Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.5.2.1
VI.5.2.1 Toepassingsbeslissingen
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596291:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
CRM 23 oktober 2001, nr. 788/1997 (Cagas, Butin en Astillero/Filippijnen).
Aldus EHRM 17 november 2009, nrs. 2694/06 en 31610/08, dec., par. 3 (Ates/Turkije).
Zie onder vele EHRM 27 juni 1968, nr. 1936/63 (Neumeister/Oostenrijk); EHRM (GK) 3 oktober 2006, nr. 543/03, par. 41 (McKay/Verenigd Koninkrijk); EHRM 24 juli 2007, nr. 47043/99, par. 34 (Mehmet Yavuz/Turkije); EHRM (GK) 10 maart 2009, nr. 4378/02, NTM (NJCM-bull.) 2010, 413, m.nt. Van de Voort, par. 61 (Bykov/Rusland); EHRM 23 april 2013, nr. 52624/10, par. 57 (Hagyó/Hongarije); EHRM 19 april 2016, nr. 19865/05, par. 90 (Sergey Denisov/Rusland).
Bijv. EHRM 21 december 2000, nr. 33492/96, par. 83 (Jabłoński/Polen); EHRM 21 juni 2005, nr. 73270/01, par. 45 (Pihlak/Estland); EHRM (GK) 22 mei 2012, nr. 5826/03, par. 140 (Idalov/Rusland); EHRM 21 juni 2016, nr. 42526/07, par. 110 (G./Rusland).
Zie de rapportage aan de Algemene Vergadering van de concluding observations over Uruguay en de concluding observations over Argentinië: VN Doc. A/53/40 (1998), par. 242 en VN Doc. CCPR/CO/70/ARG, 1 november 2000.
Onder meer EHRM 26 januari 1993, nr. 14379/88, par. 30 (W./Zwitserland); EHRM (GK) 26 oktober 2000, nr. 30210/96, par. 110 (Kudła/Polen); EHRM 24 juli 2003, nrs. 46133/99 en 48183/99, par. 61 (Smirnova en Smirnova/Rusland); EHRM (GK) 3 oktober 2006, nr. 543/03, par. 42 (McKay/Verenigd Koninkrijk); EHRM (GK) 10 maart 2009, nr. 4378/02, NTM (NJCM-bull.) 2010, 413, par. 62, m.nt. Van de Voort (Bykov/Rusland); EHRM 22 mei 2012 (GK), nr. 5826/03, par. 139 (Idalov/Rusland); EHRM 5 juli 2016, nr. 50130/12, par. 60 (Bandur/Hongarije).
Bijv. EHRM 4 oktober 2001, nr. 27504/95, par. 76 (Iłowiecki/Polen); EHRM 22 mei 2012 (GK), nr. 5826/03, par. 155 (Idalov/Rusland).
Zie onder vele, de Grote Kamer-uitspraken EHRM (GK) 26 oktober 2000, nr. 30210/96, par. 110 (Kudła/Polen); EHRM (GK) 3 oktober 2006, nr. 543/03, par. 43 (McKay/Verenigd Koninkrijk); EHRM (GK) 10 maart 2009, nr. 4378/02, NTM (NJCM-bul.) 2010, 413, par. 63, m.nt. Van de Voort (Bykov/Rusland); EHRM 22 mei 2012 (GK), nr. 5826/03, par. 141 (Idalov/Rusland).
Zie bijv. EHRM 24 juli 2003, nrs. 46133/99 en 48183/99, par. 59 (Smirnova en Smirnova/ Rusland). Onder zeer uitzonderlijke omstandigheden is als vijfde grond ook de bescherming van de verdachte denkbaar, zie EHRM 23 september 1998, nr. 28213/95,par. 108 (I.A./Frankrijk).
Vgl. bijv. EHRM 26 juni 1991, nr. 12369/86, par. 51 (Letellier/Frankrijk); EHRM 27 augustus 1992, nr. 12850/87, par. 91 (Tomasi/Frankrijk); EHRM 1 maart 2007, nr. 33977/96, par. 81 (Ilijkov/Bulgarije); EHRM 25 oktober 2007, nr. 38971/06, par. 50 (Korshunov/Rusland); EHRM 22 mei 2012 (GK), nr. 5826/03, par. 145 (Idalov/Rusland).
Concluding observations van 27 juli 1998, VN Doc. CCPR/C/79/Add.92, par. 13.
Concluding observations over Argentinië van 1 november 2000, VN Doc. CCPR/CO/ 70/ARG (2001), par. 10; Concluding observations over Italië van 2 november 2005, VN Doc. CCPR/C/ITA/CO/5 (2006), par. 14.
Vgl. Van Dijk, Van Hoof e.a. 2006, p. 628.
EHRM 4 oktober 2005, nr. 28904/02, par. 58 (Górski/Polen); EHRM 6 februari 2007, nr. 14348/02, par. 48 (Garycki/Polen); EHRM 3 februari 2009, nr. 45219/06, par. 46 (Kauczor/ Polen).
Zie onder meer EHRM 19 september 2006, nr. 23037/04 (Matijašević/Servië); EHRM 6 februari 2007, nr. 14348/02 (Garycki/Polen); EHRM 27 februari 2007, nr. 65559/01 (Nestak/ Polen); EHRM 21 juni 2007, nr. 9029/05 (Kampanellis/Griekenland); EHRM 9 december 2008, nr. 5422/04 (Wojciechowski/Polen); EHRM 20 september 2011, nr. 39602/05 (Fedorenko/Rusland); EHRM 15 oktober 2013, nr. 34529/10 (Gutsanovi/Bulgarije); EHRM 26 juni 2016, nr. 76522/12 (Mugoša/Montenegro). Genadig voor de Italiaanse rechter was het Hof in EHRM 11 januari 2001, nr. 24952/94 (N.C./Italië). Zie ook de stevige kritiek in de dissenting opinion.
Vgl. o.a. Van Kempen & Kristen 2005; Stevens 2009; Stevens 2013; Van Sliedregt 2015, p. 17.
Zie naast het navolgende ook over de karige uitwerking van het motiveringsvereiste ten aanzien van beslissingen over voorlopige hechtenis: Robroek 2017.
EHRM 5 juli 2007, nr. 28831/04, dec., NJ 2007, 632 (Kanzi/Nederland); EHRM 5 juli 2007, nr. 43701/04, dec., NJ 2007, 633, m.nt. Schalken (Hendriks/Nederland).
Zie daarover Stevens 2008, p. 507-511.
EHRM 9 december 2014, nr. 15911/08, NJ 2015, 581, m.nt. Myjer (Geisterfer/Nederland).
Zie wel op die manier Stevens 2009, p. 171.
Sinds een verbod op tortuur gemeengoed is geworden, vormt voorlopige hechtenis de meest ingrijpende strafvorderlijke inbreuk op fundamentele rechten waarvoor geen veroordeling nodig is. Daarmee is het dwangmiddel ook de lakmoesproef geworden voor het begrenzend vermogen van de behandelingsdimensie op non-verbale bejegeningswijzen in het vooronderzoek in het algemeen.
Zowel het EHRM als het Comité beoordeelt de toelaatbaarheid van voorlopige hechtenis nochtans primair in het licht van het recht op (fysieke) vrijheid van artikel 5 EVRM, respectievelijk artikel 9 IVBPR. Bij het VN Mensenrechtencomité leverde slechts één individuele klacht over de voorlopige hechtenis schending van artikel 14 lid 2 IVBPR op. In Cagas, Butin en Astillero/ Filippijnen had het voorarrest 9 jaar geduurd. Dat vond het VN Mensenrechtencomité in casu zo lang dat het zonder nadere argumentatie oordeelde dat artikel 14 lid 2 IVBPR was geschonden.1 In de rechtspraak van het EHRM absorbeert artikel 5 de klachten over schending van het onschuldvermoeden.2 De afzonderlijke klacht over artikel 6 lid 2 EVRM faalt dan niet, maar blijft buiten behandeling omdat deze geen separate issue oplevert. Alleen de met voorlopige hechtenis beslissingen verbonden verbale uitingen toetst het Hof rechtstreeks aan artikel 6 lid 2 EVRM. Toch betrekt het EHRM het vermoeden van onschuld niet alleen bij toetsing van de motivering, maar heeft het beginsel ook gevolgen voor de operationele kant van de beslissingen over voorarrest.
Artikel 5 lid 1 EVRM stelt weliswaar voorop dat eenieder het recht heeft op fysieke vrijheid, maar aanvaardt op dat uitgangspunt meerdere uitzonderingen. Artikel 5 lid 1 sub c legitimeert de voorlopige hechtenis. Lid 3 bepaalt dat zij die op grond van lid 1 sub c zijn gedetineerd, binnen een redelijke termijn moeten worden berecht of in afwachting van hun proces in vrijheid moeten worden gesteld. Grammaticale interpretatie suggereert dat een vrije keuze kan worden gemaakt tussen snelle berechting en voorlopige vrijlating. Het Hof heeft die interpretatie niet aanvaard, maar de voorkeur gegeven aan een primair-subsidiair uitleg. Primair moet de verdachte in afwachting van zijn strafzaak worden vrijgelaten. Alleen als dit onmogelijk is mag zijn voorlopige hechtenis worden gelast en dan uitsluitend voor zover de duur van die hechtenis redelijk blijft. Het onschuldvermoeden schrijft deze subsidiariteitseis voor:
“Until conviction, he must be presumed innocent, and the purpose of [article 5 § 3] is essentially to require his provisional release once his continuing detention ceases to be reasonable.”3
Ik versta deze overweging zo dat de onschuldpresumptie onderbouwt waarom het Hof de vrijlating van verdachten steeds tot uitgangspunt neemt. Deze subsidiariteitseis brengt tevens met zich dat telkens minder ingrijpende dwangmiddelen moeten worden overwogen en indien mogelijk verkozen boven de vrijheidsbeneming.4 Dienovereenkomstig heeft het VN Mensenrechtencomité stevige op de onschuldpresumptie gestoelde kritiek op landen waarin voorarrest voor sommige delicten dwingend is voorgeschreven.5
Het EHRM dringt er daarnaast op aan dat lidstaten het belang van de met het voorarrest beoogde doelen afwegen tegen de belangen van het betrokken individu:
“Continued detention can be justified in a given case only if there are actual indications of a genuine requirement of public interest which, notwithstanding the presumption of innocence, outweighs the rule of respect for individual liberty laid down in Article 5 of the Convention.”6
Uit die formulering blijkt dat de onschuldpresumptie een indirecte rol speelt. De onschuldpresumptie is zelf geen belang dat tegen publieke belangen bij toepassing van voorlopige hechtenis kan worden afgewogen. De onschuldpresumptie vormt een extra gewicht in de weegschaal aan de kant van het in zijn recht op vrijheid geschade individu. Die vrijheid moet niet worden gewogen als de vrijheid van iemand die toch een gevangenisstraf in het vooruitzicht heeft, maar als de vrijheid van een mogelijk onschuldige burger. Publieke belangen dienen zodanig te zijn dat het recht op vrijheid van een nog niet (zeker) schuldige, daarvoor moet wijken. Ook de snelheid waarmee krachtens het vierde lid van artikel 5 EVRM toegang tot een rechter dient te worden verschaft, krijgt meer gewicht waar het een verdachte betreft:
“The Court [...] considers that there is a special need for a swift decision determining the lawfulness of a detention in cases where a trial is pending, as the defendant should benefit fully from the principle of the presumption of innocence [...].”7
De onschuldpresumptie versterkt en verzwaart aldus het gewicht van het recht op vrijheid in de proportionaliteitsafweging tegen de met voorarrest gemoeide algemene belangen.
Bij de selectie en waardering van voor en tegen voorarrest pleitende feiten en omstandigheden, moet de nationale rechter – opnieuw – het onschuldvermoeden in ogenschouw nemen:
“paying due regard to the principle of the presumption of innocence, [national judicial authorities must, JB] examine all the facts arguing for or against the existence of the public interest which justifies a departure from the rule in Article 5 and must set them out in their decisions on the applications for release.”8
Dat is een nogal vage formulering. Wat de betekenis van de onschuldpresumptie precies is voor de selectie van de argumenten voor en tegen toepassing van voorarrest, blijft daarin onduidelijk. Op dit concretere niveau formuleert het Hof geen heldere uit de onschuldpresumptie voortvloeiende normen en grenzen. Wel is duidelijk dat het Hof in beginsel grofweg vier doelen van de voorlopige hechtenis aanvaardt. Vrijlating dient gevaar voor vlucht, voor obstructie van het onderzoek, voor recidive of voor public disorder te herbergen.9 De ernst van de beschuldigingen kan bij de beoordeling van die gronden weliswaar een relevante factor zijn, maar is op zichzelf niet doorslaggevend om bijvoorbeeld gevaar voor vlucht of voor publieke onrust aan te nemen. Standaardrechtspraak van het EHRM is tevens dat “continuation of the detention [cannot] be used to anticipate a custodial sentence”.10 Het VN Mensenrechtencomité lijkt een soortgelijke zienswijze te hebben. De grenzeloze vrijheid van de Ecuadoriaanse rechter om zonder verdere rechtvaardiging voorlopige hechtenis toe te passen tot één derde van de maximale straf, achtte het Comité ontoelaatbaar.11 Meer in het algemeen is het om diezelfde reden in strijd met de onschuldpresumptie als over de oplegging en duur van de voorlopige hechtenis wordt beslist aan de hand van de te verwachten duur van de gevangenisstraf.12 De wens op straf vooruit te lopen kan het voorarrest dus niet van een gedegen fundament voorzien. In deze wel en niet toegelaten doelstellingen, ligt de behandelingsdimensie van het onschuldvermoeden mijns inziens besloten.13 Zowel onder het IVBPR als onder het EVRM is punitieve vrijheidsbeneming zonder veroordeling ontoelaatbaar. Er moet een maatschappelijke reden voor de vrijheidsbeneming zijn die onafhankelijk van de schuld van de verdachte kan bestaan.
Ook op het meest gedetailleerde niveau, dat van de motivering van de individuele beslissing, speelt de onschuldpresumptie een rol. Het EHRM verlangt dat de nationale rechter de gronden voor voorlopige hechtenis opneemt in diens beslissingen. Dat stelt het EHRM beter in staat na te gaan of de beslissingen blijk geven van een schuldoordeel. De vaststelling van risico op vluchtgevaar op basis van de weigering een bekennende verklaring af te leggen, was bijvoorbeeld ontoelaatbaar.14 Sanctionering van de motivering geschiedt meestal over de band van artikel 6 lid 2 EVRM. Het toetsingskader voor verbale bejegeningswijzen uit paragraaf 4 is daarop van toepassing. Het komt in de Straatsburgse rechtspraak relatief vaak voor dat rechters in hun verbale uitlatingen over de oplegging of verlenging van de voorlopige hechtenis het onschuldvermoeden schenden.15
Uit het bovenstaande komt naar voren dat de onschuldpresumptie in de jurisprudentie over voorlopige hechtenis van vooral het EHRM een prominente plaats inneemt. Toch lijkt de heersende opvatting in de (Nederlandse) literatuur te zijn dat de onschuldpresumptie voor de normering van de voorlopige hechtenis van tamelijk geringe betekenis is.16 Dat heeft ermee te maken dat het Hof in de toepassing van de eigen uitgangspunten behoorlijk terughoudend is.17 Zeker wanneer het voorlopige hechtenis van tamelijk korte duur betreft, is het voor de lidstaten doorgaans mild. Bekende voorbeelden zijn de Nederlandse zaken Kanzi/Nederland en Hendriks/Nederland, waarin de voorlopige hechtenis op grond van de ernstige geschoktheid van de rechtsorde in feite louter berustte op de ernst van de feiten. Daarbij ging het in Kanzi ook nog eens niet om een delict dat de lichamelijke integriteit bedreigde, maar om een drugsfeit. Het Hof had weinig woorden nodig om de klachten af te wijzen.18 Ook in andere gevallen en opzichten staat het EHRM toe dat de ernst van het feit in de praktijk een belangrijke rol speelt bij de beslissing voorarrest toe te passen.19 Dat Nederland inmiddels in de zaak Geisterfer/Nederland is veroordeeld, doet aan de algemene juistheid van die constatering niet af. Het arrest is een bevestiging van het vaste uitgangspunt dat de ernst van de feiten op zichzelf het voortduren van voorlopige hechtenis niet kan rechtvaardigen. De bijzondere omstandigheden van het concrete geval gaven het Hof een stok om mee te slaan. Doordat de verdachte in casu tijdelijk en onder voorwaarden in vrijheid had verkeerd en daarvan toen geen concrete onrust was uitgegaan, kon het EHRM de Haarlemse rechtbank tamelijk eenvoudig terecht wijzen. Niet te volgen was de beslissing de schorsing van het voorarrest te beëindigen op grond van de ernstige geschoktheid van de rechtsorde die de (voorwaardelijke) vrijheid van de verdachte teweeg zou brengen.20
Ook na die uitspraak valt niet te verwachten dat klachten over het Nederlandse voorarrest vaak zullen slagen. Op grond van de terughoudendheid van het EHRM zou ik echter niet zeggen dat de onschuldpresumptie geen zinvol argument is ter bestrijding van de toename van voorlopige hechtenis.21 Het internationale mensenrechtenrecht bevestigt juist de principiële betekenis van het beginsel in dit verband. Het beginsel ligt ten grondslag aan en wordt belichaamd door een inmiddels als vanzelfsprekend beschouwd systeem waarin terughoudendheid met voorarrest vooropstaat, alternatieven de voorkeur verdienen en waarin steeds een niet-punitieve reden voor de voorlopige hechtenis moet bestaan, die de vrijheidsbeneming van een mogelijk onschuldige noodzakelijk maakt. Het onschuldvermoeden is de reden dat punitief voorarrest niet alleen als erg efficiënt, handzaam en daadkrachtig, maar ook nog steeds als ongemakkelijk en ongeoorloofd wordt gezien. Het is aan de nationale rechter om de uitgangspunten en richtsnoeren van het Hof ten uitvoer te brengen. Dat het Hof alleen in bijzondere gevallen vaststelt dat de voorlopige hechtenis is gebaseerd op een schuldoordeel of punitief van aard is, doet daaraan eigenlijk niet af. Ook dat de internationale rechter niet in de positie is de proportionaliteit en subsidiariteit indringend te toetsen, ontslaat de nationale rechter niet van de verplichting dat te doen. De onschuldpresumptie is daarvoor een belangrijk argument, zo bevestigt de rechtspraak van het EHRM en in mindere mate ook die van het VN Mensenrechtencomité.