Einde inhoudsopgave
De grenzen voorbij (NJV 2019-1) 2019/
Inleiding
dr. L.J.M. Boer LL.M, prof. dr. W.G. Werner, datum 01-05-2019
- Datum
01-05-2019
- Auteur
dr. L.J.M. Boer LL.M, prof. dr. W.G. Werner
- JCDI
JCDI:ADS377526:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Internationaal publiekrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Charles Verge, voorwoord tot de tweede editie van G.F. Von Martens, Précis du droit des gens modernes de l’Europe: 1864 (opnieuw uitgebracht door Nabu Press: 2012)
Karl Marx, Grundrisse der Kritik der politischen Ökonomie: 1864 (opnieuw uitgegeven door Diets Verlag: 1983), ook beschikbaar via: https://dhcm.inkrit.org/wp-content/data/mew42.pdf (p. 438).
David Harvey, The Condition of Postmodernity: An Enquiry into the Origins of Cultural Change, Cambridge MA: Blackwell: 1990. Zie ook Cedric Ryngaert en Mark Zoetekouw, ‘The End of Territory? The Re- Emergence of Community as a Principle of Jurisdictional Order in the Internet Era’, in: The Net and the Nation State: Multidisciplinary Perspectives on Internet Governance, Uta Kohl (ed.), Cambridge University Press: 2017, p. 185-201, 200.
Zie onder andere: Hartmut Rosa, Social Acceleration, A New Theory of Modernity, Columbia University Press: 2015; Peter Conrad, Modern Times and Modern Places: How Life and Art Were Transformed in a Century of Revolution, Innovation and Radical Change, Knopf: 1999; Marshal Berman, All That is Solid Melts Into Air: The Experience of Modernity, Penguin: 1988. Reinhard Koselleck, Vergangene Zukunft. Zur Semantik geschichtlicher Zeiten, Suhrkamp: 1989; Paul Virilio, Speed and Politics, MIT Press: 1977. Voor een discussie over de gevolgen voor het volkenrecht zie: Wouter G. Werner, 'Regulating Speed: Social Acceleration and International Law', in: Moshe Hirsch en Andrew Lang, Research Handbook on the Sociology of International Law, Edward Elgar: 2018, hoofdstuk 5.
Niklas Luhmann, ‘Die Weltgesellschaft’, 1 Archiv für Rechts- und Sozialphilosophie 57 (1971), p. 1-35.
Zo begint het rapport van de International Law Commission over de fragmentatie van het internationaal recht met een korte analyse van op Luhmann’s werk gebaseerde theorieën van globalisering. International Law Commission, ‘Fragmentation of International Law: Difficulties Arising From the Diversification and Expansion of International Law’, A/CN.4/L.682 (2006), para 7. Zie voor de discussie over de rol van experts in een gefragmenteerde internationale orde ook: Martti Koskenniemi, ‘Constitutionalism, Managerialism and the Ethos of Legal Education’, 1 European Journal of Legal Studies (2007); David Kennedy, A World of Struggle: How Power, Law, and Expertise Shape Global Political Economy, Princeton University Press: 2016.
S.S. Lotus (Fr. v. Turk.), 1927 P.C.I.J. (ser. A) No. 10 (Sept. 7).
Voor een algemene schets van dit debat, zie Lianne J.M. Boer, “Spoofed Presence Does not Suffice’: On Territoriality in the Tallinn Manual’, in: Martin Kuijer en Wouter Werner (eds.), Netherlands Yearbook of International Law 2016: The Changing Nature of Territoriality in International Law, T.M.C. Asser Press: 2017, p. 131-145; deze vraag in het bijzonder is gebaseerd op William S. Byassee, ‘Jurisdiction of Cyberspace: Applying Real World Precedent to the Virtual Community’, 30 Wake Forest Law Review 197 (1995), p. 198; zie hiervoor ook Boer, Spoofed Presence, specifiek p. 138 en voetnoot 47.
Nicholas Tsagourias, `The Legal Status of Cyberspace', in: Research Handbook on International Law and Cyberspace, Nicholas Tsagourias en Russell Buchan (eds.), Edward Elgar Publishing, Inc.: 2015, p. 15. Voor een zeer verhelderende analyse – en radicale herziening – van deze vraag, zie Julie E. Cohen, ‘Cyberspace as/and Space’, 107 Columbia Law Review 210 (2007).
De rol van territoir in de internationale betrekkingen is al lange tijd onderwerp van discussie. In 1864 voorspelde de Franse volkenrechtgeleerde Charles Vergé reeds dat de ontwikkeling van de economie, de technologie en de moraal zouden leiden tot een nieuw soort internationaal recht. Dit recht zou niet meer (uitsluitend) zijn gebaseerd op het bestaan van territoriaal afgebakende staten, maar zijn geworteld in een wereldgemeenschap met gedeelde waarden en belangen. Lang voor de opkomst van digitalisering en flitskapitaal betoogde Vergé dat “geld nooit een vaderland heeft gekend” en zich met grote snelheid over staatsgrenzen heen beweegt.1 Ook vanuit Marxistische hoek werd het belang van grondgebied al in de negentiende eeuw ter discussie gesteld. Marx zelf voorspelde in zijn Grundrisse dat de toenemende versnelling van kapitalistische productie, transport en communicatie zou leiden tot de ‘vernietiging van ruimte door de tijd’.2 Dit inzicht werd ruim een eeuw later nader uitgewerkt in de these van de zogenoemde ‘time-space compression’, ontwikkeld door de geograaf David Harvey3 en in verschillende sociologische theorieën over de acceleratie van (post-)moderne maatschappijen.4 De intensivering van globalisering sinds de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw heeft deze theorieën extra zeggingskracht verschaft.
Processen van globalisering hebben bovendien bijgedragen aan een steeds verdere specialisering van maatschappijen, een trend die opnieuw vragen deed rijzen ten aanzien van de rol van grondgebied in de politieke en juridische betrekkingen. In 1971 voorspelde de Duitse socioloog Niklas Luhmann dat globalisering zou leiden tot een verschuiving van ‘territorialiteit naar functionaliteit’.5 In de plaats van een orde die is gebaseerd op territoriaal afgebakende staten zou een nieuwe wereldorde opkomen, gebaseerd op globale communicatieprocessen binnen functioneel gespecialiseerde velden zoals de handel, monetaire transacties of de ecologie. Binnen deze velden zouden (wetenschappelijke) experts een sleutelrol innemen. Enkele decennia later zouden Luhmanns inzichten worden opgepakt in volkenrechtelijke discussies over de fragmentatie van het internationaal recht en de daarmee samenhangende rol van experts binnen functionele deelgebieden.6
Met het thema ‘territoir en jurisdictie’ heeft het bestuur van de NJV daarom gekozen voor een rijk, actueel, maar ook complex onderwerp. Het moge duidelijk zijn dat de rol van territoir een andere is dan bijvoorbeeld in 1927, toen het Permanent Hof verklaarde dat “international law governs the relations between indepedent states”.7 Tegelijkertijd is ‘territoir’ van onverminderd belang gebleken in het internationaal recht: territoriaal afgebakende staten zijn nog altijd van essentieel belang in het volkenrecht en ook bij functioneel gespecialiseerde regimes blijft vaak de vraag relevant waar hun territoriale grenzen zich bevinden. Ook waar het internationaal recht tracht universele waarden of belangen te beschermen, blijkt vaak dat de concrete handhaving toch afhangt van de medewerking van territoriaal begrensde staten.
Dit roept de vraag op welke rol (of beter: welke rollen) territoir speelt in de hedendaagse internationale rechtsorde. In dit preadvies trachten wij een bijdrage te leveren aan de beantwoording van deze vraag. Gezien de complexiteit van het onderwerp is enige bescheidenheid gepast: de rol van territoir kan per rechtsgebied verschillen en het is niet mogelijk om een overkoepelend concept van territoir te ontwikkelen dat zonder meer kan worden toegepast op alle deelgebieden van het recht. Wat wel mogelijk is, is het reconstrueren van enkele concepties van territoir die in volkenrechtelijke debatten een rol spelen of hebben gespeeld. Deze concepties kunnen dan worden gebruikt om op een genuanceerder manier de vraag te beantwoorden of nieuwe ontwikkelingen zoals cyberspace het belang van territorialiteit in het volkenrecht inderdaad ondermijnen – of juist bevestigen.
Wij zullen dit doen aan de hand van een analyse van drie manieren waarop ‘territoir’ is begrepen in de geschiedenis van het internationaal recht. Het eerste model is dat van territoir als een serie unieke plaatsen, die worden gereguleerd door overlappende en niet-exclusieve vormen van jurisdictie. Zoals we in de eerste paragraaf zullen uiteenzetten, is dit het model dat centraal stond in de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. Zelfs de Westfaalse Vredesverdragen van 1648, die vaak als het symbool van de opkomst van de moderne soevereine staat worden gezien, hanteren nog dit model van territorialiteit, zoals we zullen illustreren in paragraaf 1. In paragraaf 1 bespreken we ook het tweede model van territoir: een homogene en abstracte ruimte, bepaald door lengte- en breedtegraden. Dit model, dat zou uitmonden in een algemeen concept van de territoriaal begrensde soevereine staat, zal in het begin van ons advies worden gecontrasteerd met de middeleeuwse conceptie van grondgebied. In de tweede paragraaf gaan we in op de relatie tussen territorialiteit, aansprakelijkheid, en grensoverschrijdende vormen van jurisdictie. De verplichtingen van de staat zijn verbonden aan bepaalde politieke ontwikkelingen die zich voordoen en kunnen dus ook met de tijd van aard veranderen: denk aan de opkomst van erga omnes-verplichtingen. In de derde paragraaf zullen we dieper ingaan op een vaak onderbelicht aspect van het moderne concept van territoir. Het moderne volkenrecht is immers niet alleen gebaseerd op een afbakening tussen soevereine staten, maar evenzeer op een afbakening tussen grondgebied dat toebehoort aan soevereine staten en grondgebied dat toebehoort aan de mensheid als geheel. In de derde paragraaf zullen wij uiteenzetten hoe het grondgebied dat toebehoort aan de mensheid als geheel in het volkenrecht is geconceptualiseerd. Hiertoe maken wij een onderscheid tussen het vroegmoderne concept van de ‘lege’ ruimte (zoals in het werk van Vitoria en Grotius is terug te vinden) en het concept van de ruimte die dient te worden beheerd en beschermd voor de mensheid en haar nazaten (zoals terug te vinden in verdragen in de 20e en 21e eeuw).
In de vierde paragraaf zullen we de gereconstrueerde concepties van grondgebied toepassen op hedendaagse rechtswetenschappelijke debatten over de regulering van cyberactiviteiten. De vraag die in deze debatten centraal staat, is of het mogelijk is jurisdictie uit te oefenen over activiteiten die zich in een ‘virtuele’ wereld afspelen.8 De noemer ‘virtueel’ suggereert het bestaan van een niet-fysieke ruimte waarvan we ons zouden kunnen afvragen of deze ‘echt’ bestaat. Het debat over jurisdictie en territorialiteit in cyberspace wordt dus gekenmerkt door tal van verschillende concepties over wat cyberspace nu eigenlijk voor ‘plek’ is.9 Vaak worden activiteiten in cyberspace gepresenteerd als een ondermijning van een op territoir gebaseerde rechtsorde. Het is echter de vraag of deze conclusie overeind blijft als meer recht wordt gedaan aan de rijkdom aan concepties van territoir die is te vinden in het internationaal recht. In onze vijfde en laatste paragraaf geven we enkele overwegingen over de relatie tussen territoir, de staat en het internationaal recht.