Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/3.3.4.4
3.3.4.4 Redelijke termijn
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS505937:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ECRM 4 maart 1987 (R/Zwitserland), D & R, volume 51, blz. 83; zie ook SMITS, nos. 5.4.25.4.3 en LAWSON, blz. 160-161.
Zie EHRM 9 december 1994 (Stran en Stratis Andreadis/Griekenland) (nos. 38-41), NJ 1996, 592, m.nt. EB); vgl. daaromtrent LAWSON, blz. 165 en SNIJDERS, preadvies, no. 6.3.
Zie ECRM 4 maart 1987 (R/Zwitserland), D & R, volume 51, blz. 102; LAWSON, blz. 161, merkt terecht op dat de formulering wat ongelukkig is gekozen aangezien de Staat alleen voor eigen handelingen of handelingen van Staatsorganen aansprakelijk kan zijn en niet voor handelingen van arbiters.
Vgl. ook ECRM 4 maart 1987 (R/Zwitserland), D & R, volume 51, blz. 99-103, waarin de gewone rechter was verzocht te interveniëren op grond van art. 17 van het Zwitsers Concordaat voor Arbitrage 1969, een met art. 1031 lid 2 Rv vergelijkbare bepaling, met dien verstande dat de gewone rechter in de ogen van de Europese Commissie ingevolge art. 17 van het Zwitsers Concordaat niet de competentie had de opdracht van het scheidsgerecht te beëindigen, doch slechts een aanwijzing kon geven; in de zaak R/Zwitserland had de belanghebbende partij zelf jaren getalmd met het verzoek tot interventie, had de gewone rechter (in eerste aanleg en appel) de zaak spoedig (binnen 6 maanden) afgedaan en — ofschoon de rechter het verzoek tot interventie had afgewezen had het scheidsgerecht toch minder dan 7 maanden volgend op de indiening van het verzoek tot interventie arbitraal vonnis gewezen; art. 6 EVRM was derhalve niet geschonden.
Bij schending van de redelijke termijn door de rechter kan overigens, ondanks het bepaalde in art. 26 EVRM, soms al worden geklaagd als nog niet alle nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput (zo blijkt uit ECRM 9 maart 1984 (Poiss/Oostenrijk), D & R, volume 36, blz. 170 en EHRM 25 juni 1987 (Capuanolltalié), NJ 1990, 231, m.nt. EAA)
Bij schending van het recht op behandeling binnen redelijke termijn in arbitrage zal niet spoedig een beroep op art. 6 EVRM mogelijk zijn. Alleen vertragingen die de Staat zelf kunnen worden toegerekend, brengen een schending van art. 6 EVRM met zich.1 Op procedures bij de gewone rechter, als orgaan van de Staat, met betrekking tot arbitrages is art. 6 EVRM onverkort van toepassing.2 Als de gewone rechter in een geding met betrekking tot arbitrage zelf het recht op behandeling binnen redelijke termijn schendt, kan dit een schending van art. 6 EVRM vormen en de Staat worden toegerekend:
’In view of the above information concerning the nature of the voluntary arbitration procedure and the legislative framework, the Commission considers that the State cannot be held responsible for the arbitrators' actions unless, and only insofar as, the national courts were required to interven."3
Zo kan op grond van art. 1031 lid 2 Rv de voorzieningenrechter van de rechtbank de opdracht van het scheidsgerecht desverzocht beëindigen als het scheidsgerecht zijn opdracht niet binnen redelijke termijn uitvoert. Indien de voorzieningenrechter zelf alsdan niet (binnen redelijke) termijn ingrijpt of het verzoek tot beëindiging ten onrechte afwijst, kan hij in strijd met art. 6 EVRM handelen.4 Uiteindelijk kan worden geklaagd bij het Europese Hof in Straatsburg.5