Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.3.1
6.3.1 Algemene uitgangspunten
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS464374:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 19 maart 2002, JOR 2002, 127 (Text Lite Holding, m.nt. De Kluiver): ‘The courts notes, in relation to the first complaint, that the inquiry was ordered with a view to obtaining information as to the state of affairs of the company, and as to the causes thereof, in order to take certain measures in favour of a better functioning of the company. It was not the purpose of the inquiry to secure evidence concerning the applicants’ or any other person’s individual legal liability. Moreover, the investigator’s report did not, and could not, of itself “determine” → the applicants’ “civil rights and obligations”. Nor were the findings it contained in themselves binding on the Enterprise Section of the Amsterdam Court of Appeal or any other tribunal. There was therefore, for the purposes of Article 6 § 1 of the Convention, no reason for the applicants to be called to participate in the proceedings until the report was submitted to the Enterprise Section. From this it follows that, until the investigator finalised his report and submitted it to the Enterprise Section, the question of fairness in the sense of Article 6 § 1 of the Convention vis-à-vis the applicants could not arise.’ Zie in soortgelijke zin HR 10 januari 1990,NJ 1990, 466, r.o. 6.1 (OGEM Holding, m.nt. Maeijer).
Zie over een en ander ook Numann (Rechtsvordering), art. 236 Rv, aant. 2.
Asser ((Rechtsvordering), art. 67 (oud) Rv, aant. 4) en Numann ((Rechtsvordering), art. 236 Rv, aant. 5) benadrukken dat de omstandigheid dat een vonnis nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, ‘niet wil zeggen dat het geen rechtskracht – of zo men liever wil: rechtsgevolg of werking – zou bezitten. Dit heeft het namelijk van het moment dat het is uitgesproken. Vonnissen werken aanstonds (...).’
194. Rechterlijke uitspraken hebben op verschillende wijzen werking. Te onderscheiden zijn de zelfwerkende kracht, de executoriale kracht, kracht van gewijsde, de bindende kracht in een ander geding (gezag van gewijsde) en (vrije) bewijskracht.1 Dat een rechterlijke uitspraak zelfwerkende kracht heeft, betekent dat zij niet vrijblijvend is, maar bindt. De uitspraak bepaalt rechten en verplichtingen, zij legt een rechtstoestand vast. In beginsel gaan de uit de uitspraak voor partijen voortvloeiende verplichtingen in op het moment dat zij wordt gedaan. De executoriale kracht van de rechterlijke uitspraak maakt het mogelijk dat zij ten uitvoer wordt gelegd door een van de partijen bij die uitspraak, vertegenwoordigd door een daartoe bevoegde ambtenaar (de deurwaarder). De partij die van de executoriale kracht gebruik wil maken, moet de uitspraak eerst doen betekenen aan de wederpartij alvorens tot executie over te kunnen gaan (art. 430 lid 3 Rv). De uitspraak heeft in beginsel ook executoriale kracht gedurende de periode dat zij nog niet in kracht van gewijsde is gegaan. Zij verkrijgt kracht van gewijsde indien daartegen geen gewone rechtsmiddelen (onder andere hoger beroep, verzet en cassatie) meer openstaan en zij niet meer kan worden aangetast door een van deze rechtsmiddelen.2 Door het instellen van bijvoorbeeld hoger beroep wordt met name het afdwingbare karakter van de uitspraak geraakt3: de executie wordt geschorst, tenzij de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.4Gezag van gewijsde betreft de bindende kracht van de in een rechterlijke uitspraak (mits deze kracht van gewijsde heeft verkregen) vervatte beslissingen aangaande de rechtsbetrekking in geschil tussen dezelfde partijen in een ander geding, gesteld dat een van hen zich daarin op de bindende kracht beroept. De rechter in ‘het andere geding’ is bij het geven van zijn beslissing gebonden aan de beslissingen in de eerdere rechterlijke uitspraak: deze zijn onbetwistbaar. Ten slotte, het gezag van gewijsde dient uitdrukkelijk te worden onderscheiden van de eventuele bewijskracht van rechterlijke uitspraken. De in civielrechtelijke uitspraken vervatte oordelen – door (een van) de partijen in het latere geding ingebracht – omtrent de feiten hebben in beginsel vrije bewijskracht, hetgeen inhoudt dat de rechter het in het latere geding van de omstandigheden van het geval zal laten afhangen of, en zo ja, welke bewijswaarde hij hecht aan de in dat geding ingebrachte uitspraak uit het eerdere geding (vergelijk art. 152 Rv5).