Einde inhoudsopgave
Het recours objectif, een herwaardering (SteR nr. 56) 2022/6.5
6.5 Digitale besluitvorming
mr. B. Assink, datum 01-09-2022
- Datum
01-09-2022
- Auteur
mr. B. Assink
- JCDI
JCDI:ADS675371:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wellicht is het Aerius-rekeninstrument voor stikstofdispositieberekeningen het bekendst van deze drie.
Hierover bijvoorbeeld Uylenburg 2019, m.n. p. 762 e.v.
Zie in dit kader bijvoorbeeld ook Goossens, Hirsch Ballin & Van Vugt 2021; Passchier 2020, p. 919-920; De Poorter & Goossens 2020; Wolswinkel 2020; Uylenburg 2019; Van Eck 2018; Voermans 2017, p. 73 en AbRvS 17 mei 2017, Gst. 2017/170 m. nt. B. Assink. Vgl. Groothuis 2005 over eerdere gedachten op het vlak van normering van digitale besluitvorming.
Kamerstukken II 2017-2018, 26 643, nr. 557 (advies van de Afdeling advisering van de Raad van State inzake de effecten van digitalisering voor de rechtsstatelijke verhoudingen). Zie ook de publicatie van de Raad van State “Digitalisering. Wetgeving en bestuursrechtspraak” van mei 2021.
Zie bijvoorbeeld hoofdstuk 3 van het hiervoor genoemde advies van de Raad van State inzake de effecten van digitalisering voor de rechtsstatelijke verhoudingen en Passchier 2020, p. 922-927.
Naast de invloed van het bedrijfsmatige denken en de mate van verwezenlijking van het recours objectif, wordt de kwaliteit van dienend bestuur beïnvloed door de sterke groei die de bestuursmacht doormaakt ten opzichte van de andere staatsmachten in de trias politica. In de volgende paragrafen komen daartoe de grotere rol van discretionaire bevoegdheden en bestuursregelgeving aan bod. Maar eerst moet nog worden gewezen op een andere relevante factor in het krachtenveld tussen het openbaar bestuur en de rechtsprekende en wetgevende macht, namelijk de toegenomen digitale besluitvorming. Dat wil zeggen besluitvorming waarvan de inhoud grotendeels wordt bepaald door de uitkomsten van door bestuursorganen gebruikte computerprogramma’s.
Digitale besluitvorming doet zich (vooralsnog) met name voor op bepaalde terreinen van het bijzondere bestuursrecht, zoals omgevingsrechtelijke besluitvorming met een geluids- of stikstofcomponent en het belastingrecht.1 In veel gevallen hebben bestuursorganen dan een kennisvoorsprong ten opzichte van de bestuursrechter en de wetgevende instanties, omdat zij doorgaans beter thuis zijn in de technische werking van de eigen - vaak complexe - programmatuur. In combinatie met het feit dat de kenbaarheid van de onderliggende algoritmen vaak te wensen overlaat,2 is digitale besluitvorming voor de rechtsprekende en wetgevende organen dikwijls behoorlijk ondoorzichtig en moeilijk te doorgronden en controleren. In dit verband wordt ook wel gesproken van het black box karakter van bestuurlijke besluitvorming.3 De achterblijvende ‘digitaliseringsgraad’ van de wetgevende en rechtsprekende organen roept onder meer vragen op rond het machtsevenwicht in de trias politca. Heeft het bestuur bij digitale besluitvorming inmiddels een te sterke positie ingenomen? Deze kwestie werd onlangs nog door de Raad van State in een ongevraagd advies aan de orde gesteld.4 Vooralsnog worden de meeste oplossingen gezocht in het verbeteren van de normering van digitale besluitvorming en het verhogen van het ‘digitale kennisniveau’ van de wetgevende en rechtsprekende instanties.5
Digitale besluitvorming betekent naar haar aard niet dat de bestuursrechter wat betreft de indringendheid van zijn rechtmatigheidstoetsing ‘op afstand’ moet staan (in tegendeel). Bij de uitoefening van discretionaire bevoegdheden en het vaststellen van bestuursregelgeving is dat wel het geval. Omdat deze typen besluitvorming tevens al lang wijdverbreid zijn, wordt hierna uitgebreider ingegaan op deze twee vormen van besluitvorming.