Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/2.3.4.1
2.3.4.1 De verhouding tussen titel 4.5 Awb en afdeling 15.1 Omgevingswet
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701882:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Nog eens nadrukkelijk: Kamerstukken II 2010/11, 32621, 3, p. 18.
Zie voor een overzicht van de kritische vragen die ontstonden naar aanleiding van het wetsvoorstel: Van den Broek & Tjepkema 2015, § 2.3.2.
Kamerstukken II 2017/18, 34986, 3, p. 19-20.
Zie uitvoerig over de verhouding tussen afdeling 15.1 Omgevingswet en titel 4.5 Awb: Ten Have & Thoonen, O&A 2017/28; Van Zundert, Gst. 2021/86; Van den Broek, TO 2018/4; Van Zundert, BR 2018/86; Ten Kate, TBR 2020/152; Huijts 2020, i.h.b. § 3.3.
Zie ook uitgebreid over de verhouding tussen titel 4.5 Awb en afdeling 15.1 Omgevingswet: Van Ravels & Tjepkema, O&A 2022/2, p. 4-6; Van Ravels, O&A 2013/2, § 3.
De planschaderegelgeving gaat met de komst van de Omgevingswet en titel 4.5 Awb in belangrijke mate veranderen. Als gezegd, beoogt de wetgever met titel 4.5 Awb een einde te maken aan het gefragmenteerde nadeelcompensatieveld. Art. 4:126 Awb bevat voortaan een algemene wettelijke grondslag voor nadeelcompensatie. Aangezien art. 4:126 Awb zich uitstrekt over ieder rechtmatig appellabel besluit en/of rechtmatige feitelijke handeling, was de initiële gedachte van de regering dat:
“(…) de in sommige thans geldende wetten en beleidsregels gevolgde systematiek, waarbij een limitatieve opsomming wordt gegeven van schadeoorzaken die aanleiding kunnen vormen voor nadeelcompensatie, onder de nieuwe regeling niet meer mogelijk is.”1
Nadeelcompensatieregelingen waarin de schadeoorzaken limitatief en exclusief waren opgesomd – zoals de planschaderegeling van afdeling 6.1 Wro – worden dus voortaan geacht in strijd te zijn met het algemene karakter van art. 4:126 Awb.2 Over hoe dergelijke strijdigheden dienden te worden opgelost, liet de regering zich niet uit. Onder andere deze vraag bleek al snel dermate lastig te beantwoorden omdat de inwerkingtreding van titel 4.5 Awb lang op zich liet wachten.3 Toen de Omgevingswet in wording was, heeft de wetgever ervoor gekozen eerst dat wetgevingstraject af te wachten. Uiteindelijk is eerst met de Invoeringswet Omgevingswet duidelijk geworden hoe titel 4.5 Awb en de Omgevingswet zich tot elkaar verhouden.
Afdeling 15.1 Omgevingswet – zeg maar de opvolger van de planschaderegeling uit afdeling 6.1 Wro – zet een streep door de uniformiteit van de nadeelcompensatieregeling uit titel 4.5 Awb. Afdeling 15.1 geldt namelijk als lex specialis ten opzichte van titel 4.5 Awb. Dat wil zeggen dat daar waar afdeling 15.1 de regeling in de Awb aanvult, of daarvan afwijkt, afdeling 15.1 voorgaat. 4De meest in het oog springende afwijking is het behoud van een limitatieve en exclusieve lijst met schadeoorzaken. Naar eigen zeggen had de regering ten tijde van de voorbereiding van de Wns geen rekening kunnen houden met de komst van de Omgevingswet.5 Het werd binnen de verbeterdoelen van de Omgevingswet evenwel niet passend geacht om vast te houden aan een brede grondslag voor nadeelcompensatie zoals voorzien in titel 4.5 Awb. Het voert te ver om die verbeterdoelen hier helemaal uit de doeken te doen, 6maar de kern is dat de Omgevingswet wil uitnodigen tot globale en dynamische omgevingsplannen met open normen en een brede reikwijdte (waarbij taken en bevoegdheden over verschillende bestuursorganen zijn verdeeld). De brede reikwijdte van titel 4.5 Awb zou de mogelijkheid bieden om op elk moment in het besluitvormingsproces een verzoek om nadeelcompensatie in te dienen. Een dergelijke mogelijkheid zou een transparant besluitvormingsproces alsmede globale en dynamische besluitvorming bemoeilijken.7