Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/15.4.3.6
15.4.3.6 Aanvullende werking verwachtingscriterium in fiscale boetezaken
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS497190:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In de literatuur is al vaker verdedigd dat de autonome uitleg die het Hof in zijn rechtspraak aan het ‘charge’-begrip geeft, tot gevolg heeft dat het ‘charge’-moment eerder in de tijd kan liggen dan het moment van verhoor. Zie bijvoorbeeld Rogier 2009.
Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 94. Dit zou in de praktijk vaak niet tot een ander resultaat leiden dan een toetsing aan de formulering van het fiscaal zwijgrecht in art. 67j AWR (oud). Als dat al plaatsvindt, dan is het verhoor immers ook een ‘handeling waaraan betrokkene redelijkerwijs de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem een boete zal worden opgelegd’ en zal het in veel gevallen de eerste zodanige handeling zijn waarmee de overtreder wordt geconfronteerd.
Zie § 7.3.3 e.v. hiervoor.
Zie § 17.6 hierna.
Met de vaststelling dat het verhoor in bestuurlijke boetezaken veelal de eerste handeling is waaraan de boeteling in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete wordt opgelegd, erkent de wetgever dat voorafgaand aan het eerste verhoor de betrokkene al ‘charged with a criminal offence' kan zijn.1 Uiteindelijk zal de rechter, mede in het licht van art. 6 EVRM, zich een oordeel moeten vormen over de vraag wanneer in bestuurlijke boetzaken sprake is van een criminal charge.2 Die vraag zal zich bijvoorbeeld aandienen wanneer de boeteling zich op het standpunt stelt dat de inspecteur in strijd met het EVRM-zwijgrecht één of meer verklaringen van hem heeft afgedwongen buiten (formeel) verhoor in de zin van art. 5:10a Awb. Verwacht mag worden dat de belastingkamer van de HR ook na invoering van art. 5:10a Awb, in fiscale boetezaken aan het verwachtingscriterium zal willen vasthouden.
Belang verwachtingscriterium neemt toe bij erkenning niet-meewerkrecht
Hier speelt nog dat het EHRM inmiddels het niet-meewerkrecht als zelfstandige waarborg tegen zelfbelasting heeft erkend.3 Voor zover de Nederlandse wetgever en/of rechter het niet-meewerkrecht in fiscale boetezaken erkennen – die erkenning is tot op heden beperkt tot wilsafhankelijk materiaal4 –, dan ligt het in de rede om ook met betrekking tot de verkrijging van (wilsafhankelijke) documenten aan te sluiten bij het verhoor als aanvangsmoment voor de criminal charge. Hierbij teken ik aan dat in fiscale boetezaken veelal geen sprake is van (formele) verhoren. Wanneer geen sprake is van verhoor, dan is het verwachtingscriterium bepalend voor de criminal charge in fiscale boetezaken.