Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/6.4
6.4 Afronding
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715365:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het citaat luidt: “La matière dont est traitée le chemin du crime, et la préparation et la tentative, dans le droit pénal d’un pays, pourrait servir de pierre de touche pour formuler les conceptions générales qu’on possède sur la finalité du droit de punir. On peut même en déduire le degré de développement du sens juridique de l’élite qui gouverne et dirige la nation.” Zie: Verbruggen 2004, p. 9 en voetnoot 1; Prakken & Roef 2004, p. 269; Monballyu 1990, p. 301.
Zie §1.2.1 en §1.4.
Verbruggen 2004, p. 9 en voetnoot 1; Prakken & Roef 2004, p. 269.
Het oorspronkelijke citaat luidt: “De democratie is niet een staatsvorm voor bange mensen, niet voor mensen die voor elke politieke beweging of elke politieke verandering angstig zijn. Wij mogen niet de orde en rust bij voorbaat stellen boven de vrijheid van het woord en de vrijheid van meningsuiting.” (Handelingen II 1967/68, nr. 49, p. 2132).
In de literatuur omtrent strafbaarheid in de voorfase circuleert een oud, Franstalig citaat van de Vlaamse rechtsgeleerde Nico Gunzburg dat – vrij vertaald – de stelling poneert dat de wijze waarop het strafrecht van een land omgaat met de voorfase van een strafbaar feit veelzeggend is voor de in dat land geldende ideeën over het recht om te straffen en de mate waarin haar bestuur juridisch gevoel heeft ontwikkeld.1 Wat dat betreft is de huidige stand van zaken, vooral als het gaat om de strafbaarheid van voorbereidingshandelingen, wellicht ook veelzeggend. Met allerlei zelfstandig strafbaar gestelde voorbereidingshandelingen vertoont het hedendaagse strafrecht op het gebied van voorbereiding immers de nodige overeenkomsten met de middeleeuwse stand van zaken omtrent de strafbaarheid van pogingshandelingen. Dat we naast deze zelfstandige strafbaarstellingen ook nog een algemeen voorbereidingsleerstuk kennen, toont dan vooral aan dat het in het citaat bedoelde bestuur juridisch gezien betrekkelijk weinig heeft geleerd van de invoering van de algemene pogingsleer, die immers juist als doel had vrijwel alle zelfstandige strafbaarstellingen van pogingshandelingen te vervangen.
Veel meer lijkt de huidige stand van zaken in de voorfase te zeggen over de geldende ideeën over het recht om te straffen. Zoals hiervoor is betoogd, lijkt daarbij sluipenderwijs een paradigmawisseling plaats te vinden, waarbij het liberale perspectief over strafbaarheid in de voorfase het in toenemende mate aflegt tegen met name het communitaristische perspectief. De vraag rijst daarbij of deze ontwikkeling zich enkel voordoet in de voorfase of dat hier sprake is van een breder fenomeen. Alleen al vanwege de beperkte reikwijdte van dit onderzoek kan die laatste, verstrekkende conclusie hier (nog) niet worden getrokken. Zowel de wijze waarop perspectieven zijn geoperationaliseerd als de selectie van beginselen zijn immers specifiek toegespitst op de grenzen van het strafrecht in de voorfase.2 Dat neemt niet weg dat het nut van zowel het raamwerk van Ferrajoli als de geschetste perspectieven op conceptueel niveau niet beperkt blijven tot de werking van de behandelde materieelrechtelijke beginselen in de voorfase. De aan de perspectieven ten grondslag liggende stelling is immers het meer algemene idee dat daar waar juristen schrijven over de grenzen van het strafrecht, rechtspolitieke inzichten relevant zijn. Dat lijkt wellicht een open deur, maar wordt in de in het kader van dit onderzoek bestudeerde literatuur bij de toepassing van rechtsbeginselen zelden geëxpliciteerd. Het zou de discussie over beginselen inhoudelijk op een hoger niveau kunnen brengen en bovendien de verhoudingen tussen de rechtsgeleerdheid en de politiek ten goede komen als dat meer zou worden gedaan.
Dat hoeft mijns inziens overigens, zoals hiervoor reeds bleek, niet te betekenen dat de rechtsgeleerdheid geen suggesties zou kunnen doen voor de verbetering van het positieve recht. Niet voor niets streven de meeste auteurs ernaar binnen de kaders van de democratische rechtsstaat een balans te vinden tussen alle drie de hiervoor geschetste perspectieven. Vooral als in het positieve recht een bepaald perspectief in de knel raakt, is het van belang dat de politiek en samenleving daarop worden gewezen, ook als dat ingaat tegen de waan van de dag en wellicht in eerste instantie aan dovemansoren lijkt te zijn gericht. In het geval van de voorfase is het dan ook niet verrassend dat juridische auteurs vooral de bescherming van liberale waarden op zich nemen. Als bovendien de wijze waarop een samenleving omgaat met strafbaarheid in de voorfase veel zegt over de wijze waarop zij denkt over het recht om te straffen, dan zegt het moment waarop die strafbaarheid intreedt misschien wel evenveel over het niveau van angst en onrust in de samenleving.3 En, om minister van justitie Polak te parafraseren: de democratische rechtsstaat is geen staatsvorm voor bange mensen.4