Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking
Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/1.3:1.3 Vraagstelling
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/1.3
1.3 Vraagstelling
Documentgegevens:
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS198047:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
[11] Dit proefschrift gaat over de botsing tussen rechtsplichten van de rechtspersoon uit onmiddellijke voorzieningen en zijn rechtsplichten uit contractuele verhoudingen (het derde scenario). Het uitgangspunt is dat de Ondernemingskamer bij het treffen van een onmiddellijke voorziening de effecten van die botsing op de rechtspersoon dient te doorgronden.1 Verondersteld wordt dat de wederpartij acties heeft op grond van niet-nakoming door de rechtspersoon ten gevolge van de onmiddellijke voorziening, zodat de rechtspersoon van die botsing nadeel of last kan ondervinden.2 In dat geval behoeft de Ondernemingskamer inzicht in dat nadeel. Daarom staat de volgende vraag centraal in dit onderzoek.
Welke negatieve effecten ondervindt de rechtspersoon, die ten gevolge van een onmiddellijke voorziening een contractuele verplichting niet nakomt, van de reactie van zijn wederpartij op die tekortkoming?
Om die vraag te kunnen bespreken is inzicht nodig in de mogelijke reacties van de wederpartij. Die reacties zijn afhankelijk van zijn rechtspositie. De mate waarin hij zijn rechtspositie in rechte kan effectueren is van invloed.
Dat leidt tot de volgende vragen.
Wat is de rechtspositie van de contractuele wederpartij van de rechtspersoon?
Welke rechten kan de wederpartij laten gelden en welke vorderingen kan hij met succes instellen?
[12] De observatie dat de Ondernemingskamer bij de beslissing over de onmiddellijke voorziening inzicht in het te verwachten nadeel nodig heeft, roept nog andere vragen op.
Kan de Ondernemingskamer voorafgaand aan haar beslissing informatie verwerven over de rechtspositie van de wederpartij?
Kan de Ondernemingskamer voldoende informatie verwerven om de proceskansen van de wederpartij te schatten?
Wordt de Ondernemingskamer bij het verwerven van informatie over de rechtspositie en de proceskansen van de wederpartij geconfronteerd met hindernissen en beperkingen?
Deze laatste vragen komen en passant aan de orde; het zwaartepunt ligt hier niet.3
[13] Om te kunnen geraken tot de conclusie dat het derde scenario geldend recht is, worden het eerste en het tweede scenario – prevaleert hetzij de contractuele verplichting, hetzij de voorziening? – in de beschouwing betrokken. Er wordt enige aandacht besteed aan de vraag:
Is er een rangorde tussen verplichtingen van de rechtspersoon uit een contractuele verhouding en verplichtingen uit een onmiddellijke voorziening?