Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/8.3
8.3 Invulling van het begrip getuige in het Nederlandse strafproces
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Mols 2003, p. 5.
Corstens/Borgers 2011, § 4.11.
Zij stellen daarbij niet de eis dat de persoon al ten overstaan van justitie heeft verklaard of als getuige is gehoord.
In artikel 339 Sv wordt de verklaring van een getuige erkend als een wettig bewijsmiddel en vervolgens wordt in artikel 342 lid 1 Sv omschreven welke mededelingen als zodanig kunnen worden aangemerkt.
Melai-Groenhuijsen, art. 342, aant. 3. Zie op dit punt meer in detail § 10.4.1.1.
Nijboer 2011, § 5.4.1.
Dit wordt in § 9.4.1.1 nader uiteengezet.
HR 20 december 1926, NJ 1927, p. 85. Dit arrest wordt in § 9.3 besproken.
En tot op zekere hoogte ook voor de eisen die aan het gebruik van dit bewijsmiddel worden gesteld.
Melai-Groenhuijsen, art. 326 Sv, aant. 2. We zien echter dat in relatie tot het slachtoffer in artikel 51e Sv ook de term verklaring wordt gebezigd als het gaat om het uitoefenen van het spreekrecht. Hoewel de raadsman en de officier van justitie via de voorzitter ingevolge artikel 302 lid 1 Sv wel vragen aan het slachtoffer mogen stellen over zijn verklaring, is van een echt verhoor geen sprake. Het slachtoffer hoeft ook geen antwoord te geven op de gestelde vragen (Kamerstukken I 2002/03, 27 632, nr. 104b, p. 7).
HR 10 februari 2004, NJ 2005, 383, mnt. Buruma.
Daarmee worden de waarborgen die artikel 344a lid 3 Sv stelt voor het gebruik van anonieme verklaringen neergelegd in een proces-verbaal buiten spel gezet.
Zie in dit verband ook voorwaarde b uit het model van Coady in § 3.3.2, die pas van testimony spreekt als een persoon A zijn opmerkingen als bewijs aanbiedt opdat de toehoorder wordt uitgenodigd om bewering p aan te nemen omdat A zegt p.
Zie § 4.4.4.
Crijns 2010, p. 361.
Gesteld zou evenwel kunnen worden dat pas bij het horen ten overstaan van de rechter een plicht tot het verlenen van medewerking bestaat en derhalve in de voorafgaande periode geen behoefte is aan normering. Het feit echter dat de verdachte bij de politie niet verplicht is om mee te werken, betekent niet dat er geen noodzaak bestaat tot normering van zijn positie in het opsporingsonderzoek.
In het Nederlandse Wetboek van Strafvordering is het begrip getuige niet gedefinieerd en ook aan de rechtspraak valt geen definitie te ontlenen. In de literatuur wordt veelal een ruime invulling gehanteerd. Zo beschouwt Mols de getuige als ‘degene die in het strafproces iets meent te kunnen zeggen over een strafbaar feit of de pleger ervan, en de persoon waarvan een van de partijen meent dat hij of zij in het strafproces iets te melden heeft dat relevant is’.1 En ook volgens Corstens/Borgers zijn getuigen personen die iets omtrent het strafbare feit kunnen verklaren.2 Beide auteurs hanteren een min of meer materiële invulling van het getuigenbegrip. Zij zien de getuige als (potentiële) dragers van informatie en knopen daarbij aan bij het algemeen taalgebruik, waarbij de eventuele kennis van een strafrechtelijk relevante handeling of gebeurtenis centraal staat.3 Echter, niet iedere persoon die beschikt over voor het strafproces relevante informatie wordt ook daadwerkelijk als getuige in strafrechtelijke zin aangemerkt. Er kan in dit verband onderscheid worden gemaakt tussen: 1) personen die getuige zijn in levensfeitelijke zin, op grond van hun tegenwoordigheid bij een strafrechtelijk relevante gebeurtenis of handeling en 2) de strafprocessuele hoedanigheid van getuige met de daaraan gekoppelde rechten en plichten, die aan een persoon op grond van zijn optreden in het strafproces wordt toegekend. Deze beide aspecten lopen in de rechtspraak en theorie door elkaar heen. Het juridisch begrip getuige wordt veelal niet helder onderscheiden van het algemeen taalgebruik. Dit kan mede worden verklaard doordat het getuigenbegrip in het Wetboek van Strafvordering niet is gedefinieerd en evenmin duidelijk is aangegeven onder welke omstandigheden en op welk moment een persoon de status of hoedanigheid van getuige toekomt.
Er zijn twee perspectieven van waaruit het juridische begrip getuige kan worden benaderd: vanuit de positie van de getuige zelf (vanaf de voorkant) of vanuit het perspectief van de bewijsbeslissing (vanaf de achterkant). Traditioneel wordt het getuigenbegrip sterk benaderd vanuit het laatste perspectief, nu in artikel 342 lid 1 Sv een omschrijving is opgenomen over wat onder een verklaring van een getuige moet worden verstaan met het oog op het bewijsgebruik.4 De volledige omschrijving luidt als volgt: ‘Onder een verklaring van een getuige wordt verstaan zijne bij het onderzoek op de terechtzitting gedane mededeling van feiten of omstandigheden, welke hij zelf waargenomen of ondervonden heeft.’ Uit deze omschrijving kan zowel een materieel en een formeel kenmerk of criterium worden gedestilleerd. Het materiële kenmerk houdt in dat de verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die kenbaar zijn geworden op grond van een eigen waarneming of ondervinding. De eigen waarneming en ondervinding van de getuige wordt daarmee uitdrukkelijk aangewezen als primaire kenbron.5 Het object van waarneming is onbepaald, in de zin dat de wet niet het onderwerp of voorwerp noemt waarop de waarneming betrekking moet hebben.6 Dat betekent dat de informatie die de getuige verschaft niet noodzakelijkerwijs hoeft te zijn gebaseerd op tegenwoordigheid bij het strafrechtelijk voorval zelf, maar kan tevens bekendheid met een andere strafrechtelijk relevante omstandigheid betreffen. De eis dat de verklaring moet zien op feiten en omstandigheden die de getuige zelf heeft waargenomen is echter uitgehold, nu verklaringen van horen zeggen ook voor het bewijs mogen worden gebruikt.7
Het formele kenmerk neergelegd in dit artikel ziet daarop dat pas van een verklaring van een getuige in de zin van artikel 342 lid 1 Sv wordt gesproken indien deze is afgelegd op het onderzoek ter terechtzitting. De eis dat getuigenverklaringen in beginsel ter terechtzitting dienen te worden afgelegd om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt, is kort na de inwerkingtreding van het nieuwe wetboek in 1926 terzijde geschoven. In datzelfde jaar bepaalde de Hoge Raad in het De auditu-arrest dat ook verklaringen afgelegd door personen in het vooronderzoek voor het bewijs konden worden gebezigd, ook als deze niet op het onderzoek ter terechtzitting werden herhaald.8 De formele status van getuige bleef echter wel voorbehouden aan personen die ter terechtzitting of in het kabinet van de rechter-commissaris als zodanig waren gehoord. Daar is onder invloed van de rechtspraak van het EHRM en de door het Hof gehanteerde autonome interpretatie van het begrip getuige verandering in gekomen. Thans is het zo dat ook personen die bij de politie verklaren als getuigen worden aangemerkt. De vorm waarin de verklaring tot de rechter komt, is nog wel bepalend voor de rubricering als bewijsmiddel.9 Verklaringen afgelegd in het vooronderzoek worden aangemerkt als schriftelijk bescheid in de zin van artikel 344 lid 1 sub 2 en verklaringen afgelegd op het onderzoek ter terechtzitting als ‘verklaring van een getuige’ in de zin van artikel 342 lid 1 Sv. Materieel bezien is de persoon die in het vooronderzoek verklaart en wiens verklaringen voor het bewijs worden gebruikt ook een getuige.
Wanneer we trachten het juridisch begrip getuige vanuit het materiële criterium dat ligt besloten in artikel 342 Sv te definiëren, dan kan als getuige worden aangemerkt: een persoon die uit eigen waarneming en ondervinding kennis draagt van een strafrechtelijk relevante omstandigheid. Een sluitende definitie levert dit echter allerminst op. Weliswaar worden de verklaringen gekenmerkt doordat zij de (eigen) waarneming of ondervinding als kenbron hebben, maar er zijn meer procesdeelnemers die uit eigen waarneming kennis dragen van een strafrechtelijk relevante omstandigheid en die toch niet de hoedanigheid van getuige toekomen omdat zij reeds als verdachte of deskundige zijn aangemerkt (zie hierna § 8.3 over samenvallende rollen). Bovendien worden ook personen die niet uit eigen waarneming en ondervinding kennis dragen van een strafrechtelijk relevante gebeurtenis of omstandigheid, als getuigen aangemerkt om de simpele reden dat zij nu eenmaal door een rechter als zodanig zijn gehoord. Niet iedere persoon die in het strafproces als getuige wordt opgeroepen en aan wie vanuit die hoedanigheid bepaalde rechten en plichten toekomt, zal immers uit eigen waarneming of ondervinding kunnen verklaren. Dat laat onverlet dat artikel 342 lid 1 Sv wel een duidelijk inhoudelijk aanknopingspunt biedt voor waar het bij getuigenverklaringen in de kern om gaat.
Voor de vraag of sprake is van getuige in juridische zin lijkt naar de huidige stand van de jurisprudentie van doorslaggevend belang dat ten overstaan van justitie is verklaard. Volgens het commentaar in Melai-Groenhuijsen wordt met de verklaringen van getuigen, deskundigen en verdachten gedoeld op ‘hetgeen zij ter berde brengen als antwoord op vragen die hen in het kader van een verhoor worden gesteld’ en is de term verklaringen in het wetboek gereserveerd voor het doen van mededelingen in samenhang met een ondervraging.10 Beweringen gedaan buiten de context van een verhoor en overgebracht door een derde kunnen wel voor het bewijs worden gebruikt, maar in dat geval wordt ten aanzien van de beweringen van de oorspronkelijke zegspersoon niet gesproken van een verklaring en zal deze ook niet worden aangemerkt als getuige.
Dat het afleggen van een verklaring bepalend is, kan worden afgeleid uit een arrest van de Hoge Raad uit 2004 waar het ging om het gebruik van op schrift gestelde beweringen van een anonieme zegspersoon Th. voor het bewijs.11 Op verklaringen van anonymi neergelegd in processen-verbaal is in beginsel artikel 344a lid 3 Sv van toepassing. Het punt was echter dat de beweringen waren overgebracht door een andere, wel bij naam bekende persoon, M. M. was door de politie gehoord, maar had geweigerd de ware identiteit van Th. prijs te geven. De Hoge Raad redeneert dat nu de identiteit van M. bekend is en hij ten overstaan van justitie heeft verklaard, er geen sprake is van een anonieme verklaring in de zin artikel 344a lid 3 Sv maar van een normaal proces-verbaal in de zin van artikel 344 lid 2 Sv.12 Bezien vanuit het materiële kenmerk of criterium van artikel 342 lid 1 Sv is Th. wel degelijk getuige. Hij is degene die op grond van zijn eigen waarneming en ondervinding kennis draagt van voor justitie relevante feiten en omstandigheden. Het zijn ook zijn beweringen die op hun geloofwaardigheid moeten worden getoetst. Echter, Th. is niet degene die ten overstaan justitie heeft verklaard. Om die reden zullen dagboekaantekeningen en brieven niet worden aangemerkt als getuigenverklaringen. Een dagboek zal eerder als stuk van overtuiging worden opgevat dan als een getuigenverklaring, terwijl de persoon die de aantekeningen heeft gemaakt mogelijk inhoudelijk of levensfeitelijk gezien wel een getuige is. Er valt ook wel iets voor te zeggen dat een zekere ‘intentionele gerichtheid’ moet zitten in hetgeen iemand vertelt of opschrijft alvorens het opgetekende als een getuigenverklaring kan worden aangemerkt.13 In dit verband kan ook de parallel worden gelegd naar de discussie in Amerika waar een statement sinds Crawford wordt gedefinieerd als ‘1) an oral or written assertion or 2) nonverbal conduct of a person, if it is intended by the person as an assertion’. Het moet gaan om een doelbewuste bewering van de declarant. Op basis van deze definitie worden uitingen gedaan ten overstaan van een telefoniste van 911 in een noodsituatie in de Verenigde Staten in beginsel niet als een getuigenverklaring aangemerkt, waarmee de verdachte ook het ondervragingsrecht wordt ontzegd.14 Op deze benaderingswijze is de nodige kritiek gekomen in de literatuur, omdat een differentiatie ontstaat tussen soorten getuigen, waarbij een persoon die naar normaal taalgebruik wordt aangemerkt als getuige niet meer als zodanig wordt aangemerkt. Het probleem is dat het uitoefenen van het ondervragingsrecht uitdrukkelijk gekoppeld is aan de vraag of de verklarende persoon als getuige kan worden aangemerkt. Om die reden hanteert het EHRM een autonome interpretatie van het getuigenbegrip. Ook als de persoon wiens beweringen voor het bewijs worden gebruikt niet als getuige is aangemerkt dan nog komt de verdachte een ondervragingsrecht toe.
Het reserveren van de status van getuige voor personen die ten overstaan van justitie verklaren is op zichzelf niet zo vreemd. Dat is volgens Crijns het moment waarop de rechtsbetrekking met de strafvorderlijke overheid ontstaat.15 Voor dat moment kan iemand in levensfeitelijke en materiële zin wel als getuige worden aangeduid op grond van zijn informatiepositie, maar is nog geen sprake van rechtsbetrekking met de strafvorderlijke overheid. Pas op het moment dat hij in het strafproces wordt betrokken doordat hij van de zijde van justitie wordt benaderd met het verzoek of de opdracht om te verklaren (of doordat hij zich bij de politie meldt met de wens een verklaring af te leggen), krijgt hij binnen dat proces een bepaalde status en daaraan verbonden rechten en plichten. Op dat moment ontstaat een behoefte aan normering van de processuele positie van de getuige omdat hij bepaalde handelingen van de zijde van de overheid heeft te ondergaan of nadeel kan ondervinden van zijn rol als getuige.16
Vanuit de positie van de getuige is het geen bezwaar om hem pas formeel als zodanig te erkennen op het moment dat hij ook daadwerkelijk ten overstaan van justitie verklaart (of afspreekt te verklaren). Vanuit een oogpunt van bewijs ligt dit mogelijk anders. Het probleem is namelijk dat het onthouden van de status van getuige in het verleden ook vaak gepaard ging met het omzeilen van de wettelijke waarborgen die aan (bepaalde) verklaringen van getuigen worden gesteld. Zoals in het volgende hoofdstuk nog duidelijk zal worden neigt de Hoge Raad ernaar zich erg formeel op te stellen. Voor het bewijs is niet de status van de declarant bepalend maar de inhoud van het beweerde.
Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat het niet mogelijk is om een sluitende definitie te geven van het begrip getuige in de Nederlandse strafvorderlijke context. Dit komt doordat niet alleen de inhoud van de verklaring bepalend is, maar ook de formele status. In de volgende paragraaf wordt nader ingegaan op de getuige in relatie tot andere informaten in het strafproces.