Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/15.4.3.1
15.4.3.1 Inleiding
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS493521:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het fiscaal zwijgrecht ook gold tegenover andere ambtenaren die op grond van art. 65 AWR door of vanwege de minister van Financiën waren aangewezen als ambtenaar van de Belastingdienst (zie Kamerstukken II, 1997/98, 24 800, nr. 7).
Het materiële boeterecht in belastingzaken blijft geregeld in de AWR. Over de verhouding tussen de Vierde tranche Awb en het huidige fiscale boeterecht zie Thomas 2007.
Zie onder meer HR 13 december 1995,BNB 1996/844 (m.nt. Langereis).
Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 94.
In fiscale boetezaken waarin geen boeterechtelijk verhoor plaatsvindt, zal de handeling waaraan de boeteling de redelijke verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete wordt opgelegd, uiterlijk het opmaken van het boeterapport (bij vergrijpboetes) of het opleggen van de boetebeschikking (bij verzuimboetes) zijn. Andere zodanige handelingen kwamen in § 15.4.2.1 hiervoor ter sprake. In het vervolg concentreer ik mij op het eerste verhoor als wettelijk criterium, zoals vastgelegd in art. 5:10a Awb voor bestuurlijke boetezaken. Daarbij merk ik op dat dit moment niet alleen van belang is voor het kunnen inroepen van het zwijgrecht. Vanaf de criminal charge geldt het niet-meewerkrecht immers ook.
Het fiscaal zwijgrecht ex art. 67j AWR (oud) als voorloper
Beperk ik mij tot fiscale boetezaken, dan heeft de codificatie van het in art. 6 EVRM belichaamde recht tegen gedwongen zelfbelasting in fiscale boetezaken eind jaren negentig van de vorige eeuw haar beslag gekregen in de vorm van het fiscaal zwijgrecht in art. 67j AWR (oud). Dit recht behelsde dat ten aanzien van de boeteoplegging geen verklaring hoefde te worden afgelegd vanaf het moment dat een inspecteur jegens een belasting- of inhoudingsplichtige een handeling had verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kon verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zou worden opgelegd. Met het oog hierop was in art. 67l, lid 2 AWR (oud) een cautieplicht van de verhorende ambtenaar vastgelegd.1
De invoering per 1 juli 2009 van een algemene regeling in de Awb voor de procedure die bij het opleggen van een bestuurlijke boete door bestuursorganen moet worden gevolgd, heeft onder meer ertoe geleid dat enkele formeelrechtelijke boetebepalingen in de AWR, waaronder het fiscaal zwijgrecht en de daaraan verbonden cautieplicht, per die datum zijn vervallen.2 Hiervoor zijn in de plaats gekomen het boeterechtelijk zwijgrecht en de daaraan verbonden cautieplicht in art. 5:10a Awb. Dit ter onderscheiding van het strafrechtelijk zwijgrecht en de daaraan verbonden cautieplicht in art. 29 Sv, die niet gelden voor ‘strafvervolging’ in de vorm van het opleggen van een bestuurlijke boete.3
Boeterechtelijk zwijgrecht sluit niet woordelijk aan bij het verwachtingscriterium
Terwijl het fiscaal zwijgrecht in art 67j AWR (oud) bijna woordelijk aansluit op de formulering van het verwachtingscriterium door de belastingkamer van de HR, heeft de wetgever bij de formulering van het boeterechtelijk zwijgrecht in art. 5:10a Awb ervoor gekozen om aan te sluiten bij het (eerste) verhoor van de verdachte. Dit betekent niet dat het boeterechtelijk zwijgrecht niet (mede) steunt op het verwachtingscriterium. Volgens de wetgever is het verhoor veelal de eerste handeling waaraan de boeteling redelijkerwijs de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. De verdere beoordeling en invulling van (het aanvangsmoment van) de criminal charge in bestuurlijke boetezaken laat hij aan de rechter.4 Er zijn geen (gepubliceerde) uitspraken waarin de belastingkamer van de HR zich uitspreekt over de verhouding tussen de criminal charge en het verhoor als moment a quo voor het boeterechtelijk zwijgrecht.