Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/7.2.1
7.2.1 Algemeen
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS509872:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 340.
Men zegt wel dat de eerste fase van de causaliteitstoetsing op de vestiging van de aansprakelijkheid ziet, terwijl de omvang van de aansprakelijkheid in de tweede fase ter beoordeling staat. Klaassen 2007, p. 29-30, merkt echter – mijns inziens terecht – op dat het onderscheid tussen de vestigings- en omvangsfase weinig zinvol is, en stelt dat de csqn-toets als uitgangspunt geldt ten aanzien van elke schadepost afzonderlijk.
HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:214, r.o. 4.1.2 (Avi Cranes), onder verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 345. Zie ook HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895, r.o. 3.5 (Swinkels/Saint-Gobain).
HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1799, NJ 2011/251 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, r.o. 3.10 (Fortis/Bourgonje), HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, NJ 2012/182 m.nt. J.B.M. Vranken, r.o. 5.5.1 (De Treek/Dexia) en HR 9 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3170, NJ 2004/308 m.nt. W.D.H. Asser, r.o. 3.4.2 (D./Achmea).
In 1965 kon Bloembergen nog schrijven dat het ‘als regel vrij eenvoudig is’. Zie Bloembergen 1965, p. 153.
Klaassen 2007, p. 28, stelt dat de schade zonder de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid wordt gebaseerd, niet of niet in dezelfde mate zou zijn opgetreden.
Welke benadering wordt gehanteerd, zal ervan afhangen op wie de stelplicht en bewijslast rusten. Zie Boonekamp, in: GS Schadevergoeding, artikel 6:98 BW, aant. 2.1 (online, bijgewerkt 9 januari 2017).
HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, NJ 2012/182 m.nt. J.B.M. Vranken, r.o. 4.15.3 (De Treek/Dexia).
HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:18, AB 2017/407 m.nt. C.N.J. Kortmann, JB 2017/17 m.nt. L.J.M. Timmermans, r.o. 3.4.4 (UWV/J.).
Zie HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2987, NJ 2017/133 m.nt. S.D. Lindenbergh, r.o. 3.5.3 (Netvliesloslating).
In de T.M. werd overigens benadrukt dat de csqn-toetsing eveneens van juridische aard is, omdat ook een (weg te denken) nalaten als schadeoorzaak kan gelden. Zie Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 340.
Vgl. HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213, NJ 2006/606 m.nt. J.B.M. Vranken, r.o. 4.4 (Baby Kelly). Vgl. verder HR 22 maart 1991, NJ 1991/420, r.o. 3.2 (Roeffen/Thijssen) over een arbeidsongeval en HR 15 maart 1957, NJ 1957/526 (Rottschäfer/De Vreng) over een verkeersongeval.
Hofmann/Drion & Wiersma 1959, p. 122 e.v.
De aanwezigheid van een aansprakelijkheidsgrond en van schade volstaat niet om de overheid aansprakelijk te achten voor die schade. Voor het aannemen van aansprakelijkheid is vereist dat de grond voor de aansprakelijkheid en de schade met elkaar in causaal verband staan.1 Dat de eis van causaal verband moet worden gesteld, is tamelijk evident. Zonder die eis zou de pleger van een onrechtmatige daad immers aansprakelijk kunnen zijn voor schade die niet het (voldoende rechtstreekse) gevolg is van zijn (normschendende) handelen. Anders gezegd, zou hij gehouden kunnen zijn tot vergoeding van schade die hij, althans zijn handelen, niet heeft veroorzaakt. Om dit te voorkomen, is in artikel 6:162 lid 1 BW tot uitdrukking gebracht dat een oorzakelijk verband moet bestaan tussen een toerekenbare onrechtmatige daad van de laedens en de schade van de gelaedeerde, en wel door het gebruik van het woord ‘dientengevolge’.2 Slechts voor schade die ten gevolge van de onrechtmatige daad is geleden, bestaat een vergoedingsplicht. Op zichzelf doet artikel 6:162 lid 1 BW echter onvoldoende recht aan de algemeen aansprakelijkheidsrechtelijke betekenis van de eis van causaal verband. De aansprakelijkheid van de laedens wordt daarom nader beperkt door de leer van de redelijke toerekening, die is neergelegd in artikel 6:98 BW.
Naar geldend recht valt het causaliteitsvereiste uiteen in de deeleisen van feitelijk causaal verband en van juridisch causaal verband, die samen tot uitdrukking brengen dat de schade het rechtens relevante gevolg moet zijn van de onrechtmatige daad.3 Allereerst moet worden onderzocht of een feitelijk causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige daad en de schade. Dit onderzoek vindt plaats met behulp van de test van condicio sine qua non (‘csqn’), die dient uit te wijzen of de aansprakelijkheidsgrond de noodzakelijke voorwaarde was voor het ontstaan van de schade.4 Ten tweede eist artikel 6:98 BW het bestaan van een juridisch causaal verband tussen de onrechtmatige daad en de schade, door slechts schade voor vergoeding in aanmerking te brengen die ‘in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend’. Bij de toerekening op grond van artikel 6:98 BW gaat het om de vraag of voldoende verband aanwezig is tussen de schade en de gebeurtenis waarvoor aansprakelijkheid bestaat.5 Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van objectieve factoren als de aard van de aansprakelijkheid en van de schade. In dat kader zal ook een rol kunnen spelen wat naar objectief inzicht voorzienbaar of waarschijnlijk was.6
Uit constante rechtspraak volgt dat van het oorzakelijk verband als bedoeld in artikel 6:98 BW eerst sprake kan zijn, indien is voldaan aan de eis van condicio sine qua non-verband die besloten ligt in artikel 6:162 lid 1 BW.7 Deze eis fungeert in zoverre als minimumvereiste: de schade moet feitelijk zijn veroorzaakt door de onrechtmatige daad voordat kan worden geoordeeld dat de schade in juridisch opzicht in een voldoende rechtstreeks verband met die daad staat.
Het uitvoeren van de condicio sine qua non-test is bepaald geen sinecure.8 Het gaat namelijk om een ingewikkeld gedachte-experiment met hypothetische feitelijke gebeurtenissen. De test duidt op de aanwezigheid van condicio sine qua non-verband indien de schade niet zou zijn ontstaan bij het wegdenken van de beweerdelijk schadeveroorzakende omstandigheid.910 De uitvoering van de csqn-test vergt derhalve een vergelijking van twee situaties: de situatie waarin de benadeelde zich thans bevindt, en de situatie waarin hij zich zou hebben bevonden indien de dader niet onrechtmatig had gehandeld.11 De Hoge Raad leert als volgt:
‘Het causale verband als bedoeld in art. 6:162 lid 1 BW (het condicio sine qua non-verband), waar het hier om gaat, moet immers worden vastgesteld door vergelijking van enerzijds de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en anderzijds de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige gedraging achterwege was gebleven.’12
Er dient dus een vergelijking te worden gemaakt van de feitelijke situatie en een hypothetische situatie. Wat betreft de feitelijke situatie, gaat het om de vaststelling van hetgeen daadwerkelijk is voorgevallen. Voor de hypothetische situatie gaat het om de vaststelling van wat feitelijk zou zijn gebeurd zonder de normschending.13 Deze uitgangspunten onderstrepen het overwegend feitelijke karakter van de causale vergelijking.14 Enerzijds is aan dit karakter verbonden dat de gevalsvergelijking subjectief wordt benaderd, zodat niet zonder meer kan worden uitgegaan van een objectieve inschatting van wat de gemiddelde burger of een redelijk handelend mens in de hypothetische situatie zou hebben gedaan. Maatgevend is wat de specifieke laedens en gelaedeerde in die situatie feitelijk zouden hebben gedaan, indien niet in strijd was gehandeld met een norm als bedoeld in artikel 6:162 lid 2 BW. Anderzijds gaat met het feitelijke karakter van de csqn-toets gepaard dat niet kan worden volstaan met het simpelweg wegdenken van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust. Men moet zich namelijk afvragen wat zou zijn gebeurd zonder normschending. Dit betekent dat niet zonder meer kan worden uitgegaan van een hypothetische situatie waarin de betreffende gebeurtenis in zijn geheel niet zou hebben plaatsgevonden. Slechts het onrechtmatige element van de gedraging mag worden weggedacht,15 tenminste, indien de situatie daarzonder een voldoende reëel alternatief is voor de situatie zoals deze zich in werkelijkheid heeft voorgedaan.16 In het commune aansprakelijkheidsrecht valt de normschending soms samen met de gebeurtenis, maar dat zal in het overheidsaansprakelijkheidsrecht niet snel het geval zijn.