Personentoetsingen in de financiële sector
Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/8.5.2:8.5.2 Situaties van samenloop
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/8.5.2
8.5.2 Situaties van samenloop
Documentgegevens:
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268347:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
A.J.J.B.M. Kersten, ‘Disciplinaire maatregelen bij overtreding van compliance-policies’, TvCo 2015, afl. 4, p. 191.
Zie hierover ook I.P. Palm-Steyerberg, ‘Toetsingscriteria bestuurders en commissarissen’, in: C.A. Wielenga (red.), Jaarboek Compliance 2011, Nederlands Compliance Instituut, Nieuwerkerk aan den IJssel: Gelling Publishing 2011, p. 59 en 60 en hoofdstuk 2, par. 2.2.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Gedragsregels maken dus vrijwel allemaal, in min of meer dezelfde bewoordingen, ook onderdeel uit van de geschiktheidstoets. Dit maakt dat er situaties mogelijk zijn dat een en dezelfde gedraging zowel tuchtrechtelijk laakbaar is, als tot een negatief geschiktheidsoordeel kan leiden. Bijvoorbeeld wanneer een bestuurder op niet-zakelijke voorwaarden een persoonlijke hypotheek voor zichzelf zou regelen of belangrijke opdrachten gunt aan het bedrijf van een familielid (mogelijk ontoelaatbare belangenverstrengeling). Ook wanneer bestuurders of hoge leidinggevenden hun positie in de bank zouden misbruiken voor het plegen van fraude of witwassen, kan sprake zijn van dergelijke samenloop, of wanneer zij de toezichthouder of klanten bewust onjuist zouden informeren.
Er zijn echter ook situaties te bedenken waarin de toezichthouder wel zal kunnen optreden, maar de tuchtrechter naar alle waarschijnlijkheid niet. Zo kan de afwezigheid van bepaalde kennis of werkervaring leiden tot een negatief geschiktheidsoordeel, zonder dat dit tuchtrechtelijk verwijtbaar hoeft te zijn. In de literatuur wordt verwijtbaarheid (‘wangedrag’), of zelfs onwil of moedwil wel als voorwaarde gesteld voor een tuchtrechtelijke veroordeling. Zonder verwijtbaarheid zouden sancties in het tuchtrecht niet mogelijk zijn.1 Onwil of moedwil zijn voor het vellen van een negatief geschiktheidsoordeel echter geen vereisten. De geschiktheidstoets ziet in beginsel meer op “onkunde” dan op onwil, al is de grens in de praktijk niet altijd goed te trekken.2 Zo kunnen bovenstaande voorbeelden evengoed relevant zijn voor de betrouwbaarheidstoets.
Een tuchtrechtelijke veroordeling zal, net als bij een betrouwbaarheidstoetsing, niet zonder meer leiden tot een negatief geschiktheidsoordeel. Zowel bij de beoordeling van de vraag of de informatie redelijke aanleiding geeft tot een hertoetsingsonderzoek als de vraag of betrokkene – nog steeds – aan de geschiktheidseisen voldoet, heeft de toezichthouder een eigen beoordelingsruimte en is daarbij niet aan het oordeel van een derde, zoals de tuchtrechter, gebonden.