De turboliquidatie van de Besloten Vennootschap
Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/9.3.2:9.3.2 Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:216 lid 3 BW in geval van turboliquidatie
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/9.3.2
9.3.2 Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:216 lid 3 BW in geval van turboliquidatie
Documentgegevens:
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS392225:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Doordat artikel 2:216 lid 3 BW recentelijk is ingevoerd, ontbreekt jurisprudentie over de bestuurdersaansprakelijkheid op grond van dit artikel in geval van een herleefde turbogeliquideerde BV. Omdat de aansprakelijkheid op grond van artikel 2:216 lid 3 BW, net als de aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW, van interne aard is en de vordering dus slechts door de BV zelf kan worden ingesteld, ben ik van oordeel dat een vordering ex artikel 2:216 lid 3 BW een bate oplevert op grond waarvan een turbogeliquideerde BV kan herleven. De vergoeding voortvloeiend uit deze aansprakelijkheidsgrond valt immers in het vermogen van de BV, dat vervolgens vereffend kan worden.
Artikel 2:216 lid 3 BW speelt dus – net zoals artikel 2:9 BW – een ‘dubbelrol’ en kan worden gezien als de oorzaak van de herleving, maar ook als het gevolg ervan. Na de herleving zal immers een aansprakelijkheidsstelling op grond van artikel 2:216 lid 3 BW kunnen plaatsvinden. Met andere woorden: de BV dient eerst te bestaan voordat kan worden overgegaan tot aansprakelijkheidstelling.
Zoals zal blijken uit de volgende paragraaf, is de bestuurder jegens een derde aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van die derde in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Hiervan zal in ieder geval sprake zijn wanneer de bestuurder wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat zijn handelwijze de niet-nakoming tot gevolg zou hebben en er ook geen verhaal zou volgen, waarmee de norm voor aansprakelijkheidsstelling op grond van artikel 2:216 lid 3 BW lijkt op de externe aansprakelijkheidsnorm van artikel 6:162 BW.