Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context
Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/6.3.4:6.3.4 Evaluatie: het schuurt als het misgaat
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/6.3.4
6.3.4 Evaluatie: het schuurt als het misgaat
Documentgegevens:
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661443:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De confrontatie van het juridisch perspectief met het burgerperspectief maakt inzichtelijk dat de positie van de Belastingdienst als vertaler schuurt als de vertaler anders handelt dan de burger op grond van de vertaling had verwacht. In het juridisch perspectief wordt de Belastingdienst niet gehouden geacht aan zijn voorlichting, want hij is slechts ‘uitvoerder’ (vertaler) en niet ‘maker’ (bron) van de regels, en voorlichting is slechts aan afgeleide van de wet zonder zelfstandige, juridische status. Echter, de communicatieve inzichten werpen daarop een nieuw licht:
Voorlichting wordt als ‘vertaling’ een nieuwe brontekst met een zelfstandige status.
De vertaler draagt verantwoordelijkheid voor de ‘vertaling’. De Belastingdienst is communicatief bezien weliswaar niet verantwoordelijk voor de inhoud van de wet, maar hij is wel – mede gezien zijn deskundigheid en capaciteit – verantwoordelijk voor de presentatie van de inhoud in de vertaling.
De grens tussen inhoud en presentatie is als het gaat om het uitleggen van complexe fiscale wetgeving niet altijd makkelijk te trekken (paragraaf 4.6.2). De Belastingdienst heeft ook te maken met bronteksten die vaak interpretatie behoeven en soms onduidelijkheden of leemten bevatten (dat is de bestaansreden van bijvoorbeeld beleidsregels). Dat brengt mee dat het communicatief bezien lastiger wordt om strikte grenzen ten aanzien van de verantwoordelijkheid van de Belastingdienst als zender te trekken.
De confrontatie van de twee perspectieven ten aanzien van de positie van de Belastingdienst biedt nadere inzichten voor het juridisch perspectief.
De communicatieve invalshoek met het ‘zender en ontvanger’-idee laat zien waarom burgers afgaan op voorlichting van de Belastingdienst en dat de wetgever in de communicatieve relatie uit beeld verdwijnt.
De benadering van de Belastingdienst als vertaler bij voorlichting kan beter verklaren waarom burgers erop rekenen dat de Belastingdienst zich aan zijn ‘woord’ houdt, ook al heeft de Belastingdienst zelf geen bindingsbedoeling bij algemene voorlichting (paragraaf 4.3), en dat dit – mits in passende situaties – communicatief bezien redelijk is.
De confrontatie met het burgerperspectief laat zien dat het juridisch perspectief onvoldoende oog heeft voor de uitdagingen van de voorlichtende taak van de Belastingdienst en de keuzes die de Belastingdienst daarbij heeft te maken (paragraaf 4.6.2, 5.4). Dat voorlichting ‘slechts’ voorlichting is, doet geen recht aan hetgeen de Belastingdienst in zijn voorlichtende taak heeft te doen.