Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade
Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/8.1:8.1 Inleiding
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/8.1
8.1 Inleiding
Documentgegevens:
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS588637:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
RG 4 november 1891, RGZ 28, 159.
Zie § 3.3.
Zie over deze beoogde bescherming voor onrechtmatige daden § 7.3, voor kwalitatieve aansprakelijkheden § 7.4 en voor verplichtingen uit overeenkomst § 7.5. Zie over het terminologische onderscheid tussen doel en strekking ook nr. 27.
Zie daarover § 2.2.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
378. In het vorige hoofdstuk heb ik onderzocht wanneer voldoende normatief verband bestaat tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de daardoor veroorzaakte schade om een verplichting tot vergoeding van die schade aan te kunnen nemen. In dit en de volgende drie hoofdstukken is het perspectief omgekeerd: centraal staat nu wanneer dit verband onvoldoende is om de laedens tot vergoeding van deze schade te verplichten. Deze aldus gevonden grenzen aan aansprakelijkheid kunnen naar gelang dat uitkomt in het relativiteitsvereiste of in het toerekeningsvereiste tot uitdrukking worden gebracht.
379. Soms wordt door een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis schade veroorzaakt, maar laat zich vaststellen dat het doel van de geschonden buitencontractuele of contractuele norm of van de toepasselijke kwalitatieve aansprakelijkheid niet is te beschermen tegen de schade zoals geleden. Dat kan het geval zijn omdat met de geschonden norm of met de toepasselijke kwalitatieve aansprakelijkheid niet beoogd is de persoon van de gelaedeerde te beschermen, niet beoogd is te beschermen tegen het soort schade zoals geleden en/of niet beoogd is te beschermen tegen de wijze waarop de schade is ontstaan. Geen sprake is dan van een toereikend normatief verband tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de daardoor veroorzaakte schade. Deze schade behoeft daarom niet te worden vergoed.
De volgende zaak illustreert de toepassing van deze grens in het geval van aansprakelijkheid vanwege wanprestatie. Een vervoerder verbond zich om een lading suiker met het schip Adamant, dat op 18 december 1889 zou afvaren, van Hamburg naar Valparaiso (Chili) te vervoeren. In plaats daarvan liet de vervoerder de lading eerst op 7 januari 1890 met het schip Potsdam vertrekken. De Adamant verging tijdens de reis, de Potsdam bereikte Valparaiso wel. De opdrachtgever had de suiker goed verzekerd. Na aankomst van de Potsdam in Chili, op een later moment dan de geplande aankomst van de Adamant, bleek de suiker bij verkoop minder op te leveren dan de opdrachtgever aan verzekeringsuitkering zou hebben verkregen indien de suiker met de Adamant zou zijn vergaan. De opdrachtgever maakte tegenover de vervoerder aanspraak op de vergoeding van het verschil. Het Reichsgericht oordeelde dat de opdrachtgever geen aanspraak op vergoeding van deze schade had, omdat de vervoersovereenkomst gericht was op het vervoer van de lading met de Adamant en niet op het vergaan van de lading met de Adamant. De door de wanprestatie veroorzaakte schade diende naar het oordeel van het Reichsgericht begroot te worden op het verschil tussen, enerzijds, de opbrengst van de suiker indien zij met de Adamant was vervoerd, aangekomen en verkocht en, anderzijds, de opbrengst zoals verkregen.1 Naar Nederlands recht zou mijns inziens hetzelfde gelden.
380. In dit hoofdstuk werk ik nader uit waarom aansprakelijkheid dient te worden begrensd aan de hand van het doel van de geschonden norm of van de toepasselijke kwalitatieve aansprakelijkheid. Deze grens aan aansprakelijkheid sluit voor buitencontractuele aansprakelijkheid nauw aan bij het in art. 6:162 en 6:163 BW neergelegde relativiteitsvereiste. In dit relativiteitsvereiste is de strekking van de geschonden norm of van de kwalitatieve aansprakelijkheid beslissend voor de begrenzing van aansprakelijkheid. Deze strekking dient vastgesteld te worden aan de hand van een geheel aan factoren, waaronder het doel van de geschonden norm of van de kwalitatieve aansprakelijkheid, maar ook andere factoren, waarbij uiteindelijk beslissend is of een redelijke begrenzing van aansprakelijkheid wordt verkregen.2 Door aansprakelijkheid op deze manier af te grenzen wordt per definitie een redelijke begrenzing verkregen. In dit hoofdstuk behandel ik wat de essentie van het relativiteitsvereiste is: de regel dat aansprakelijkheid dient te worden begrensd aan de hand van de met de geschonden norm beoogde bescherming.3 Voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad besteed ik daarbij vooral aandacht aan de rechtvaardiging van deze regel en de uitzonderingen daarop. Verder betoog ik dat deze regel gegeneraliseerd dient te worden omdat zij ook de reikwijdte van aansprakelijkheid vanwege wanprestatie beheerst.
381. In het navolgende werk ik eerst voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad uit hoe het begrenzen van aansprakelijkheid aan de hand van het doel van de geschonden norm zich laat rechtvaardigen (§ 8.2). Vervolgens bespreek ik in welke gevallen deze begrenzing niet wordt toegepast en tot onredelijke resultaten zou leiden (§ 8.3). Daarna behandel ik de rechtvaardiging voor deze begrenzing van aansprakelijkheid in het geval van kwalitatieve aansprakelijkheid (§ 8.4). Vervolgens bespreek ik voor de situatie van aansprakelijkheid wegens tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst hoe deze begrenzing zich laat rechtvaardigen (§ 8.5). De verhouding van deze begrenzing tot de leer van Pothier4 komt daarna aan de orde (§ 8.6). Daarna behandel ik de meerwaarde van deze grens ten opzichte van de in hoofdstuk 9 t/m 11 te bespreken grenzen aan aansprakelijkheid (§ 8.7). Ik sluit af met een samenvatting (§ 8.8).