Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.A.4.a
a. Karakterisering
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS477345:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Deze Vervlechting’ van publiek- en privaatrecht is een veel voorkomend verschijnsel binnen het agrarisch recht Zie in dit kader uitgebreid D.W. Brui], W. Brussaard, P. de Haan (red.), Inleiding agrarisch recht, Den Haag: Koninklijke Vermande 2004, p. 40. Zie tevens A. Klein Hazebroek, Regeling inzake de inrichting van het landelijke gebied, p. 3.
Zie in dit verband tevens het in onderdeel A.3.C van dit hoofdstuk besproken begrip ‘complementair bestuur’.
Aldus H.W. Mojet, Regelgeving inrichting landelijk gebied, p. 11. De opmerkingen in dit onderdeel moeten worden beschouwd als een herhaling c.q. korte samenvatting van het hiervoor in onderdeel A.3.c besprokene.
Zie tevens onderdeel A.3.c van dit hoofdstuk.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 3, p. 28-29. Zie tevens H.W. Mojet, Regelgeving inrichting landelijk gebied, p. 29.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 3, p. 29. Zie tevens H.W. Mojet, Regelgeving inrichting landelijk gebied, p. 29-30.
Onderdelen A.3.C resp. F.6 van dit hoofdstuk.
Aldus H.W. Mojet, Regelgeving inrichting landelijk gebied, p. 11.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 3, p. 45-46.
De WILG is te karakteriseren als een formele wet, die zowel publiekrecht als privaatrecht is.1 De wet bevat geen normstelling, maar is een bevoegdhedenwet: de relatie en samenwerking tussen de diverse bestuurslagen wordt uitgebreid omschreven.2 In de Memorie van Toelichting is het als volgt verwoord:
“Het voorliggend wetsvoorstel biedt een kader voor de onderlinge verhoudingen tussen Rijk en andere overheden, in het bijzonder de provincies, bij de vaststelling en uitvoering van het gebiedsgerichte beleid met betrekldng tot de inrichting en het beheer van het landelijk gebied, voor de verstrekking van daarvoor benodigde rijksmiddelen, alsmede voor de uitvoering van herverkaveling. Het gaat derhalve om een wetsvoorstel dat vooral procedurele kaders biedt. Dit betekent dat normerende wettelijke bepalingen, bijvoorbeeld in het kader van de milieuwetgeving, zoals de Wet milieubeheer, de meststojfenwetgeving en de daarmee samenhangende gebruiksregels op basis van de Wet bodembescherming, door het wetsvoorstel onverlet worden gelaten.”3
De WILG bevat regels over de programmering, financiering en uitvoering van het gebiedsgerichte beleid.4
Ten aanzien van de programmering geeft de Memorie van Toelichting een passende omschrijving.5 Het woord is aan de wetgever:
“Het gebiedsgerichte beleid, zoals hiervoor (…) is geduid, is gericht op de bevordering van de kwaliteit van het landelijk gebied door inrichting en beheer. In de Agenda Vitaal Platteland zijn daarbij acht beleidsthema’s aangegeven, waarvoor op het niveau van de centrale overheid ook concrete doelstellingen zijn vastgesteld. Andere overheden zijn vrij om andere thema’s die zij voor de bevordering van de kwaliteit van het landelijk gebied van belang achten in te brengen. Ook kunnen zij binnen de door de Agenda Vitaal Platteland bestreken thema’s aanvullende beleidsdoelstellingen vaststellen. (…) Het kabinet beoogt met het gebiedsgerichte beleid bepaalde rijksbeleidsdoelen te realiseren, en wel bij voorkeur op basis van en in combinatie met ideeën en voorstellen die worden ontwikkeld en gedragen in de desbetreffende gebieden.
De realisatie van dit gebiedsgerichte beleid is gebaat bij maatwerk. Of sterker: maatwerk is inherent aan het gebiedsgerichte beleid. In het wetsvoorstel wordt daartoe een centrale rol aan de provincies toegedeeld, zowel bij de programmering van het beleid als bij de uitvoering. In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe ten behoeve van die centrale rol van de provincies wordt voorgesteld de programmering van maatregelen, projecten en activiteiten voor het gebiedsgerichte beleid vorm te geven. Deze programmering moet uiteindelijk resulteren in uitvoering van het beleid en de financiering daarvan in de vorm van het voorgestelde ILG.”6
Vervolgens wordt het voor de programmering te gebruiken sturings- en programmeringsmodel beschreven en toegelicht:
“Vertrekpunt voor de programmering voor het Rijk is het nationale ruimtelijke beleid en de op het terrein van het plattelandsbeleid parlementair behandelde rijksbeleidsnota’s, op dit moment meer concreet: de in hoofdstuk 2 genoemde Nota Ruimte en de Agenda Vitaal Platteland.
Voor de provincies is het vertrekpunt gelegen in de eigen visie op de ontwikkeling van het landelijke gebied. Van belang zijn daarvoor bijvoorbeeld streekplannen, reconstructieplannen en omgevingsplannen van de provincies. In de toekomst zal de provinciale structuurvisie als bedoeld in de in voorbereiding zijnde nieuwe Wet ruimtelijke ordening een belangrijk leidend document zijn. Daarnaast wordt de provinciale programmering mede gevoed door autonoom beleid van de desbetreffende gemeenten en waterschappen.
Het voorgestelde programmeringsstelsel strekt ertoe de beleidsambities die volgen uit de rijks- en provinciale programmering bij elkaar te brengen en te laten resulteren in concrete, uitvoeringsgerichte afspraken voor de middellange termijn. Dit in de vorm van een bestuursovereenkomst die concreet en afrekenbaar de te realiseren prestaties verwoordt en aldus aangeeft op welke wijze de provincie bijdraagt aan het verwezenlijken van het gebiedsgerichte beleid van het Rijk. Op basis van die bestuursovereenkomst worden rijksmiddelen aan de provincies voor zeven jaren beschikbaar gesteld in de vorm van het ILG.”7
Voor de planning wordt gebruik gemaakt van meerjarenprogramma’s, zowel op rijksniveau als op provinciaal niveau, die de (algemene) doelen en middelen op rijks- en provinciaal niveau bevatten. In de bestuursovereenkomsten vinden vervolgens een nadere concretisering van de te realiseren prestaties en de bijhorende budgetten, alsmede de juridische borging van de gemaakte afspraken plaats.
Het tweede element, de financiering, vond tot 1 januari 2014 plaats door middel van het Investeringsbudget. De wijze van financiering is reeds uitgebreid behandeld (en deels ook ingehaald door de actualiteit), 8 zodat op deze plaats volstaan kan worden met een korte passage uit (wederom) de Memorie van Toelichting:
“Het ILG is een bundeling van de beschikbare rijksmiddelen voor inrichting en beheer, alsmede de daarmee samenhangende verwerving van gronden. Met het ILG wordteen oplossing geboden voor de in hoofdstuk 4 geschetste knelpunten, in het bijzonder dat van de vele verschillende en afzonderlijk geregelde budgetten en regelingen die van belang zijn voor het gebiedsgerichte beleid. Met het ILG wordt ten opzichte van de bestaande instrumenten de financiële flexibiliteit in verregaande mate vergroot, zowel in de tijd (het ILG heeft betrekking op een periode van zeven jaar) als wat betreft de aanwending van de middelen voor verschillende mogelijke activiteiten, maatregelen en projecten.”9
Als sluitstuk van de karakterisering van de WILG, komen wij terecht bij de onmisbare schakel van de uitvoering. Uitvoering van het geprogrammeerde en gefinancierde gebiedsgerichte beleid vindt plaats via landinrichting. Ten aanzien van de landinrichting bevat de WILG een nieuwe landinrichtingsprocedure, de herverkaveling, ter vervanging van de verschillende landinrichtingsprocedures uit de Landinrichtingswet.10 De kavelruil is als landinrichtingsinstrument blijven bestaan en is, in zeer minimaal gewijzigde vorm, overgenomen vanuit de Landinrichtingswet in de WILG. Ook aan landinrichting wijdt de Memorie van Toelichting een interessante passage:
“Op het sluiten van de bestuursovereenkomst en de toekenning van het ILG volgt de fase van de uitvoering. Binnen de daarvoor vastgestelde voorwaarden kunnen gedeputeerde staten zelf beslissen op welke wijze de beschikbare middelen worden aangewend. (…) Ten algemene is in dit verband geen verdere formeelwettelijke regeling noodzakelijk. (… ). De uitvoering van werken en het doen van andere investeringen kan door gedeputeerde staten langs privaatrechtelijke weg worden geregeld, uiteraard met inachtneming van terzake geldende publiekrechtelijke voorschriften, bijvoorbeeld in het leader van de aanbestedingsregelgeving. Waar het de minnelijke verwerving van gronden in het kader van het plattelandsbeleid betreft, zij erop gewezen dat het Bureau beheer landbouwgronden daarbij een centrale rol speelt. De taken en werkwijze van het bureau zijn geregeld bij en krachtens de Wet agrarisch grondverkeer. (…) Eén en ander ligt anders op het punt van inrichting, en wel in het bijzonder met betrekking tot die inrichtingsmaatregelen die niet op basis van overeenstemming met alle betrokken partijen worden geïnitieerd en uitgevoerd. Als inrichtingsmaatregelen niet op vrijwillige basis zijn te realiseren biedt het landinrichtingsinstrumentarium van oudsher mogelijkheden om krachtens overheidsbesluiten werken uit te voeren en in verband daarmee zo nodig percelen te herverkavelen door eigendoms- en gebruiksrechten op gronden in het in te richten gebied opnieuw vast te stellen en te verdelen. Een dergelijk vergaand instrument raakt rechtstreeks aan de rechten van justitiabelen, waaronder het eigendomsrecht, en behoeft dan ook een zorgvuldige formeelwettelijke regeling. Thans is deze verankerd in de Landinrichtingswet.
Vanouds wordt de kern van het landinrichtingsinstrument gevormd door de mogelijkheid tot herverkaveling. Gronden kunnen in een herverkaveling worden vrijgemaakt van het bestaande gebruik en worden heringericht, met het oog op onder meer doelstellingen als verbetering van de agrarische verkavelingsstructuur, de aanleg of verbetering van wegen of waterlopen en van andere voorzieningen van openbaar belang, en de aanleg en ontwikkeling van gebieden die uit een oogpunt van natuur en landschap waardevol zijn. In de hoofdstukken 4 en volgende van het wetsvoorstel wordt een nieuwe regeling van het inrichtingsinstrument voorzien ter vervanging van de vigerende Landinrichtingswet. (…) Een bijzondere vorm van landinrichting in de vigerende Landinrichtingswet is de ruilverkaveling bij overeenkomst. In het voorliggende wetsvoorstel wordt deze consensuele vorm van landinrichting (het betreft de kavelruil, JR) gehandhaafd, aangezien aan de ruilverkavelingsovereenkomst enkele bijzondere, van het algemene overeenkomstenrecht afwijkende rechtsgevolgen zijn verbonden, (onderstreping door mij, JR)”11
De laatste zin uit de geciteerde passage roept de vraag op welke ‘afwijkende rechtsgevolgen’ bedoeld zijn door de wetgever. Een antwoord op deze vraag wordt gegeven in onderdelen C.2 en C.7 van dit hoofdstuk.