Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/1.1.2
1.1.2 Aandachtspunten voor de moedermaatschappij en crediteuren met betrekking tot de 403-aansprakelijkheid
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250391:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 1.1.1.
Nagelkerke 1985, p. 212, Ten Voorde 2011, p. 196 en E.C.A. Nass 2019, p. 15-16.
Het is opmerkelijk dat zowel SNS REAAL als SNS Bank een 403-verklaring heeft gedeponeerd ten aanzien van Property Finance. Als een 403-maatschappij gebruikmaakt van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime hoeft er maar één 403-verklaring ten aanzien van haar te zijn gedeponeerd. Dit is slechts anders als de moedermaatschappij en een andere groepsmaatschappij nevengeschikt zijn. Daarvan is bij SNS REAAL en SNS Bank echter geen sprake. Zie § 2.3.6.a.
Zie Kamerstukken II 2012/13, 33532, 1 (Brief van de Minister van Financiën), bijlage 3, nrs. 29 en 30. Ik merk op dat Property Finance vrijwel volledig gefinancierd was door SNS Bank. Property Finance was niet in staat om deze lening volledig terug te betalen aan SNS Bank. Dit zou mogelijk ook tot het faillissement van SNS Bank hebben kunnen leiden.
Stcrt. 2013, 3018.
Kamerstukken II 1983/84, 16551, 11, p. 15 (NnavhEV), Van Achterberg 1989, p. 229, Bartman 2002, p. 24-25, Van Wijngaarden 2006a, p. 619, Zwemmer 2012, p. 238-239, Beckman – SDU Commentaar Ondernemingsrecht 2019, art. 2:404 BW, aant. C.1, Van Zoest 2019, p. 32-33, E.C.A. Nass 2019, p. 141 en 231 en Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2020, p. 226-227. Zie art. 2:404 lid 2 BW en § 8.2.1.
Hof Amsterdam 24 december 1992, rolnr. 863, 91 (Hypo/Kap) aldus Bartman, Dorre-steijn & Olaerts 2020, p. 230, Rb. Utrecht 31 juli 1996, JOR 1996/96 (Manning q.q./Haverkort Bouwgroep), Rb. Rotterdam 15 april 1999, JOR 1999/119 (Lely Industries/Netagco Holding), Rb. Almelo 24 juni 2008, JOR 2008/227, m.nt. Bartman (Hoeveholding), Rb. Rotterdam 16 april 2009, JOR 2009/161, m.nt. Van der Zanden (BosGijze/Jones Lang LaSalle), Hof Amsterdam (OK) 12 januari 2010, JOR 2010/94, m.nt. Bartman (Hoeveholding), Hof Amsterdam (OK) 30 september 2010, JOR 2010/306, m.nt. Bartman (Jones Lang LaSalle/BosGijze), Rb. Utrecht 10 november 2010, JOR 2011/16, m.nt. Bartman (De With/Lekkerkerker) en Hof Amsterdam (OK) 23 juli 2014, JOR 2014/233, m.nt. Bartman (Van Lieshout/Koks).
Hof Amsterdam (OK) 23 juli 2014, JOR 2014/233, m.nt. Bartman (Van Lieshout/Koks), r.o. 2.11 en 3.10.
Ik kom hier uitgebreid op terug in § 7.6.
Zie § 3.4.1.
Zie over de Shell-casus ook § 3.5.3, § 4.9 en § 7.8.
Zie E.C.A. Nass 2018, p. 167.
Kamerstukken II 2017/18, 33529, 423 (Brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer).
Zie Van Dooren 2018a, p. 61 en E.C.A. Nass 2020, p. 141, en de daar aangehaalde berichten in de media.
Zie Van Dooren 2018a, p. 62. Zie ook E.C.A. Nass 2020, p. 145, 146, 148 en 149, waar zij erop wijst dat de Staat en (onder meer) Shell een akkoord op hoofdlijnen hebben gesloten op grond waarvan Shell garanties zal geven waardoor de NAM haar verplichting tot vergoeding van schade te allen tijde kan nakomen (zie Kamerstukken II 2017/18, 33529, 493 (Brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer), en Bijlage 1 Akkoord op Hoofdlijnen met Shell en ExxonMobil). Bartman betwijfelt of dit voldoende zekerheid biedt voor de gedupeerden. Zie S.M. Bartman, ‘NAM-akkoord: garanties Shell en ExxonMobil bieden maar beperkte zekerheid’, Het Financieele Dagblad 2 juli 2018 en J. Kleinnijenhuis, ‘Hoogleraar: ‘Wiebes liet zich afbluffen bij gasdeal met Shell’’, Trouw 1 augustus 2018.
Als een moedermaatschappij zich door middel van een 403-verklaring aansprakelijk stelt, is het aan te raden dat zij en de crediteuren – van de 403-maatschappij – met een vordering op grond van deze verklaring, de aansprakelijkheid regelmatig evalueren. Zonder uitputtend te zijn, ga ik hieronder eerst in op drie aandachtspunten voor de moedermaatschappij met betrekking tot de 403-aansprakelijkheid en het risico dat dit met zich brengt voor de groep als geheel. Daarna wijs ik erop dat het voor de crediteuren van de 403-maatschappij van belang is dat zij zich ervan bewust zijn dat de 403-aansprakelijkheid geen ‘reguliere’ aansprakelijkheid is, maar een onderdeel van de compensatie die zij krijgen omdat zij de jaarrekening van de 403-maatschappij niet kunnen inzien.
Een eerste aandachtspunt voor de moedermaatschappij is dat door de aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring de compartimentering van risico’s en aansprakelijkheden binnen de groep grotendeels tenietgaat. Ik heb eerder opgemerkt dat een voordeel van een groepsstructuur is dat als een van de groepsmaatschappijen failleert, dit niet automatisch leidt tot het faillissement van de overige groepsmaatschappijen.1 Indien echter een 403-maatschappij failleert, zullen de crediteuren die onbetaald zijn gebleven zich op grond van de 403-verklaring verhalen op de moedermaatschappij. Het is mogelijk dat het faillissement van een 403-maatschappij leidt tot financiële problemen bij of zelfs het faillissement van de moedermaatschappij. Dit kan weer leiden tot financiële problemen en faillissementen bij andere groepsmaatschappijen.2 De vergelijking met een kaartenhuis waar een van de kaarten wegvalt, is snel gemaakt.
Bovengenoemd scenario dreigde zich begin 2013 voor te doen bij de SNS-groep. Door de afwaardering van haar vastgoedportefeuille zou SNS Property Finance BV (hierna: ‘Property Finance’) haar verplichtingen niet meer kunnen nakomen. Zowel SNS REAAL NV (hierna: ‘SNS REAAL’) als SNS Bank NV (hierna: ‘SNS Bank’) had zich door middel van een 403-verklaring aansprakelijk gesteld voor de uit rechtshandelingen van Property Finance voortvloeiende schulden.3 De vrees bestond dat een faillissement van Property Finance zou leiden tot een faillissement van SNS Bank en SNS REAAL.4 Dit zou grote gevolgen hebben voor het financiële stelsel in Nederland. Om dit te voorkomen heeft de Staat der Nederlanden effecten en vermogensbestanddelen van SNS REAAL en SNS Bank genationaliseerd.5
Een volgend aandachtspunt voor de moedermaatschappij met betrekking tot de 403-aansprakelijkheid, is de mogelijke exponentiële groei van deze aansprakelijkheid. De moedermaatschappij is op grond van de 403-verklaring aansprakelijk voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen van de 403-maatschappij. Als de 403-maatschappij zich op haar beurt aansprakelijk stelt voor de schulden van een derde – bijvoorbeeld omdat zij zich tot borg stelt –, is de moedermaatschappij ook voor deze schulden medeaansprakelijk. De aansprakelijkstelling van de 403-maatschappij is een rechtshandeling en dus vallen de schulden die daaruit voortvloeien onder de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring. Op die manier kan de omvang van de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij snel groter worden. Ook als de 403-maatschappij een overeenkomst met een lange looptijd aangaat – bijvoorbeeld de huur van een kantoorruimte voor tien jaar – kan dat in een keer veel aansprakelijkheid met zich brengen voor de moedermaatschappij. Alle schulden die in de toekomst uit deze overeenkomst voortvloeien, vallen onder de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid. Ook als de moedermaatschappij tussentijds de 403-verklaring intrekt.6
Een derde en laatste aandachtspunt voor de moedermaatschappij waar ik op wijs, is dat de 403-aansprakelijkheid een doorlopende aansprakelijkheid betreft. Als een moedermaatschappij een 403-verklaring heeft gedeponeerd, blijft zij aansprakelijk voor de schulden die uit (nieuwe) rechtshandelingen van de 403-maatschappij voortvloeien totdat zij deze verklaring intrekt.7 Uit de jurisprudentie zijn verschillende gevallen bekend waarbij een moedermaatschappij is vergeten de 403-verklaring in te trekken nadat de 403-maatschappij niet meer gebruikmaakt van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime.8 De moedermaatschappij blijft dan aansprakelijk voor de schulden die voortvloeien uit (nieuwe) rechtshandelingen van de 403-maatschappij. Zelfs als de 403-maatschappij al 21 jaar niet meer gebruikmaakt van de jaarrekeningvrijstelling.9 Slechts onder bijzondere omstandigheden is een beroep van een crediteur op een vergeten 403-verklaring onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ex art. 6:2 lid 2 BW.10
Naast bovengenoemde aandachtspunten voor een moedermaatschappij, wijs ik ook op een aandachtspunt voor de crediteuren met betrekking tot de 403-aansprakelijkheid. Voor hen is het van belang dat zij zich ervan bewust zijn dat de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring geen reguliere aansprakelijkheid is, maar dat dit samen met de mogelijkheid om de geconsolideerde jaarrekening van de moedermaatschappij in te zien, de compensatie vormt die zij ontvangen omdat ze de jaarrekening van de 403- maatschappij niet kunnen inzien. Kort gezegd wordt een crediteur gecompenseerd voor het feit dat hij een vordering heeft op een debiteur – de 403-maatschappij – van wie hij de jaarrekening niet kan inzien, met een aanvullende vordering op een andere debiteur – de moedermaatschappij – van wie hij de geconsolideerde jaarrekening wel kan inzien.11
Een crediteur dient zich er bijvoorbeeld van bewust te zijn dat de functie die de 403-aansprakelijkheid vervult bij de compensatie voor het niet kunnen inzien van de jaarrekening van de 403-maatschappij, meebrengt dat deze aansprakelijkheid een tijdelijk karakter heeft. De aansprakelijkheid is gerelateerd aan de jaarrekeningvrijstelling voor de 403-maatschappij. Zolang de 403-maatschappij gebruikmaakt van deze vrijstelling, is het van belang dat de crediteuren voor het gebrek aan inzicht worden gecompenseerd doordat zij op grond van de 403- verklaring een aanvullende vordering hebben op de moedermaatschappij van wie zij de geconsolideerde jaarrekening kunnen inzien. Maar als de 403-maatschappij geen gebruik meer maakt van de jaarrekeningvrijstelling hoeven nieuwe crediteuren niet te worden gecompenseerd. Ook voor de crediteuren die al een vordering op de moedermaatschappij hebben op grond van de 403-verklaring, geldt dat zij in dat geval de jaarrekening van de 403-maatschappij weer kunnen inzien. Onder bepaalde voorwaarden is het mogelijk dat zij hun verhaalsrecht op de moedermaatschappij verliezen.
In verband met bovengenoemde koppeling tussen de 403-aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en de jaarrekeningvrijstelling voor de 403-maatschappij, kan de moedermaatschappij de 403-verklaring intrekken.12 Zij blijft dan aansprakelijk voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij heeft verricht tot het moment dat de moedermaatschappij tegenover de crediteur een beroep kan doen op de intrekking.13 Deze overblijvende aansprakelijkheid kan de moedermaatschappij beëindigen als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.14 Een van deze voorwaarden is dat de crediteuren verzet kunnen instellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen en onder omstandigheden recht hebben op een vervangende waarborg.15 Een crediteur die er geen rekening mee houdt dat de 403-verklaring kan worden ingetrokken, of die vergeet om verzet in te stellen tegen de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid, kan voor de onaangename verrassing komen te staan dat hij zich niet (meer) op de moedermaatschappij kan verhalen terwijl hij daar wel van uitging.
Een voorbeeld dat in de praktijk commotie kan ontstaan als de moedermaatschappij de 403-verklaring intrekt, deed zich begin 2018 voor met betrekking tot Shell Nederland BV (hierna: ‘Shell’) en de Nederlandse Aardolie Maatschappij BV (hierna: ‘NAM’).16 Shell heeft zich in 1985 op grond van een 403-verklaring hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schulden die voortvloeien uit een rechtshandeling van de NAM.17 Als gevolg van aardgasboringen door de NAM in Groningen is schade ontstaan. Verschillende gedupeerden hebben de NAM aansprakelijk gesteld tot vergoeding van hun schade.
Op 31 januari 2018 meldt de Minister van Economische Zaken en Klimaat aan de Tweede Kamer dat de overheid de vergoeding van de schade voor de gedupeerden in Groningen verder afhandelt.18 De minister deelt ook mee dat de Staat een overeenkomst met de NAM heeft gesloten op grond waarvan de NAM verplicht is zorg te dragen voor de financiering van de afhandeling van deze schadevergoedingen. Rond dezelfde tijd berichten verschillende media dat Shell haar 403-verklaring medio 2017 heeft ingetrokken.19 Shell is daardoor niet aansprakelijk voor de schulden van de NAM die voortvloeien uit de overeenkomst met de Staat. De algemene tendens van de berichtgeving in de media is dat Shell de NAM ongemerkt ‘op afstand heeft geplaatst’, en dat zij (de schijn heeft gewekt dat zij) bewust onder de aansprakelijkheid voor de schulden van de NAM in verband met de schadevergoedingen in Groningen probeert uit te komen. In deze berichtgeving wordt echter het bovengenoemde tijdelijke karakter van de 403-aansprakelijkheid van een moedermaatschappij over het hoofd gezien. Aangezien de NAM in het voorjaar van 2017 weer een jaarrekening openbaar heeft gemaakt, hoeven (nieuwe) crediteuren niet gecompenseerd te worden voor een gebrek aan inzicht. De intrekking van de 403-verklaring door Shell sluit daarom aan bij de functie van de 403-aansprakelijkheid bij de compensatie van de crediteuren van de 403-maatschappij.20