Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.3.4:5.3.4 Conclusies over het vervolgingsmonopolie en de verhouding tot het klachtvereiste
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.3.4
5.3.4 Conclusies over het vervolgingsmonopolie en de verhouding tot het klachtvereiste
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946156:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het klachtvereiste zich thans goed verhoudt tot het vervolgingsmonopolie van het openbaar ministerie en de daaraan ten grondslag liggende argumenten. Het klachtvereiste laat immers onverlet dat het openbaar ministerie zorgdraagt voor de vervolging en dat bij de beslissing om over te gaan tot vervolging het algemeen belang centraal staat. Het klachtvereiste leidt slechts tot een inkadering van de beslissingsruimte van het openbaar ministerie ten aanzien van de vervolging doordat eerst na ontvangst van een klacht – op grond van het algemeen belang – tot vervolging kan worden besloten en daartoe kan worden overgegaan. De rechtsfiguur geeft daarmee nader invulling aan de programmatische taakstelling van het openbaar ministerie om de rechtsorde te handhaven, waarbij de wetgever ten aanzien van specifieke strafbare feiten de belangen van specifieke betrokkenen vooropstelt.
Opmerking verdient evenwel dat de toenemende aandacht voor de positie van het slachtoffer in het strafproces maakt dat in de toekomst mogelijk meer belang wordt gehecht aan het standpunt van een klachtgerechtigde bij de vervolgingsbeslissing. Dit kan gevolgen hebben voor de wijze waarop het klachtvereiste zich verhoudt tot het vervolgingsmonopolie. Het is immers voorstelbaar dat het klachtvereiste zich zodanig ontwikkelt dat een klacht van de klachtgerechtigde vervolging door het openbaar ministerie impliceert en het openbaar ministerie zich beperkt tot een toets van de haalbaarheid van de vervolging. Indien de klacht de hiervoor omschreven richtinggevende sturing zou gaan geven aan de vervolgingsbeslissing dan ondergraaft dit de aan het vervolgingsmonopolie ten grondslag liggende fundamentele argumenten dat de uitoefening van strafmacht niet door particulieren behoort te worden geïnitieerd en dat particuliere belangen daarbij niet centraal behoren te staan. Daarmee zou ook de deur worden geopend naar meer verstrekkende rechtsfiguren die de ons omringende landen kennen, zoals de citation directe en de Privatklage.