrick 2013 (4), nr. 224 e.v.
Zie ook Breemhaar 1992, nr. 127.
Kamerstukken II 1962/63, 3771, 6, p. 35 (MvA II), Parl. Gesch. Vast. p. 323.
Art. 3:213 lid 1 BW bepaalt dat hetgeen in de plaats van aan vruchtgebruik onderworpen goederen treedt doordat daarover bevoegdelijk wordt beschikt, aan de hoofdgerechtigde toebehoort en eveneens is onderworpen aan het vruchtgebruik. Zie over zaaksvervanging en de tweetrapsmaking ook Spath 2010, p. 78-86.
Een bijzondere en veelvoorkomende vorm van voorwaardelijke makingen, is de zogenoemde tweetrapsmaking (art. 4:141 BW).1 De tweetrapsmaking kenmerkt zich door de volgende elementen:
Een uitdrukkelijke benoeming van een erfgenaam of legataris onder ontbindende voorwaarde. Ook wel de ‘bezwaarde’ genoemd.
Een uitdrukkelijke benoeming van een erfgenaam of legataris onder opschortende voorwaarde. Ook wel de ‘verwachter’ genoemd.
Een overlevingselement.
De tweetrapsmaking betreft anders gezegd een making onder een ontbindende voorwaarde en een daarbij aansluitende making onder opschortende voorwaarde, volgens welke het vermaakte of het onverteerde deel daarvan op het tijdstip van overlijden van de bezwaarde of op een eerder tijdstip zal ten deel vallen aan de verwachter, indien deze het aangewezen tijdstip overleeft (vgl. art. 4:141 BW).2 De tweetrapsmaking verschilt van de andere voorwaardelijke makingen in drie opzichten:
Art. 4:140 BW geldt niet voor de tweetrapsmaking (art. 4:141 BW). Art. 4:140 BW bepaalt dat indien een voorwaarde binnen dertig jaren na het overlijden van de erflater nog niet is vervuld, de beschikking vervalt wanneer het een opschortende voorwaarde is en de voorwaarde vervalt wanneer het een ontbindende voorwaarde is.
Voor de tweetrapsmaking gelden de in art. 4:56 leden 2-4 BW genoemde uitzonderingen op de bestaanseis. Deze uitzonderingen maken het mogelijk om op het moment van erflaters overlijden nog ongeboren bloedverwanten als verwachter te roepen.3 In dit kader wil ik ook wijzen op mijn opmerkingen in paragraaf 5.2.2.2 met betrekking tot de bestaanseis en daarbij aansluitende eis van onmiddellijke identificeerbaarheid. Mijns inziens brengen de uitzonderingen op de bestaanseis van art. 4:56 leden 2-4 BW met zich dat voor deze uitzonderingen ook de eis van onmiddellijke identificeerbaarheid uitzondering kan lijden.4 Met betrekking tot de vraag of dit ook ruimte biedt voor inhoudelijke wilsdelegatie ten aanzien van deze uitzonderingen, kunnen twee opvattingen worden verdedigd. Ik verwijs voor deze opvattingen naar paragraaf 5.2.2.2. Art. 4:56 leden 2-4 BW hebben overigens enkel betrekking op één overgang ofwel op één ‘trap’. Een erflater die een drietraps- of viertrapsmaking instelt, kan voor deze derde of vierde overgang dus niet terugvallen op de uitzonderingen van art. 4:56 leden 2-4 BW.5
Er geldt voor de tweetrapsmaking als bedoeld in art. 4:141 BW een speciale behandeling in de SW 1956 en Wet IB 2001. Ik verwijs hiervoor naar art. 21 lid 2 en 4 SW 1956 en art. 5.4 lid 7 Wet IB 2001.
Erflater kan met betrekking tot de tweetrapsmaking in zijn uiterste wil een bijzondere bevoegdheid aan de bezwaarde toekennen, namelijk de bevoegdheid om het aan hem vermaakte geheel of gedeeltelijk te vervreemden en te verteren (art. 4:138 lid 2 jo. 3:215 BW).6 Hetgeen door de bezwaarde is vervreemd en/of verteerd komt bij de vervulling van de voorwaarde niet aan de verwachter toe.7 De verwachter heeft alleen recht op het overschot.