Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/4.2.a
4.2.a Toepassingsbereik in beroep
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS608328:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 17 januari 1970, nr. 2689/65, NJ 1992/73, m.nt. Alkema & Van Veen (Delcourt/ België).
EHRM 17 januari 1970, nr. 2689/65 (Delcourt/België).
Zie in navolging van Explanatory Report 1984, onderdeel 22 en 29, onder meer EHRM 20 juli 2004, nr. 50178/99 (Nikitin/Rusland); EHRM (GK) 10 februari 2009, nr. 14939/03, NJ 2010/36, m.nt. Buruma (Zolotukhin/Rusland); zie voorts over het rechtszekerheidsbeginsel EHRM (GK) 28 oktober 1999, nr. 28342/95 (Brumărescu/Roemenië); zo ook Trechsel 2005, p. 36.
Zo ook Keulen 2004, p. 85.
EHRM 17 januari 1970, nr. 2689/65, NJ 1992/73 (Delcourt/België); zie ook EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/08, NJ 2012/306, m.nt. Schalken (Lalmahomed/Nederland); niets wijst erop dat het woord fundamental uit dit citaat als beperking moet worden opgevat, in de zin dat alleen bepaalde deelrechten van artikel 6 EVRM in beroep van toepassing zouden zijn; zie thans voor vergelijkbare argumentatie over toepasselijkheid van art. 6 EVRM op constitutionele hoven Leanza & Pridal 2014, p. 62-64; zie eerder Stavros 1990, p. 292-294; Kuijer 2004, p. 138-140.
EHRM 21 februari 1984, nr. 8544/79, NJ 1988/937 (Öztürk/Duitsland); EHRM (GK) 23 november 2006, nr. 73053/01, AB 2007, 51 m.nt Barkhuysen & Van Emmerik; BNB 2007, 150, m.nt. Feteris (Jussila/Finland); Stavros 1993, p. 8-9.
Artikel 6 EVRM is onder meer van toepassing indien de gegrondheid van een strafrechtelijke vervolging wordt bepaald. Al in 1970 maakte het EHRM in de zaak Delcourt/België duidelijk dat een strafrechtelijke vervolging pas is bepaald in de zin van artikel 6 EVRM als de beslissing over de vervolging onherroepelijk is geworden. Delcourt klaagde dat hij in de cassatieprocedure niet had mogen reageren op een door een advocaat-generaal opgesteld advies aan het Hof van Cassatie. De Belgische staat bracht naar voren dat de beoordeling van het Hof van Cassatie is beperkt tot “supervising [the] validity” van het bestreden arrest, dat het Hof van Cassatie dat arrest enkel kan bevestigen of vernietigen, dat bovendien het onderzoek in cassatie niet is gericht op de “merits” van de onderliggende zaak en derhalve in cassatie niet sprake is van een determination van een strafrechtelijke vervolging in de zin van artikel 6 EVRM.1 Voornamelijk de Franse tekst van het EVRM, die vertaald luidt dat de juistheid (bien-fondé) van de ingestelde vervolging cruciaal is, lag aan dit Belgische standpunt ten grondslag. Het EHRM oordeelde echter anders. Ten eerste kan de beslissing van de Belgische cassatierechter indirect of direct gevolgen hebben voor het lot van de verdachte, of de cassatierechter nu zelf in de zaak voorziet of niet. Daarbij komt dat de term determination uit artikel 6 EVRM zowel betrekking heeft op de feitelijke als op de juridische juistheid van de verwijten. Dus: “a criminal charge is not really ‘determined’ as long as the verdict of acquittal or conviction has not become final. Criminal proceedings form an entity and […] [p]roceedings in cassation are one special stage of the criminal proceedings and their consequences may prove decisive for the accused.”2 Artikel 6 EVRM werd daarom van toepassing verklaard op de cassatieprocedure.
Als de nadruk wordt gelegd op de slotzin uit het citaat, zou dit oordeel betekenen dat elk onderdeel van de strafprocedure dat ‘doorslaggevend’ kan zijn voor de verdachte onder het bereik valt van artikel 6 EVRM. Ruim uitgelegd zouden ook de procedure in herziening, een gratieverzoek of misschien zelfs procedures omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling hieronder vallen. Uit latere uitspraken blijkt echter dat het woord “final” uit de eerste zin van bovenstaand citaat een zekere beperking behelst. Het Hof verstaat hieronder: kracht van gewijsde, res judicata oftewel onherroepelijkheid. Hiervan is sprake, aldus het Hof, als “no further ordinary remedies are available or when the parties have exhausted such remedies or have permitted the time-limit to expire without availing themselves of them”.3 Nadere duidelijkheid over wat een ordinary remedy is, heeft het Hof niet gegeven. Primair is in elk geval niet van belang of de beoordeling in beroep materieel berechting op grond van een tenlastelegging of toetsing van de bestreden uitspraak inhoudt, maar of de beslissing over de gegrondheid van de vervolging onherroepelijk is geworden.
Voor Nederland betekent dit dat artikel 6 EVRM van toepassing is op de berechting in hoger beroep en in cassatie.4 Hoewel artikel 6 EVRM niet voorschrijft dat hoger beroep of cassatie openstaat – dat doet het mensenrecht op beroep – is artikel 6 EVRM op deze rechtsmiddelen wel degelijk van toepassing indien zij beschikbaar zijn. In vaste bewoordingen van het Hof: “a State which does institute […] courts [of appeal or of cassation] is required to ensure that persons amenable to the law shall enjoy before these courts the fundamental guarantees contained in Article 6”.5 Voor klassieke strafzaken is tot slot belangrijk dat de berechting van bagatellen niet buiten het bereik valt van artikel 6 EVRM.6 Anders dan het verdragsrecht op beroep, is artikel 6 EVRM daarmee in potentie van belang voor alle strafzaken in hoger beroep en cassatie, zowel de lichte als de zware.