Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland
Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/1.5:1.5 Beslaglegging: recht of (doel)bevoegdheid?
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/1.5
1.5 Beslaglegging: recht of (doel)bevoegdheid?
Documentgegevens:
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS498241:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De regeling inzake conservatoir beslag is in de wet opgenomen onder de vierde titel van het wetboek van Rv: ‘Van middelen tot bewaring van zijn recht’. Deze plaats maakt direct duidelijk wat de wetgever met deze regeling heeft beoogd, namelijk het bieden van zekerheid voor de schuldeiser dat diens vordering bij toewijzing in rechte ook op de schuldenaar verhaalbaar is. De regeling lijkt in belangrijke mate te zijn gericht op de belangen van de schuldeiser.1 Maar hoe ver gaan nu de rechten van de beslaglegger om diens belangen veilig te stellen eigenlijk? In dit verband zijn er in de literatuur globaal twee benaderingen te onderscheiden: enerzijds de visie dat een (vermeende) schuldeiser steeds en in alle omstandigheden beslag moet kunnen leggen en anderzijds de opvatting dat conservatoir beslag een doelbevoegdheid is, welke aan beperkingen is gebonden.2 Van der Kwaak vertegenwoordigt de laatste benadering. Deze auteur beschrijft het recht om beslag te leggen als een procesrechtelijke bevoegdheid:
‘op grond waarvan een crediteur zichzelf, tegen de wil van de debiteur, door middel van een eenzijdige, op de wet gebaseerde rechtshandeling zekerheid mag verschaffen met het oog op reële executie’.3 Het is een doelbevoegdheid die – kortweg – kan worden aangeduid als zekerheid met het oog op reële executie (veelal verhaalsuitoefening).4
Anders en ruimer benaderen Stein en Westenberg de bevoegdheid om beslag te leggen:
‘En voor zover men het gebruik van beslag als dwangmiddel heeft willen tegengaan (in de beslagsyllabus juni 2011 en volgende: MM), is evident over het hoofd gezien dat het beslag daarvoor ook min of meer geschapen is’.5
De benaderingen van Van der Kwaak en Stein en Westenberg illustreren een verschil in visie op de inzet van het middel van conservatoir beslag. De divergentie heeft betrekking op de opvatting hoe ver de rechten van de beslaglegger met een vooralsnog onbewezen vordering reiken om deze te secureren dan wel om andere doeleinden te bereiken, ten nadele van de rechten van de (beoogd) beslagene om ongehinderd over diens vermogensbestanddelen te kunnen beschikken. Nauw verweven met de benadering die men ten opzichte van conservatoir als recht of doelbevoegdheid kan hebben is het verschijnsel dat beslag in de praktijk ook voor andere doeleinden wordt in gezet dan (uitsluitend) ter bewaring van een recht. De hieraan verbonden vraag is in hoeverre het geoorloofd is om conservatoir beslag in te zetten voor een ander doel dan het verzekeren van een recht. Zo is gebleken dat het leggen van druk op de wederpartij in veel gevallen (mede) een reden is om verlof tot het leggen van beslag te vragen. De inzet van conservatoir beslag als pressiemiddel dient naar mijn idee te worden benaderd vanuit de gedachte dat conservatoir beslag voor een niet betwiste vordering in de meeste gevallen anders zou moeten worden geduid dan in het geval van een op redelijke gronden betwiste vordering. In deze laatste situatie is er een gerede kans dat er gebruik, dan wel misbruik wordt gemaakt van een ‘bijwerking’ van conservatoir beslag. Dit dient in mijn visie minimaal een bijzondere alertheid van de voorzieningenrechter bij de beoordeling van een beslagrekest tot gevolg te hebben.6
De benadering dat niet te veel beperkingen aan beslaglegging moeten worden gesteld, klinkt in beginsel plausibel, immers een executie- en beslagrecht regeling welke niet functioneert omdat de schuldeiser onvoldoende positie heeft, is van weinig waarde. Het doel is de uiteindelijke mogelijkheid van tenuitvoerlegging van een uitspraak ofwel verhaal door de schuldeiser. Daar staat tegenover dat het in het geval van conservatoir beslag de status van de vordering waarvoor beslag wordt gelegd een pretense vordering is. Is het dan gerechtvaardigd om steeds het voordeel van de twijfel bij de beslaglegger te leggen? Men stuit hier op het aan het beslagrecht verbonden element van de evenwichtigheid in de positie van beslaglegger en beslagene, ofwel (vermeend) schuldeiser versus (vermeend) schuldenaar, die met name in beeld komt wanneer sprake is van een redelijk verweer tegen de vermeende vordering van de schuldeiser (en daarmee een beslag). Hiermee is benoemd welk aspect voor mij voldoende intrigerend is geweest om onderzoek te gaan doen naar de achtergronden en werking daarvan.