Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/3.3.4.5
3.3.4.5 Eerlijke behandeling van de zaak
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS504745:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie SMITS, nos. 3.1.1, 3.2 en 3.5.
MvA 11, TvA 1986, blz. 91 en Arbitragerecht (SNIJDERS), 2.3.8.
HR 9 januari 2004 (Nannini/SFT Bank), NJ 2005, 190 (r.o. 3.5.2), m.nt. HTS, JBPr 2004, 31, m.nt. I.P.M. VAN DEN NIEUWENDUK; in het licht van vorenstaande precisering overweegt de Hoge Raad dat het volgens het Hof ten aanzien van een bepaalde vraag ging om een, bezien in het geheel van de rechtsstrijd tussen partijen, wezenlijke kwestie waarover arbiters een gemotiveerde beslissing dienden te geven, en dat het Hof heeft mogen oordelen dat arbiters een motivering hebben gegeven die geheel berust op een uitgangspunt dat elke grond mist en dat dáárom de verlangde motivering ontbreekt (r.o. 3.9.3).
Zie daartoe Arbitragerecht (SNIJDERS), 2.3.8 en Burg. Rv. (SNIJDERS), art. 1057, aant. 5; vgl. ook de noot van SNIJDERS bij HR 25 februari 2000 (Benetton/Eco Swiss China Time & Bulova) in NJ 2000, 508 en bij HR 9 januari 2004 (Nannini/SFT Bank) in NJ 2005, 190; ook ik zelf zag en zie voor vernietiging bij een apert ondeugdelijk gemotiveerd arbitraal vonnis wel ruimte; zie daartoe mijn annotatie bij HR 25 februari 2000 (Benetton/Eco Swiss & Bulova) in TvA 2000, blz. 131.
Zie ook mijn annotatie bij HR 25 februari 2000 (Benetton/Eco Swiss & Bulova) in TvA 2000, blz. 131.
Zie art. 1054 lid 2 ZPO respectievelijk Arbitragerecht (VAN DEN BERG), 9.1; vgl. ook art. 31 Modelwet Arbitrage.
H.J. SNIJDERS in zijn noot (sub 6) bij HR 22 december 2006 (Kers/Rijpma), NJ 2008, 4; zie ook art. 1057 lid 5 Voorstellen tot wijziging van het Vierde Boek (Arbitrage), TvA 2005/Special, blz. 100 en Toelichting op voorstel tot wijziging van de Arbitragewet, TvA 2005/Special, blz. 159-160; vgl. ook www.arbitragewet.nl.
Zie bijvoorbeeld EHRM 19 april 1994 (Van de Hurk/Nederland), NJ 1995, 462, § 61, m.nt. EAA en EHRM 9 december 1994 (Hiro Balani/Spanje), NJ 1997, 20, § 27, m.nt. EAA in NJ 1997, 21; zie ook Smrrs, no. 3.5.
Anders LAWSON, blz. 165: 'Weliswaar gaf het Hof [in de in de vorige voetnoot genoemde jurisprudentie] aan dat ieder geval op zich moet worden beoordeeld en dat de omvang van de motiveringsplicht mede afhangt van de aard van de procedure — maar het lijkt me dat het exequatur van een ondeugdelijk gemotiveerd arbitraal vonnis niet op voorhand gevrijwaard is van Straatsburg-se kritiek.'.
Zie LAWSON, blz. 164 en Smrrs, no. 3.1.
Zie bijvoorbeeld voor afstand van het recht op rechterlijk gehoor Smrrs, no. 3.3.5.
Het recht op een eerlijke behandeling van de zaak ziet niet alleen op het recht op rechterlijk gehoor en "equality of arms", doch brengt ook met zich dat de rechter zijn uitspraken motiveert.1
Als wij met het laatste punt beginnen, dan valt op dat het motiveringsbeginsel te onzent ook voor arbitrale vonnissen geldt, zij het dat wordt verdedigd dat daaraan niet al te strenge eisen mogen worden gesteld.2 Een arbitraal vonnis is ingevolge art. 1065 lid 1 (d) Rv vernietigbaar als het niet met redenen is omkleed (art. 1065 lid 1 (d) Rv). Op dit punt is in de jurisprudentie een drieluik ontstaan. In zijn eerste arrest, Benetton/Eco Swiss & Bulova, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat vernietiging op grond van art. 1065 lid 1 (d) Rv slechts mogelijk is wanneer motivering ontbreekt, en dus niet in gevallen van ondeugdelijke motivering. Aan de rechter komt niet de bevoegdheid toe om op deze vernietigingsgrond een arbitraal vonnis naar zijn inhoud te toetsen.3 In zijn tweede arrest, Nannini/SFT Bank, heeft de Hoge Raad dit oordeel aldus gepreciseerd dat met het ontbreken van een motivering op één lijn gesteld moet worden het geval dat weliswaar een motivering is gegeven, maar dat daarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet valt te onderkennen.4 In zijn derde arrest, Kers/Rijpma, volgt nog een precisering, al heeft de Hoge Raad dit zelf zo niet aangeduid, en wel aldus dat het in Nannini/SFT Bank gegeven criterium door de rechter met terughoudendheid moet worden toegepast, in die zin dat hij slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen. Uitsluitend indien een motivering ontbreekt, of indien een arbitraal vonnis zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld, mag de rechter dit vonnis vernietigen op de in art. 1065 lid 1 (d) Rv vermelde grond dat het vonnis niet met redenen is omkleed.5 Laatstgenoemde preciseringen maken mijns inziens duidelijk dat vernietiging slechts mogelijk is in gevallen waarin de motivering van het arbitraal vonnis apert ondeugdelijk is.6 Voor de gewenste ingreep in sprekende gevallen, i.e. gevallen waarin de motivering apert ondeugdelijk is, meen ik dat het criterium van het eerste arrest, Benetton/Eco Swiss & Bulova, nog steeds het beste duidelijk maakt dat de deur dicht zit, terwijl het de vernietiging van een apert ondeugdelijk gemotiveerd arbitraal vonnis mijns inziens niet uitsluit en duidelijk genoeg is dat de deur daartoe kan worden geopend.7 Ik sluit niet uit dat de Hoge Raad met de genoemde preciseringen hetzelfde beoogt.
In ons omringende landen, bijvoorbeeld in internationale arbitrages in Frankrijk, is het overigens mogelijk dat partijen overeenkomen dat het scheidsgerecht een motivering van het arbitraal vonnis geheel achterwege laat.8 Te onzent is dit niet mogelijk, al wordt — in anticipatie op art. 1057 lid 5 Voorstellen tot wijziging van het Vierde Boek (Arbitrage) — verdedigd dat partijen dit ook thans al kunnen overeenkomen als het arbitraal geding eenmaal aanhangig is.9
Ik meen dat met de overeenkomst tot arbitrage afstand van het recht op de — uit het recht op een eerlijke behandeling ex art. 6 EVRM "voortvloeiende" motiveringsplicht wordt gedaan. Daarom is de uit art. 6 EVRM voortvloeiende motiveringsplicht in arbitrage niet van toepassing. Overigens beziet het Europese Hof de motiveringsplicht zelf ook met enige souplesse. De mate waarin op de rechter ingevolge het recht op een eerlijke behandeling een motiveringsplicht rust, is volgens het Hof afhankelijk van tal van omstandigheden (bijvoorbeeld van de aard van de beslissing en of het nationale procesrecht dat van toepassing is).10 Hoe dit ook zij, de beperking in de toetsing van de motivering van arbitrale vonnissen vormt — evenals afstand van het recht op openbare behandeling en uitspraak een belangrijk aspect dat aan arbitrage eigen is. Zij vloeit voort uit de overeenkomst tot arbitrage, waarmee partijen de zaak aan de competentie van de gewone rechter onttrekken en een scheidsgerecht bevoegd verklaren tot kennisneming van hun geschil. De gewone rechter zal mijns inziens niet in strijd met art. 6 EVRM handelen als hij een arbitraal vonnis "bevestigt" dat niet aan de uit de Europese jurisprudentie voortvloeiende motiveringseisen voldoet, zulks nog afgezien van de vraag of de Europese jurisprudentie überhaupt stringenter eisen stelt dan ons terzake geldende nationaal procesrecht, dat als gezegd ook volgens de Europese jurisprudentie van belang wordt geacht. Het gaat erom dat de gewone rechter een arbitraal vonnis niet inhoudelijk mag toetsen en daarom uiterst beperkt is in de toetsing van de motivering van arbitrale vonnissen.11
Resteren nog het — uit het recht op een eerlijke behandeling voortvloeiende recht op rechterlijk gehoor en het recht op "equality of arms" die ook voor het arbitraal geding hebben te gelden. Het gaat hierbij mijns inziens om een essentiële waarborg van art. 6 EVRM waarvan met de overeenkomst tot arbitrage geen afstand wordt gedaan.12 Voorts zullen laatstgenoemde waarborgen mijns inziens onverkort op het arbitraal geding van toepassing zijn. Zulks betekent overigens wel dat partijen in arbitrage afstand mogen doen van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak ex art. 6 EVRM voorzover zij daartoe gerechtigd zouden zijn in een geding bij de gewone rechter.13