Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade
Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/8.8:8.8 Samenvatting
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/8.8
8.8 Samenvatting
Documentgegevens:
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS583951:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
429. Schade veroorzaakt door een onrechtmatige daad, een gebeurtenis waarvoor kwalitatieve aansprakelijkheid bestaat of een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst, behoeft niet te worden vergoed indien zich laat vaststellen dat het doel van de geschonden norm of de kwalitatieve aansprakelijkheid niet is te beschermen tegen deze schade. Bij deze eerste grens aan aansprakelijkheid werk ik met de termen het doel van de norm en de met de norm beoogde bescherming en niet met term de strekking van de norm. Het doel van de geschonden norm is vooral een feitelijk gegeven, de strekking is een juridische constructie die zodanig vorm wordt gegeven dat een redelijke begrenzing aan aansprakelijkheid wordt bereikt. Om deze reden is van belang te weten wat de betekenis is van het doel van de geschonden norm bij de begrenzing van aansprakelijkheid. Deze grens aan aansprakelijkheid heb ik in dit hoofdstuk voor de verschillende gronden van aansprakelijkheid behandeld (§ 8.1).
In het geval van aansprakelijkheid vanwege een gepleegde onrechtmatige daad, spreekt het afgrenzen van aansprakelijkheid aan de hand van het doel van de geschonden norm niet voor zichzelf. Het gegeven dat de laedens zich rechtens anders had dienen te gedragen en de schade dan niet zou zijn ontstaan, geeft immers een zekere rechtvaardiging om de laedens voor deze schade aansprakelijk te houden. Het feit dat de norm een ander doel diende, doet er niet aan af dat de norm gold en ook in de concrete omstandigheden door de laedens nageleefd had dienen te worden. In de literatuur is geen duidelijke rechtvaardiging gegeven voor het begrenzen van aansprakelijkheid aan de hand van het doel van de geschonden norm. Ik heb betoogd dat in de combinatie van het gegeven dat met de norm niet beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden en het gegeven dat dezelfde schade meer in het algemeen rechtmatig kan worden toegebracht, de reden ligt waarom aansprakelijkheid voor deze schade zich niet laat rechtvaardigen (§ 8.2). Om twee verschillende, soms samenvallende, redenen is het nodig om deze grens aan aansprakelijkheid te nuanceren. In de eerste plaats kan, net zoals bij de andere in hoofdstuk 9 t/m 11 te bespreken grenzen, de door de onrechtmatige daad veroorzaakte schadesituatie een zodanige gelijkenis vertonen met de schadesituaties waartegen met de geschonden norm wel beoogd is te beschermen, dat het onredelijk zou zijn om aansprakelijkheid te begrenzen aan de hand van de met de geschonden norm beoogde bescherming. Om, uitgaande van het wettelijke relativiteitsvereiste, toch aansprakelijkheid te kunnen aannemen, bleek in de jurisprudentie de strekking van de geschonden norm ruimer te worden uitgelegd dan de met de geschonden norm beoogde bescherming. In de tweede plaats is het mogelijk dat niet meer in het algemeen dezelfde schade op eenzelfde wijze rechtmatig kan worden toegebracht. Onder meer kan dat het geval zijn omdat in de voorliggende situatie en meer in het algemeen steeds een norm van ongeschreven recht beschermt tegen de schade zoals geleden. In de jurisprudentie bleek dat in deze situaties soms met gekunstelde redeneringen (het belang van de gelaedeerde is rechtstreeks geschaad, het belang van de gelaedeerde is een afgeleid belang) ontkomen wordt aan de begrenzing van aansprakelijkheid aan de hand van het doel van de geschonden norm. Mijns inziens is in deze situaties beter om aansprakelijkheid te baseren op de norm van ongeschreven recht. In de doctrine wordt niet algemeen erkend dat op deze twee manieren de met de norm beoogde bescherming bereikte grens aan aansprakelijkheid wordt genuanceerd. Wel wordt in de doctrine de correctie-Langemeijer gezien als correctief op deze grens. Minder duidelijk is waarom en in welke gevallen het gegeven dat sprake is van de schending van een wettelijke plicht waarmee niet beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, wel eraan kan bijdragen dat een norm van ongeschreven recht geldt waarmee wel beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden. Ik heb betoogd dat ongelukkig is om de gevallen waarin de correctie-Langemeijer wordt toegepast te beschouwen als het corrigeren van het relativiteitsvereiste. Door deze gevallen te zien als de reguliere toepassing van zorgvuldigheidsnormen verkrijgt men inzicht in de redenen waarom het bestaan van zo’n wettelijke plicht kan bijdragen aan de gelding van de norm van ongeschreven recht (§ 8.3).
Ook in het geval van kwalitatieve aansprakelijkheid wordt aansprakelijkheid begrensd aan de hand van het doel van de kwalitatieve aansprakelijkheid. Omdat aansprakelijkheid niet wordt gekoppeld aan de schending door de laedens van een norm, spreekt deze begrenzing hier vanzelf. Zij valt grotendeels samen met in de verschillende grondslagen voor kwalitatieve aansprakelijkheid opgenomen voorwaarden voor het bestaan van een schadevergoedingsverplichting (§ 8.4).
Ook in het geval van aansprakelijkheid wegens wanprestatie wordt aansprakelijkheid begrensd aan de hand van het doel van de geschonden norm. Het doel van de geschonden norm dient hierbij te worden vastgesteld op de wijze die ik in § 7.5 heb beschreven. In het bijzonder geldt dat het doel van overeengekomen normen ter zake van gevolgschade wordt bepaald door hetgeen partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs hebben begrepen en mochten begrijpen over de voordelen die de schuldeiser met de prestatie beoogde te verkrijgen en/of de nadelen die de schuldeiser met de prestatie beoogde te vermijden. De voorzienbaarheid van schade ten tijde van het aangaan van de overeenkomst heeft hierop belangrijke invloed (§ 8.5).
In het gedachtegoed van Pothier, dat ten grondslag lag aan art. 1283 (oud) BW, lag het waardevolle inzicht besloten dat een schuldenaar in het algemeen niet verondersteld kan worden zich te hebben willen verbinden om ook de schade te vergoeden die ten tijde van het aangaan van de overeenkomst niet als gevolg van een wanprestatie kon worden voorzien en dat daarom de schuldenaar niet voor deze schade aansprakelijk dient te zijn. Om verschillende redenen is het beter dit inzicht in te bedden in de met de norm beoogde bescherming (§ 8.6).
De begrenzing van aansprakelijkheid aan de hand van het doel van de geschonden norm laat zich in allerlei situaties niet bereiken door de in hoofdstuk 9 t/m 11 te behandelen grenzen (§ 8.7).