Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/7.1
7.1 Inleiding
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS465594:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ik versta onder de eerste fase de fase die wordt ingeleid met het indienen van een verzoek tot het instellen van een onderzoek (art. 2:345-347 BW) en die eindigt met de nederlegging ter griffie van het onderzoeksrapport (art. 2:353 lid 1 BW). Ik versta onder de tweede fase de fase die wordt ingeleid met het verzoek voor recht te verklaren dat van wanbeleid is gebleken en/of voorzieningen te treffen als bedoeld in art. 2:356 BW (zie art. 2:355 lid 1 BW) en die eindigt met de uitspraak van de OK op dit verzoek.
HR 8 april 2005,JOR 2005, 119 (Laurus, m.nt. Brink).
222. In dit proefschrift is onderzoek gedaan naar de rechtspleging door de Ondernemingskamer in enquêteprocedures. In de eerste plaats is aandacht besteed aan impasseprocedures waarin voorzieningen als bedoeld in art. 2:349a lid 2 BW respectievelijk art. 2:356 BW zijn getroffen. Deze impasseprocedures betreffen veelal kleine(re) vennootschappen met slechts enkele aandeelhouders tussen wie de verhoudingen ernstig zijn verstoord. In de tweede plaats is aandacht besteed aan enkele beschikkingen waarin de Ondernemingskamer tot wanbeleid heeft geconcludeerd en waarin zij in het kader van de behandeling van verzoeken tot het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2: 356 BW en/of tot kostenverhaal (art. 2:354 BW) heeft vastgesteld dat de bestuurder of commissaris op wie het verzoek betrekking heeft, verantwoordelijk is voor het wanbeleid c.q. onjuiste beleid.
Wat betreft de impasseprocedures is de vraag centraal gesteld of de enquêteprocedure gelet op haar aard, inrichting en de bevoegdheden van de Ondernemingskamer geschikt is om de impasses tussen de aandeelhouders te doorbreken. De aanleiding voor deze vraag, die ik voor de eerste fase en de tweede fase van de procedure1 afzonderlijk heb behandeld, is dat de enquêteregeling niet voor dit type geschilbeslechting is bedoeld, maar hiervoor niettemin veelvuldig wordt aangewend. De tweede vraag luidt op welke wijze en in welke mate beslissingen waarin de Ondernemingskamer in het kader van de behandeling van verzoeken tot het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2:356 BW en/of tot kostenverhaal (art. 2:354 BW) individuele verantwoordelijkheden voor het wanbeleid c.q. onjuiste beleid heeft vastgesteld, kunnen doorwerken in procedures op de voet van art. 2: 9 BW en art. 2:138(248) BW en in hoeverre de beschikking van de Hoge Raad inzake Laurus2 ertoe heeft geleid dat de (bewijsrechtelijke) positie van bestuurders en commissarissen in die procedures is verbeterd. De aanleiding voor deze vraag vormt het gegeven dat het in ons aansprakelijkheidsrecht bezwaarlijk wordt geacht dat de oordeelsvorming in aansprakelijkheidsprocedures (te zeer) wordt beïnvloed door beslissingen van de Ondernemingskamer aangaande het handelen van individuen, nu deze zijn gegeven in een verzoekschriftprocedure met één feitelijke instantie, terwijl de onderzoeksfase niet van bijzondere processuele waarborgen is voorzien. Ik vat in het navolgende de belangrijkste bevindingen samen.