Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.4.4.1:16.4.4.1 Uitkering van dividend
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.4.4.1
16.4.4.1 Uitkering van dividend
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS406910:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Molengraaff 1919, p. 238.
Zo werd door Hoge Raad in 1924 overwogen dat “op een tijdstip waarop het vermogen der vennootschap haar geplaatst kapitaal niet overtreft, aan dat kapitaal en dat vermogen niets mocht worden onttrokken”. (HR 5 december 1924, W. 11317, ontleend aan Polak 1935, p. 358).
Zie Groenewegen 1907, p. 30.
Van Slooten 1900, p. 22.
Sauer 1911, p 24.
Molengraaff 1919, p. 238.
Kist/Visser 1914, p. 472-743.
Art. 49 WvK 1838.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vanwege hun storting op aandelen hadden aandeelhouders recht op uitkering van dividend en in het geval van ontbinding van de vennootschap op hun aandeel in de baten na aftrek van de schulden. Volgens Molengraaff was ‘dividend’ het recht van aandeelhouders “op uitbetaling van een evenredig deel der na verloop van ieder jaar aanwezige, door de uitoefening van het bedrijf verkregen, winst of van dat deel dier winst, dat alsdan door of ingevolge de statuten tot uitdeeling aan de aandeelhouders wordt bestemd”.1 Ingevolge de tweede volzin van art. 49 WvK 1838 geschiedden “de uitdeelingen uit de inkomsten na aftrek van alle de uitgaven”. Een letterlijke interpretatie van de wettekst impliceerde dat uitkeringen aan aandeelhouders waren toegestaan voor zover over een bepaald boekjaar winst was behaald, ook indien de behaalde winst onvoldoende was om de in de voorgaande boekjaren geleden verliezen te delgen. Zo diende de bepaling echter niet te worden begrepen. Of er voor uitkering vatbare winst was, moest niet worden beoordeeld op basis van het afgelopen boekjaar, maar op basis van alle in het verleden geleden verliezen en gemaakte winsten. De totale balanspositie van de vennootschap was kortom doorslaggevend: voor zover het eigen vermogen van de vennootschap groter was dan het kapitaal, mocht worden gesproken van winst die voor uitkering in aanmerking kwam.2
Het begrip ‘winst’ werd in de wet niet gedefinieerd en daarom waren meerdere definities daarvan in omloop, die overigens inhoudelijk overeen kwamen.3 Van Slooten overwoog bijvoorbeeld dat van “winst nu blijkt, wanneer na aftrek van alles, wat men nog schuldig is, meer aan bezittingen overblijft dan het geld dat in de zaak gestoken is”.4 Sauer stelde dat “ten opzichte van winstverdeeling men […] vermogensvermeerdering dient te beschouwen in verband met het gestorte kapitaal van de vennootschap, of m.a.w. winst is het surplus van het vermogen boven het (gestort) kapitaal”.5 En zo meende Molengraaff dat “winst is wat er meer is dan het volle bedrag van het geplaatste kapitaal, van de opeischbare schulden en van hetgeen noodig is als waarborg voor de niet-opeischbare schulden, m.a.w. het bedrag, waarmede de baten (activa) (daaronder begrepen het nog te storten gedeelte van het geplaatste kapitaal) de lasten (passiva) (daaronder begrepen het geplaatste kapitaal) overtreffen (zgn. zuivere winst)”.6
Nu de wet geen bepalingen bevatte over de waardering van de activa, was het mogelijk dat de vennootschap aan de aandeelhouders uitkeringen deed terwijl winst afwezig was. Het WvK 1838 bepaalde niet wat de gevolgen waren van ongeoorloofde uitkeringen, maar in de literatuur werd algemeen aangenomen dat de verantwoordelijke bestuurders en aandeelhouders daarvoor aansprakelijk konden worden gehouden. De vraag of ook aandeelhouders die de uitkering te goeder trouw hadden ontvangen tot restitutie konden worden bewogen, werd over het algemeen ontkennend beantwoord.7
De wettelijke regeling bood tevens de mogelijkheid om overeen te komen dat niet meer dan een bepaald bedrag mocht worden uitgekeerd.8 De winst boven dit bedrag moest in de reservekas worden gestort om in geval van achteruitgang de vennootschap staande te houden. Het stond de aandeelhouders te allen tijde vrij om het reservefonds op te heffen zodat het aldus vrijgekomen vermogen alsnog voor uitkering in aanmerking kwam.