Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/15.4.3.8:15.4.3.8 Het verhoor als gefixeerde handeling
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/15.4.3.8
15.4.3.8 Het verhoor als gefixeerde handeling
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS492231:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hier past wel de kanttekening dat de inspecteur het tijdstip van het eerste verhoor zelf kan bepalen en ook dat het EVRM – in termen van minimumnormen – bindend is.
Melai/Groenhuijsen, aant. 5.3 bij art. 27. Wordt deze verwachting vooropgesteld bij het bepalen van het ‘charge’-moment, dan verdient ook het door de HR ontwikkelde verwachtingscriterium de voorkeur boven het beïnvloedingscriterium van het EHRM.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tegen het verhoor als beginpunt van de criminal charge in (fiscale) boetezaken, kan worden ingebracht dat voor de toepasselijkheid van het EVRM-zwijgrecht zoals gezegd volstaat de enkele vaststelling dat (belastende) verklaringen in de context van een strafprocedure van de verdachte worden afgedwongen. Vóór aansluiting bij het verhoor als aanvangsmoment van de criminal charge pleit dat het voor de praktijk waarschijnlijk meer duidelijkheid verschaft dan het criminal charge-begrip in de Straatsburgse rechtspraak. Het beïnvloedingscriterium is (nog) meer situationeel van aard.1
Melai en Groenhuijsen wijzen erop dat in het kader van het project Strafvordering 2001 is bepleit dat de criminal charge minder geschikt is om in plaats van het formele vervolgingsbegrip als aanknopingspunt te fungeren voor de toepasselijkheid van de rechtsbeschermende voorzieningen rond het voorbereidend onderzoek in strafzaken. Het belangrijkste bezwaar betreft de weinig heldere betekenis van dit begrip. Die laat onzekerheid bestaan over de gelding van de verdedigingsrechten. Het lijkt hen beter om de grens te leggen bij een vast te fixeren proceshandeling. Zij opteren voor het eerste verhoor in de hoedanigheid van verdachte (in de zin van art. 27 Sv; zie dadelijk). Het verhoor wekt in het algemeen de verwachting dat er een strafvorderlijk vervolg aan de zaak zal worden gegeven.2