Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/9.2.3
9.2.3 Europese entiteiten met statutaire zetel in Nederland
mr. drs. C.M. Harmsen , datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180295:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 5.3.
Artikel 3 lid 4 Uitv. EESV.
Hetzelfde geldt op grond van artikel 61 SE-verordening voor de geconsolideerde jaarrekening wanneer de SE deze moet opstellen, het begeleidend jaarverslag, de controle en de openbaarmaking ervan.
Met de mogelijkheid van verlenging met vijf maanden als bedoeld in artikel 2:101 BW.
Hetzelfde geldt op grond van artikel 68 lid 1 SCE-verordening voor de geconsolideerde jaarrekening wanneer de SE deze moet opstellen, het begeleidend jaarverslag, de controle en de openbaarmaking ervan.
In de tekst van artikel 68 lid 1 SCE-verordening wordt verwezen naar de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG.
H. Beckman, bewerkt door H. Beckman en E. Marseille, Hoofdlijnen van het jaarrekeningenrecht in Nederland, Deventer: Kluwer 2013, tweede druk, p. 669, noot 30.
Met de mogelijkheid van verlening met vier maanden als bedoeld in artikel 2:58 BW.
De EESV-verordening kent geen specifieke bepaling waarin een jaarrekeningplicht aan het EESV wordt opgelegd. Ook kent de EESV-verordening geen specifieke bepaling omtrent het op het EESV toepasselijke recht.1 De Uitv. EESV verplicht het EESV met statutaire zetel in Nederland wel om een jaarrekening te laten onderzoeken door een accountant als bedoeld in artikel 2:393 BW.2 Uit artikel 3 lid 4 Uitv. EESV volgt dat de balans en de staat van baten en lasten moeten worden voorzien van een toelichting en dat deze stukken tezamen de jaarrekening van het EESV vormen. Aan de Uitv. EESV kan dus een impliciete verplichting voor het EESV worden ontleend een jaarrekening te maken en deze te laten controleren. De Uitv. EESV geeft geen termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden.
De SE is op grond van artikel 61 SE-verordening voor onder meer het opstellen van haar jaarrekening3 onderworpen aan de wetgeving voor naamloze vennootschappen in de lidstaat waar de SE haar statutaire zetel heeft. Daaruit volgt dat voor de SE met een statutaire zetel in Nederland voor het opmaken van de jaarrekening de in artikel 2:101 BW genoemde termijn van vijf maanden geldt.4 Ook zonder deze specifieke bepaling zou dit voortvloeien uit artikel 10 SE-verordening, waarin is bepaald dat een SE met een statutaire zetel in een bepaalde lidstaat moet worden behandeld overeenkomstig de wijze waarop een naamloze vennootschap opgericht in die lidstaat wordt behandeld. De Uitv. SE bevat geen (aanvullende) bepalingen ter zake van de jaarrekeningplicht voor de SE.
Voor de SCE geldt op grond van artikel 68 lid 1 SCE-verordening dat het opstellen van de jaarrekening5 is onderworpen aan de wettelijke bepalingen die de lidstaat waar de SCE statutair gevestigd is, vastgesteld heeft ter uitvoering van de Vierde en Zevende Richtlijn,6 zij het dat lidstaten kunnen voorzien in wijzigingen in nationale bepalingen ter uitvoering van die richtlijnen om rekening te houden met het specifieke karakter van coöperaties. Voor een SCE met haar statutaire zetel in Nederland betekent dit dat artikel 2:58 BW op die SCE van toepassing is.7 Voor de SCE geldt daarmee een verplichting om binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening op te maken.8 De Uitvoeringswet SCE bevat geen (aanvullende) bepalingen ter zake van de jaarrekeningplicht voor de SCE.