Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/5.3.2.3.1
5.3.2.3.1 Intermezzo: de verhouding tot ‘art. 203-btw’
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS495436:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Pt. 41 van de conclusie bij HvJ 13 maart 2014, nr. C-107/13, V-N 2014/16.21 (FIRIN).
HvJ 13 december 1989, nr. C-342/87, BNB 1990/237 (Genius Holding), r.o. 10.
Zie HvJ 18 juni 2009, nr. C-566/07, BNB 2009/291 (Stadeco), r.o. 26, HvJ 31 januari 2013, nr. C-643/11, V-N 2013/11.19.10 (LVK), r.o. 33 en HvJ 31 januari 2013, nr. C-642/11, V-N 2013/15.18 (Stroy Trans), r.o. 29.
Dit is anders onder de Nederlandse pendant van art. 203 Btw-richtlijn, welke is neergelegd in art. 37 Wet OB 1968. Deze bepaling stelt immers dat de opsteller van de factuur enkel de daarop verschuldigde btw verschuldigd wordt als die niet reeds op grond van een andere bepaling verschuldigd is geworden. Onder het Nederlandse recht vindt dus geen overlap plaats en zijn de relevante bepalingen in zoverre complementair.
HvJ 13 december 1989, nr. C-342/87, BNB 1990/237 (Genius Holding), HvJ 19 september 2000, nr. C-454/98, V-N 2000/47.16 (Schmeink & Cofreth & Strobel), HvJ 18 juni 2009, nr. C-566/07, BNB 2009/291 (Stadeco), HvJ 11 april 2013, nr. C-138/12, V-N 2013/20.15 (Rusedespred).
Wat betreft de voor herziening van ‘art. 203-btw’ van toepassing zijnde criteria dient te gelden dat lidstaten steeds moeten voorzien in een mogelijkheid tot herziening als de opsteller van de factuur kan aantonen dat hij te goeder trouw geweest is. Herziening mag evenwel niet van de goede trouw afhangen als de opsteller van de factuur tijdig en volledig het gevaar voor verlies van belastinginkomsten heeft uitgeschakeld. Dit gevaar wordt geacht aanwezig te zijn zolang de ontvanger de factuur kan gebruiken om het recht op aftrek uit te oefenen, ook al heeft hij materieel bezien geen recht op deze aftrek (HvJ 31 januari 2013, nr. C-643/11, V-N 2013/11.19.10 (LVK)). Omdat in zijn algemeenheid niet kan worden uitgesloten dat complexe omstandigheden en rechtsbetrekkingen ertoe kunnen leiden dat de belastingdienst niet altijd tijdig kan vaststellen dat geen recht op aftrek van btw bestaat, mogen lidstaten in dat kader aan herziening de voorwaarde verbinden dat de leverancier aan zijn afnemer een herstelfactuur of een creditnota uitreikt ((HvJ 18 juni 2009, nr. C-566/07, BNB 2009/291 (Stadeco), r.o. 46 en 51). Daarnaast mogen lidstaten als voorwaarde voor herziening stellen dat de leverancier niet ongerechtvaardigd verrijkt, zodat aan herziening mede de voorwaarde mag worden verbonden dat de leverancier de afnemer de ten onrechte betaalde btw vergoedt (HvJ 18 juni 2009, nr. C-566/07, BNB 2009/291 (Stadeco), r.o. 48). Zie voor de Nederlandse situatie Besluit nr. BLKB2014/704M van de staatssecretaris van Financiën van 6 december 2014 (Besluit administratieve verplichtingen), V-N 2015/7.16, laatstelijk gewijzigd bij Besluit nr. BLKB2017/7366 van 10 oktober 2017, V-N 2017/55.15, paragraaf 3.5).
In dat geval wordt de grondslag voor de verschuldigdheid van de door ondernemer A op de factuur vermelde btw in eerste instantie gevormd door art. 203 Btw-richtlijn en vervolgens bij het daadwerkelijke ontvangen van de vooruitbetaling door art. 65 Btw-richtlijn (waardoor de verschuldigdheid van btw volgens mij dan als het ware van kleur verschiet). Immers: een voorschotnota kan op grond van art. 63-66 Btw-richtlijn niet leiden tot verschuldigdheid van btw. Hieraan doet niet af dat art. 66 Btw-richtlijn bepaalt dat lidstaten de mogelijkheid hebben de verschuldigdheid uiterlijk bij de uitreiking van de factuur voor te schrijven. Deze mogelijkheid ziet namelijk op de situatie waarin de factuur ná het belastbaar feit wordt uitgereikt. Zie in dat verband HvJ 21 februari 2006, nr. C-419/02, BNB 2006/172 (BUPA Hospitals), r.o. 44-48.
Vgl. pt. 43 van de conclusie bij HvJ 13 maart 2014, nr. C-107/13, V-N 2014/16.21 (FIRIN).
Zoals ik in paragraaf 3.3.2 namelijk heb betoogd is één van de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling namelijk dat de leverancier zijn vordering moet blijven behouden en de afnemer de overeengekomen prijs verschuldigd moet blijven. Dit laat onverlet een mogelijke herziening van de maatstaf van heffing vanwege prijsvermindering.
Deze punten vragen om een stap zijwaarts.
Om met punt (ii) te beginnen – de vraag of de aftrek van btw door FIRIN reeds ten principale (lees: op grond van art. 167 Btw-richtlijn) geweigerd had kunnen worden – kan ik kort zijn. Het antwoord op deze vraag dient in mijn ogen ontkennend te luiden. Art. 167 Btw-richtlijn bepaalt immers dat het recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de aftrekbare btw verschuldigd wordt. In onderhavig geval betreft dit het moment van de vooruitbetaling (art. 65 Btw-richtlijn), dus vóórdat het belastbare feit plaats zou vinden. Aldus is de btw daadwerkelijk op grond van art. 65 Btw-richtlijn verschuldigd geworden en daadwerkelijk voor aftrek in aanmerking gekomen op grond van art. 167 Btw-richtlijn. Dat maakt dat voor een correctie ten principale naar mijn mening geen ruimte is. Hoewel de feiten in het LVK-arrest lijken te impliceren dat het ook in dat arrest een vooruitbetaling betrof, gooide het HvJ zijn oordeel in die zaak niet over de boeg van art. 65 Btw-richtlijn maar over die van art. 63 Btw-richtlijn, waarschijnlijk omdat de aan het HvJ voorgelegde vragen daartoe aanleiding gaven. Omdat art. 63 Btw-richtlijn de verschuldigdheid (als hoofdregel) koppelt aan het tijdstip waarop de goederenleveringen of diensten worden verricht en deze in de zaak LVK nog niet waren verricht, kwam het HvJ in die zaak tot het slotoordeel dat het recht op aftrek onder verwijzing naar art. 167 Btw-richtlijn terecht was geweigerd. Het gevolg daarvan was dat de leverancier in de zaak LVK de btw ‘ten onrechte’ had gefactureerd. Verschuldigdheid vond derhalve plaats op grond van art. 203 Btw-richtlijn (en niet op grond van art. 63 of 65 Btw-richtlijn) en, zoals al aangegeven, is het vaste rechtspraak dat deze btw niet voor aftrek in aanmerking komt.
Wat betreft punt (i) – de vraag of art. 203 Btw-richtlijn in onderhavige zaak van toepassing zou moeten zijn – lijken partijen het met elkaar eens te zijn geweest. Volgens de A-G hebben zij terecht opgemerkt dat de leverancier de btw ingevolge art. 203 Btw-richtlijn verschuldigd is geworden, simpelweg omdat hij deze op de factuur heeft vermeld:1
“41. In de eerste plaats is (...) de leverancier de btw verschuldigd ingevolge artikel 203 van de btw-richtlijn, omdat hij deze op de factuur heeft vermeld. (...)
43. In de tweede plaats is de leverancier in het onderhavige geval de btw evenwel ook verschuldigd op grond van artikel 193 juncto artikel 65 van de btw-richtlijn, wegens de vooruitbetaling. (...)”
Ik heb met het aannemen van deze dubbele basis toch een beetje moeite, al laat de tekst van art. 203 Btw-richtlijn weinig ruimte voor een andere lezing. Daarenboven is het vaste rechtspraak dat art. 203 Btw-richtlijn toepassing vindt zodra iemand btw op een factuur vermeldt, ‘zelfs indien zij [de btw; BH] niet krachtens de wet verschuldigd is’2 of ‘ongeacht of btw verschuldigd is op grond van een aan btw onderworpen handeling’3, waaruit lijkt te volgen dat het voor toepassing van art. 203 Btw-richtlijn geen verschil maakt of de btw terecht of onterecht op de factuur vermeld is. Daarmee zou de btw die op grond van art. 203 Btw-richtlijn verschuldigd is geworden niet ten onrechte op een factuur zijn vermeld,4 wanneer (en dit zal vaak het geval zijn) zij ook op grond van een andere bepaling uit de Btw-richtlijn verschuldigd zou zijn geworden.
Wanneer de dubbele basis (in casu art. 65 Btw-richtlijn en art. 203 Btw-richtlijn) (toch) tot uitgangspunt moet worden genomen, rijst de vraag welke impact deze heeft op de mogelijkheid tot herziening van de door de leverancier verschuldigde btw. Herziening van de op grond van art. 63-66 Btw-richtlijn verschuldigde btw geschiedt namelijk overeenkomstig art. 90 lid 1 Btw-richtlijn, terwijl herziening van de op grond van art. 203 Btw-richtlijn verschuldigde btw geschiedt op grond van de in rechtspraak ontwikkelde criteria en regels die lidstaten op grond daarvan zelf moeten vaststellen.5 Daarmee is onduidelijk wat er gebeurt als een prestatie bijvoorbeeld ongedaan gemaakt wordt en de op grond van art. 63-66 Btw-richtlijn verschuldigde btw door verlaging van de maatstaf van heffing krachtens art. 90 Btw-richtlijn zou verdwijnen. Betekent dit dan dat de verschuldigdheid op grond van art. 203 Btw-richtlijn als uitgangspunt zou blijven staan en feitelijke teruggaaf van btw pas zou kunnen plaatsvinden als tevens zou zijn voldaan aan de voor herziening van de ‘art. 203-btw’ geldende criteria?
Ik meen van niet. Ter onderbouwing dient naar mijn mening in de eerste plaats te gelden dat een dubbele grondslag niet tot gevolg heeft dat de ondernemer feitelijk ook tweemaal btw verschuldigd wordt. Een ondernemer, die een vooruitbetaling ontvangt en daarvoor een (voorschot)nota uitreikt, zou de btw in mijn optiek maar één keer verschuldigd moeten worden.6 Hetzelfde geldt in een reguliere situatie, waarin een ondernemer een factuur uitreikt vanwege een door hem verrichte prestatie.7 Het lijdt dan geen twijfel dat geen dubbele voldoeningsverplichting ontstaat. Wanneer de maatstaf van heffing vervolgens op grond van art. 90 Btw-richtlijn wordt verlaagd, zou het wel heel merkwaardig zijn als de verschuldigdheid van btw op grond van art. 203 Btw-richtlijn zou blijven (be)staan, als gevolg waarvan de ondernemer het uit art. 90 lid 1 Btw-richtlijn voortvloeiende recht op teruggaaf zou kunnen worden ontzegd (met als argument dat de dubbele grondslag voor verschuldigdheid is geconverteerd in een enkele grondslag). In gevallen van een ‘ongedaanmaking van de handeling’ zou dit evenwel kunnen worden ondervangen, doordat ‘art. 203-btw’ op grond van min of meer dezelfde uitgangspunten (als die onder art. 90 Btw-richtlijn) kan worden herzien. Voor herziening van de ‘art. 203-btw’ gelden in de kern veelal soortgelijke voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat de leverancier de btw aan de ontvanger van de factuur terugbetaalt.8 Ter illustratie een voorbeeld:
Voorbeeld 5.2
Ondernemer A stuurt ondernemer B een voorschotnota met het oog op door hem aan ondernemer B te verrichten diensten. Ondernemer B betaalt de nota bij wijze van vooruitbetaling.9 Ondernemer A voldoet de door hem verschuldigde btw en ondernemer B vraagt de aan hem gefactureerde btw van de Belastingdienst terug. Voordat de diensten zijn verricht, komen partijen overeen dat de transactie geen doorgang zal vinden en ontbinden de overeenkomst. Onderdeel van de afspraken is dat ondernemer A de door hem ontvangen vooruitbetaling aan ondernemer B terugbetaalt, hetgeen zo geschiedt.
Omdat de vergoeding door A wordt terugbetaald, kan A de maatstaf van heffing op grond van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn verlagen en zou ook de ‘art. 203-btw’ voor herziening in aanmerking komen. Links- of rechtsom zou daarom een recht op teruggaaf van de reeds voldane btw moeten ontstaan.10
Het standpunt dat de verschuldigdheid van ‘art. 203-btw’ na verlaging van de maatstaf van heffing op grond van art. 90 Btw-richtlijn blijft (be)staan zou evenwel tot zwaarwegende bezwaren leiden in gevallen van niet-betaling. In dat geval lopen de vereisten voor herziening op grond van art. 90 Btw-richtlijn en art. 203 Btw-richtlijn uiteen. Stel nu dat in voornoemd voorbeeld de prestatie wel doorgang zou hebben gevonden, maar dat ondernemer B niet in staat zou zijn geweest de factuur van ondernemer A te betalen. In dat geval had ondernemer A – net als in het geval van een ontbinding – op grond van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn de maatstaf van heffing kunnen verlagen. Wanneer de verschuldigdheid op grond van art. 203 Btw-richtlijn echter overeind zou blijven, dan zou hem de teruggaaf kunnen worden ontzegd. Ondernemer A zou immers alleen dan in aanmerking komen voor een btw-teruggaaf als hij zou voldoen aan de door de lidstaten in het licht van een herziening te stellen voorwaarden, waarbij lidstaten als voorwaarde mogen stellen dat een creditfactuur wordt uitgereikt. En hier zit de pijn. Het uitreiken van een creditnota in gevallen van niet-betaling impliceert namelijk dat de leverancier zijn afnemer ontslaat van de verplichting tot het betalen van de vergoeding, terwijl dit nu expliciet niet de bedoeling is. Sterker: als ondernemer A aan ondernemer B een creditnota zou uitreiken, dan zou art. 90 lid 1 Btw-richtlijn, voor zover het de niet-betaling betreft, geen toepassing meer vinden.11 Dit zou betekenen dat de ‘art. 203-btw’ in situaties van niet-betaling feitelijk niet zou kunnen worden herzien. En dit kán naar mijn idee simpelweg niet de bedoeling zijn geweest.
Al met al meen ik dat het HvJ niet kan hebben bedoeld dat in de FIRIN-situatie art. 203 Btw-richtlijn toepassing vindt. Ik interpreteer de uitspraak dan ook zo dat het HvJ enkel een parallel heeft willen trekken naar art. 203 Btw-richtlijn, ter rechtvaardiging van het standpunt dat de leverancier en de afnemer voor de btw niet gelijk behandeld hoeven worden. En mocht het HvJ toch een dubbele grondslag hebben voorgestaan, dan zou ik menen dat deze enkel moet worden bezien in het licht van het aan het arrest ten grondslag liggende feitencomplex (waarbij sprake was van een vooruitbetaling). In zoverre mag dan van bedoelde overweging van het HvJ geen algemene werking uitgaan.
Tot zover het intermezzo.