Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/2.0:2.0
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/2.0
2.0
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS620306:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling van de taak van de zittingsrechter op het gebied van het controleren en reageren op vormfouten van politie en OM in het voorbereidend onderzoek besproken. De tamelijk chronologische opbouw mondt uit in een beeld van de huidige taak van de zittingsrechter en van de doeleinden waarvoor geldt dat hij die móet nastreven en van de doeleinden die hij eventueel kán nastreven. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan verschillen van opvatting over die taak en taakuitoefening. De gerichtheid van dit onderzoek op mogelijke verbetering van de huidige rechtspraak rechtvaardigt de beperking van het historische deel van deze schets tot die aspecten die belangrijk zijn voor een goed begrip van de hedendaagse rechtspraak en de daaraan te stellen eisen.
Wie bepaalt eigenlijk of sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek? Wie bepaalt in hoeverre de zittingsrechter aandacht besteedt aan dergelijke vormfouten? En wie bepaalt of en, zo ja welk rechtsgevolg een vormfout in het strafproces heeft? Drie cruciale vragen binnen het leerstuk van het reageren op vormfouten. De eerste vraag betreft de inhoud van strafprocesrechtelijke regels waaraan politie en OM zich moeten houden. De tweede vraag heeft betrekking op de aard en omvang van de door de zittingsrechter uitgeoefende controle op de naleving van deze regels. De derde vraag ziet op de verschillende mogelijke rechtsgevolgen van vormfouten en hun toepassingsbereik. Het antwoord op elk van deze vragen is vooral in de tweede helft van de vorige eeuw sterk gewijzigd. Aan het begin van de vorige eeuw luidde het antwoord op alle drie deze vragen: de wetgever. Aan het eind van die eeuw was het zwaartepunt bij de beoordeling of sprake is van een vormverzuim en bij de vormgeving van de controle op het voorbereidend onderzoek een heel eind naar de rechter opgeschoven, terwijl het bepalen van de rechtsgevolgen van vormverzuimen bij uitstek een taak van de rechter was geworden.