Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/7.4.2
7.4.2 Het negatief belang
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS508634:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Kortmann 2006, p. 153, spreekt van de schade als gevolg van de onjuistheid. Zie ook Kortmann 2018, p. 186 en p. 200. Vgl. voor onrechtmatige begunstigende besluiten HR 15 juni 1979, NJ 1980/261 m.nt. M. Scheltema, AB 1979/528 m.nt. J.R. Stellinga (Grubbenvorst/Caldenbroich), waarin de Hoge Raad voorop stelde ‘dat, wanneer een gemeente jegens de verkrijger van een bouwvergunning aansprakelijk is voor de gevolgen van het feit dat zij de vergunning heeft afgegeven zonder daarop de in het gegeven geval vereiste goedkeuring van GS te hebben verkregen, haar aansprakelijkheid jegens de vergunninghouder niet verder strekt dan tot vergoeding van de schade die deze heeft geleden tengevolge van het feit dat hij erop heeft vertrouwd dat de vergunning niet aan vernietiging blootstaat.’ Vgl. ook Scheltema 1975, p. 38.
De ‘afwezigheid van een onjuiste voorstelling van zaken’ is niet inwisselbaar voor ‘de aanwezigheid van een juiste voorstelling van zaken’, omdat het mogelijk is dat informatieverstrekking achterwege was gebleven (paragraaf 7.2.2.2). In dat geval ontstaat bij het wegdenken van de schadeoorzaak geen scenario waarin een juiste voorstelling van zaken zou hebben bestaan, tenzij de burger zelf de benodigde informatie zou hebben ingewonnen.
Vgl. het voorstel van Kortmann 2018, p. 189, voor een wettelijke bepaling die een recht op vergoeding toekent van schade die is geleden door degene die anders heeft gehandeld dan hij zou hebben gedaan zonder een door een bestuursorgaan tot hem gerichte concrete en ondubbelzinnige verklaring (zie hierover paragraaf 8.5). Vgl. ook artikel 4:50 lid 2 Awb. Bij intrekking of wijziging op bepaalde gronden van subsidieverlening is het bestuursorgaan gehouden tot vergoeding van de schade die de subsidieontvanger lijdt doordat hij in vertrouwen op de subsidie anders heeft gehandeld dan hij zonder subsidie zou hebben gedaan.
Zie bijvoorbeeld Rb. Noord-Nederland 9 januari 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:78, r.o. 4.2 (Uitrit tegenover woning).
Onder omstandigheden kunnen ook kosten die zijn gemaakt vóór aanvang van de vertrouwensperiode en derhalve vóór het plaatsvinden van de onrechtmatige daad als schade voor vergoeding in aanmerking komen, bijvoorbeeld indien het gaat om bepaalde soorten uitgaven die hun doel hebben gemist als gevolg van de onrechtmatige daad. Zie bijvoorbeeld HR 28 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6460, NJ 2008/55 m.nt. J. Hijma, r.o. 3.3.1 (Burger/Brouwer Motors of Dakar-rally) en HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1042, NJ 2010/579 m.nt. J. Hijma, r.o. 3.5-3.7 (Pollen/Linssen Yachts).
Vgl. de casus in HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2576 (Kantoorruimte Beuningen) en Hof Arnhem-Leeuwarden 19 mei 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3527 (Kantoorruimte Beuningen).
Zie Castermans 1992, p. 139-143, die dit illustreert aan de hand van Court of Appeal (Verenigd Koninkrijk) 28 september 1990, East v. Maurer [1990], 2 All ER 733. Vgl. in het kader van dwaling Jansen 2012a, p. 275.
Vgl. de casus in HR 22 september 1995, NJ 1997/418 (Kruijswijk/Blaricum), Rb. Rotterdam 21 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1727, r.o. 4.15 (Principebesluit Zwijndrecht) en Rb. Gelderland 10 februari 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:716, r.o. 4.32 (Principebesluit Brummen)
Zie over voordeelstoerekening in het algemeen HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:164, NJ 2017/146 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, r.o. 3.5 (Dexia/De Vries).
HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483, NJ 2017/262 m.nt. S.D. Lindenbergh & J.S. Kortmann, r.o. 4.4.2 (Tennet/ABB).
Uit het causale karakter van de vergelijking die moet worden gemaakt ter vaststelling van de (omvang van de) schade volgt dat alleen dispositieschade voor vergoeding in aanmerking komt (zie ook paragraaf 7.2.3.2). Het gaat om schade die is geleden onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken die in het leven is geroepen door de onjuiste informatieverstrekking,1 terwijl de burger bij afwezigheid van die voorstelling van zaken2 andere keuzen zou hebben gemaakt, en bij die keuzen geen schade was ontstaan.3 Het gaat om het negatief belang dat is ontstaan doordat ten onrechte onjuiste informatie is verstrekt, en niet om schade die is geleden doordat de overheid niet in overeenstemming met de inhoud van de informatie heeft gehandeld.4
Dit hangt mede hiermee samen dat de aansprakelijkheid van de overheid erop berust dat zij ten onrechte een gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt, en niet daarop dat zij ten onrechte een gerechtvaardigd vertrouwen heeft geschonden (zie paragraaf 4.7.5). Een onrechtmatige daad die erin bestaat dat de burger op het verkeerde been is gezet, kan naar haar aard slechts aanspraak geven op vergoeding van schade die is ontstaan doordat (rechts)handelingen zijn verricht of nagelaten in de veronderstelling dat wél juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven (zie paragraaf 6.4 en 6.7). Deze twee grondgedachten worden nader uitgewerkt in paragraaf 7.4.3.
De beperking tot dispositieschade brengt niet mee dat alleen geleden verlies (in de zin van artikel 6:96 lid 1 BW), bijvoorbeeld in de vorm van nodeloos, tevergeefs of tot een te hoog bedrag gemaakte kosten, voor vergoeding in aanmerking komt.5 Men neme bijvoorbeeld het geval van de winkelier die voornemens is om een bloemenwinkel te gaan exploiteren, maar daarvan afziet nadat hij van het college te horen heeft gekregen dat het exploiteren van een bloemenwinkel zich niet verdraagt met het vigerende bestemmingsplan. Er dient zich een scala van schadeposten aan indien later blijkt dat de exploitatie van de bloemisterij wel degelijk in overeenstemming was met het bestemmingsplan.
Wanneer de betreffende winkelier na dat moment alsnog overgaat tot de exploitatie van de winkel, dan heeft hij (vertragings)schade geleden doordat hij de exploitatie van die winkel niet meteen ter hand heeft kunnen nemen.6 Hieruit blijkt dat niet alleen geleden verlies maar ook gederfde winst als ‘negatief belang’ voor vergoeding in aanmerking kan komen.7
Van (extra) gederfde winst kan sprake zijn indien de winkelier na het eindigen van de vertrouwensperiode constateert dat de betreffende bloemenwinkel niet meer te huur is (en geen andere geschikte locaties beschikbaar zijn), zodat hij de betreffende winkel niet met vertraging maar in het geheel niet meer kan gaan exploiteren.
Indien de winkelier daarentegen geen aspirant-huurder is maar eigenaar van het pand van waaruit hij bloemen wilde verkopen, dan kan het zo zijn dat hij het pand voor een lager bedrag heeft verkocht gedurende de vertrouwensperiode, in de veronderstelling dat de gebruiksmogelijkheden beperkt waren, en hij daardoor verlies heeft geleden.8
Aardig is ten slotte het geval waarin de winkelier – als gevolg van de informatieverstrekking en gedurende de vertrouwensperiode – een ander pand heeft gekocht of gehuurd ten behoeve van de exploitatie van de bloemenwinkel op een andere locatie. Dit kan meebrengen dat niet het gehele negatieve belang voor vergoeding in aanmerking komt, voor zover dat samenhangt met de locatie die door de onjuiste informatieverstrekking buiten beeld is geraakt. Indien de desbetreffende bloemenwinkelier immers winst heeft gemaakt op een alternatieve locatie, en aannemelijk is dat hij deze alternatieve locatie niet zou hebben geëxploiteerd in de hypothetische situatie waarin geen onjuiste informatie was verstrekt, kan grond bestaan om deze winst in mindering te brengen op de schade. De winkelier heeft dan immers op de alternatieve locatie een winst kunnen genieten die hij niet zou hebben behaald wanneer de normschending (de onjuiste informatieverstrekking) niet zou hebben plaatsgevonden. Men kan dan zeggen dat de winkelier in zoverre geen schade heeft geleden, maar ook dat hij een voordeel heeft behaald dat op de schade in mindering moet worden gebracht (artikel 6:100 BW).9 Volgens de Hoge Raad is het maken van een keuze tussen de beide benaderingen in zoverre niet van belang, dat door de benadeelde in verband met de schadeveroorzakende gebeurtenis behaalde voordelen in beide benaderingen in de toe te kennen schadevergoeding moeten worden betrokken, maar slechts voor zover dat redelijk is.10