Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.6.6.2
9.6.6.2 De getuigplicht
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS576391:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 mei 1979, NJ 1980, 213 m.nt. WHH (HulskorteNan der Lek).
Zij zijn echter wel verplicht te verschijnen en zij zijn uiteraard bevoegd een verklaring af te leggen. Een persoon die een beroep doet op het familiaal verschoningsrecht hoeft niet te motiveren waarom hij van het verschoningsrecht gebruik wil maken. Zie HR 8 mei 1998, NJ 1998, 606 (B./C. en C.).
Zo komt het functionele verschoningsrecht toe aan geestelijken en medici (HR 14 december 1948, NJ 1949, 95; (Lunshoj9), advocaten (HR 12 december 1958, NJ 1961, 270(Viskil)), HR 22 juni 1984, NJ 1985, 188; (Panholzer/Cancuk)), notarissen (HR 1 maart 1985, NJ 1986, 173(curatoren OGEM/Maas)), HR 25 september 1992, NJ 1993, 467(Van Eijck/Tomol)), juridisch medewerkers van bureaus voor rechtshulp (HR 25 oktober 1985, NJ 1986, 176(Brouwer/ Ztirich)), verplegers (HR 23 november 1990, NI 1991, 761 (Westra)), belastingambtenaren (HR 21 februari 1997, NJ 1997, 305(Pouw/L&V)) en reclasseringsambtenaren (HR 20 juni 1968, NI 1968, 332 (geheimhoudingsplicht reclasseringsambtenaar)).
HR 22 december 1989, NJ 1990. 799(ABN/Fraterman).
Zie HR 1 maart 1985, NJ 1986, 173 m.nt. WLH onder HR 25 oktober 1985, NJ 1986, 176(curatoren OGEM/Maas); HR 7 juni 1985, NJ 1986, 174 m.nt. WLH onder HR 25 oktober 1985, NJ 1986, 176 (Schadd).
Uit artikel 165 lid 1 Rv kan worden afgeleid dat een ieder die daartoe op wettige wijze is opgeroepen, de plicht heeft om te getuigen. Deze plicht is gebaseerd op het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid (ten dienste van een goede rechtsbedeling) in rechte boven tafel komt. Tevens dient de plicht om te getuigen ter bescherming van de belangen van de desbetreffende partij.1 Uitzonderingen op deze getuigplicht zijn het familiale verschoningsrecht, het functionele verschoningsrecht en het nemo tenetur-beginsel.
Op grond van het familiale verschoningsrecht ex lid 2 onder a zijn 'de echtgenoot en de vroegere echtgenoot dan wel de geregistreerde partner en de vroegere geregistreerde partner van een partij, de bloed- of aanverwanten van een partij of van de echtgenoot of van de geregistreerde partner van een partij, tot de tweede graad ingesloten, een en ander tenzij de partij in hoedanigheid optreedt' ontheven van hun verplichting om getuigenis af te leggen (een verklaring af te leggen).2 De partijgetuige komt niet het recht toe zich te beroepen op het familiaal verschoningsrecht ex artikel 165 lid 2 sub a Rv.
Het functionele verschoningsrecht komt toe aan personen die een vertrouwensrelatie hebben met een der partijen.3 In mededingingsrechtelijke zaken zal voornamelijk moeten worden gedacht aan de advocaat die beschikt over informatie relevant voor de oplossing van een mededingingsrechtelijk geschil. Uit de vertrouwensrelatie vloeit een geheimhoudingsplicht voort. Er zal een afweging moeten plaatsvinden tussen de belangen waarop de verplichting tot geheimhouding is gericht en de zwaarwegende belangen die gemoeid zijn met de waarheidsvinding in een burgerlijk proces.4 De omvang van het verschoningsrecht betreft alleen de wetenschap die de getuige in zijn ambt, beroep of betrekking is toevertrouwd. De opgegeven vragen behoeven, behoudens in geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden, niet beantwoord te worden zolang de rechter aan redelijke twijfel onderhevig acht of die beantwoording naar waarheid zou kunnen geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat verborgen dient te blijven.5
Het nemo tenetur-beginsel brengt met zich mee dat er in een civiele procedure een beroep kan worden gedaan op het verschoningsrecht in het geval de getuige (ook de partijgetuige) zichzelf of een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of derde graad, of zijn echtgenoot of vroegere echtgenoot onderscheidenlijk zijn geregistreerde partner of vroegere geregistreerde partner aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf zou blootstellen. Nu het mededingings
recht nog alleen bestuursrechtelijk en civielrechtelijk gehandhaafd wordt is de kans op een strafrechtelijke veroordeling terzake van een misdrijf niet á te groot. Dit kan in de toekomst anders zijn, nu het niet onwaarschijnlijk is dat het mededingingsrecht uiteindelijk ook strafrechtelijk zal kunnen worden gehandhaafd.