Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/11.3.1.3:11.3.1.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/11.3.1.3
11.3.1.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS606605:1
- Vakgebied(en)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Erfbelasting
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Schenkbelasting
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vanwege het feit dat de partner met wie men ongehuwd samenwoont, en de kinderen van die partner, niet tot de kring van verbonden personen behoren, is de bepaling van art. 2 lid 1 SW 1956 niet neutraal ten aanzien van de gekozen samenlevingsvorm. De woonplaatsfictie geldt nu niet voor ongehuwde samenwoners.
In hoofdstuk 6 is toegelicht dat het begrip ‘verbonden persoon’ in de zin van art. 3.91 en 3.92 Wet IB 2001 eveneens een vereenzelvigingsfunctie heeft. Daarbij heeft dit begrip voor de inkomstenbelasting met name een antiontgaansfunctie. Hoewel dit antiontgaanskarakter niet direct kan worden herkend in de bepaling van art. 2 SW 1956, meen ik dat de bedoelde verbondenheid in beide bepalingen min of meer gelijk is. Naar mijn mening zou het begrip ‘verbonden persoon’ waarvan ik in hoofdstuk 6 de contouren heb geschetst, daarom ook kunnen worden gehanteerd voor de toepassing van de woonplaatsfictie van art. 2 lid 1 SW 1956.