Rechtbank Overijssel 3 februari 2022, ECLI:NL:NL:RBOVE:2022:357.
HR, 02-02-2024, nr. 23/00792
ECLI:NL:HR:2024:148
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-02-2024
- Zaaknummer
23/00792
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:148, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑02‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:10411
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:909
ECLI:NL:PHR:2023:909, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑10‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:148
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑02‑2023
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2024/87
PFR-Updates.nl 2024-0024
NJ 2024/95 met annotatie van S.F.M. Wortmann
AA20240349 met annotatie van Nuytinck A.J.M. André
JPF 2024/37
PFR-Updates.nl 2023-0238
JPF 2024/37
Uitspraak 02‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht; erkenning door duomoeder (art. 1:198 lid 1, aanhef en onder c, BW; art. 1:204 lid 1 BW; art. 1:204 lid 4 BW). Verzoek tot vervangende toestemming om kind te erkennen. Heeft verzoekster als levensgezel van moeder ingestemd met daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/00792
Datum 2 februari 2024
BESCHIKKING
In de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: C.G.A. van Stratum,
tegen
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de moeder,
advocaat: N.C. van Steijn,
en
[belanghebbende 2], in haar hoedanigheid van bijzonder curator van [kind 1],
kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
BELANGHEBBENDE in cassatie,
hierna: de bijzonder curator,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/08/271223 / FA RK 21 -2300 van de rechtbank Overijssel van 3 februari 2022;
b. de beschikking in de zaken 200.310.219/01, 200.310.219/02 en 200.310.286/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 december 2022.
De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De moeder heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De bijzonder curator heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De moeder heeft in 2017 besloten dat zij zwanger wil worden met behulp van een zaaddonor. Zij is op zoek gegaan naar een donor en heeft zich in november 2017
ingeschreven op een donorwebsite. Uiteindelijk heeft zij haar zwager (hierna: de donor) bereid gevonden om te doneren. De moeder is omstreeks oktober 2018 gestart met kunstmatige inseminatie met sperma (KID) van de donor. Na meerdere mislukte KID-pogingen heeft de moeder op 20 mei 2019 van de behandelend arts toestemming gekregen om een IVF-traject te starten.
(ii) De moeder en de vrouw hebben op 21 juni 2019 een affectieve relatie gekregen.
(iii) In juli 2019 heeft de bevruchting buiten het lichaam plaatsgevonden via het IVF-traject. Kort daarna zijn de embryo’s teruggeplaatst. De vrouw was bij de terugplaatsing aanwezig.
(iv) Op 6 april 2020 is een kind geboren uit de moeder (hierna: het kind). De moeder was ten tijde van de geboorte van het kind van rechtswege alleen belast met het ouderlijk gezag.
(v) In augustus 2020 is de relatie tussen de moeder en de vrouw verbroken. Na het uit elkaar gaan van partijen heeft er enige tijd omgang plaatsgevonden tussen de vrouw en het kind. De moeder heeft de omgang in mei 2021 stopgezet.
(vi) Bij vonnis van 13 juli 2021 heeft de voorzieningenrechter een omgangsregeling vastgesteld tussen het kind en de vrouw.
(vii) Op 11 november 2021 is een tweede kind geboren uit de moeder. De donor is ook van het tweede kind de biologische vader. De moeder en de donor zijn gezamenlijk belast met het gezag over het tweede kind.
(viii) De donor heeft het kind op 3 mei 2022 erkend en op 6 mei 2022 is in het gezagsregister aangetekend dat de donor gezamenlijk met de moeder is belast met het gezag over het kind.
2.2
In deze procedure heeft de vrouw onder meer verzocht haar vervangende toestemming te verlenen om het kind te erkennen op de voet van art. 1:204 lid 4 BW. De rechtbank1.heeft het verzoek toegewezen.
2.3
Het hof2.heeft het verzoek afgewezen. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen:
“Vervangende toestemming tot erkenning
5.2
Op grond van het bepaalde in artikel 1:204 lid 4 BW kan de toestemming van de moeder wiens kind de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt op verzoek van de persoon die als levensgezel van de moeder heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad door de toestemming van de rechter worden vervangen als dit in het belang van het kind is. Voor de vraag of het verzoek al dan niet kan worden toegewezen, is aldus belangrijk om vast te stellen:
a. of de vrouw als levensgezel van de moeder heeft ingestemd met een daad die de verwekking van [het kind] tot gevolg kan hebben gehad, en
b. of de vervangende toestemming tot erkenning in het belang is van [het kind].
5.3
Partijen zijn het er (onder meer) niet over eens of de vrouw heeft ingestemd met de daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad. De moeder betwist dat dit het geval is. Het was haar eigen keuze om zwanger te worden en zij was al een lange tijd zelfstandig bezig met het zwangerschapstraject. Het enkele feit dat de vrouw bij het einde van dit traject aanwezig was, betekent niet dat zij heeft ingestemd met de daad van verwekking. De vrouw stelt daarentegen dat er wel degelijk sprake was van een gezamenlijke beslissing om zwanger te worden. Doordat de moeder en de vrouw een relatie aangingen tijdens het IVF-traject hebben zij er samen voor gekozen om ouders te worden. De vrouw was bovendien bij het belangrijkste moment van het IVF-traject aanwezig en ook na de bevruchting heeft zij zich als aanstaand ouder gedragen. De bijzondere curator deelt het standpunt van de vrouw.
5.4
De wet schrijft niet voor op welke wijze moet worden ingestemd met de daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van instemming door de vrouw, moeten alle relevante omstandigheden van het geval worden betrokken.
5.5
Het hof is allereerst, anders dan de rechtbank, van oordeel dat in geval van een bevruchting op een andere dan natuurlijke wijze de daad van verwekking meer omvat dan de enkele bevruchting van de eicellen of de terugplaatsing van de embryo's. Een kunstmatige donorbevruchting bestaat namelijk blijkens artikel 1 aanhef en sub c van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting uit (meerdere) handelingen die zijn gericht op het anders dan op natuurlijke wijze tot stand komen van een zwangerschap. In de onderhavige situatie heeft de moeder een voortraject doorlopen van ruim anderhalf jaar. Voorafgaand aan de bevruchting zijn er door haar allerlei noodzakelijke (medische) stappen gezet om de bevruchting mogelijk te maken. Zo heeft de moeder gezocht naar een donor, is een cyclus van KID-behandelingen uitgevoerd, heeft zij gesprekken met artsen gevoerd en hebben diverse medische handelingen in het kader van het IVF-traject plaatsgevonden (zoals het toedienen van injecties, de punctie, de bevruchting buiten het lichaam en de terugplaatsing van de embryo’s). Het enkele moment van de bevruchting of terugplaatsing van de embryo's kan daarom niet los worden gezien van de andere handelingen die zijn gericht op het tot stand komen van een zwangerschap.
5.6
Gelet op de feitelijkheden voorafgaand aan de zwangerschap, concludeert het hof dat de vrouw in ieder geval geen invloed heeft gehad op de beslissing van de moeder om zwanger te worden. De moeder heeft deze beslissing zelfstandig genomen ruim voordat zij een relatie kreeg met de vrouw. Bij het KID-traject was de vrouw niet als levensgezel in beeld. Ook de toestemming voor het latere IVF-traject heeft de moeder alleen bewerkstelligd. Overigens heeft de moeder tijdens het traject de vrouw op de hoogte gehouden over de ontwikkelingen, maar uit de overgelegde WhatsApp-berichten blijkt niet anders dan dat dit uitsluitend informatief was. Zij hadden op dat moment nog geen relatie en de moeder informeerde ook andere personen uit haar netwerk op een vergelijkbare wijze. In ieder geval blijkt uit deze berichten niet dat de vrouw een aandeel had in de beslissing van de moeder om zwanger te worden en in dat kader een heel traject van (medische) behandelingen aan te gaan, laat staan dat er sprake was van een gelijkwaardige rol bij de besluitvorming.
5.7
Toen de vrouw eenmaal als partner van de moeder betrokken raakte, was het zwangerschapstraject al in een vergevorderd stadium. Niet gebleken is dat de moeder en de vrouw bij het aangaan van hun relatie concreet hebben gesproken over de aanstaande zwangerschap en hun rol daarin. Ook zijn tijdens deze procedure geen specifieke feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit moet worden afgeleid dat de vrouw met de zwangerschap van de moeder heeft ingestemd, anders dan dat zij de keuze van de moeder duldde en – meer op passieve wijze – meebewoog in de fase waarin de moeder zich op dat moment bevond. Het hof is daarom van oordeel dat het bestaan van de relatie tussen de moeder en de vrouw op het moment van de bevruchting en de terugplaatsing gelet op de gegeven omstandigheden onvoldoende is om daaruit de instemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 4 BW af te leiden. Nadat de vrouw en de moeder de relatie waren gestart was de vrouw inderdaad aanwezig bij de terugplaatsing van de embryo's. Daaruit kan worden afgeleid dat de vrouw de moeder op dat moment ondersteunde in het traject dat zij doorliep, en mogelijk zelfs in haar wens om zwanger te worden, maar zij heeft op dat moment geen invloed gehad op de (eerdere) keuzes van de moeder, het gehele gevolgde traject en de uiteindelijke zwangerschap van de moeder. Het IVF-traject was al gestart voor de relatie. De eicelpunctie en zaaddonatie hadden zelfs al plaatsgevonden en de bevruchting was buiten het lichaam tot stand gebracht. Als de vrouw al op dat moment (expliciet of impliciet) zou hebben ingestemd met alle handelingen die de verwekking tot gevolg konden hebben (waaronder de terugplaatsing), dan kan dat gelet op de hele gang van zaken in dit geval niet tot een ander oordeel leiden.
5.8
De vrouw heeft tot slot nog aangevoerd dat zij zich tijdens de zwangerschap van de moeder als ouder heeft gedragen, onder meer door te helpen bij het kiezen van een naam en doordat zij als ouder op het geboortekaartje stond. Daarnaast is zij vanaf de geboorte van [het kind] zeer betrokken bij haar geweest. Het hof stelt vast dat deze omstandigheden pas na de totstandkoming van de zwangerschap hebben plaatsgevonden. Dergelijke gedragingen van de moeder en de vrouw kunnen weliswaar verdere invulling geven aan hun gedragingen en bedoelingen in het tijdsbestek voorafgaand aan de zwangerschap, maar geven in dit geval geen aanleiding voor een andere visie op de rol van de vrouw bij de totstandkoming van de zwangerschap. In zoverre acht het hof dit dan ook niet relevant voor de beoordeling van de vraag of de vrouw heeft ingestemd met de daad die tot verwekking kan hebben geleid.
5.9
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er geen sprake is van instemming met de daad die verwekking tot gevolg kan hebben gehad. De overige voorwaarden van artikel 1:204 lid 4 BW (de vrouw als levensgezel en het belang van [het kind]) hoeven daarom niet meer door het hof te worden beoordeeld. Dit betekent dat het hoger beroep van de moeder en de donor op dit onderdeel slaagt. Het hof zal daarom de beslissing van de rechtbank om de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [het kind] vernietigen.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat geen sprake is van instemming van de vrouw met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad. Het klaagt onder meer dat het hof een te ruime uitleg heeft gegeven aan de begrippen ‘daad die verwekking tot gevolg kan hebben gehad’ en ‘instemmen’ in art. 1:204 lid 4 BW. Wat betreft het begrip ‘daad die verwekking tot gevolg kan hebben gehad’ betoogt het middel dat het gerechtvaardigd is dat begrip te beperken tot het moment van de bevruchting. Wat betreft het begrip ‘instemming’ klaagt het middel dat het hof dat ten onrechte uitlegt als een gezamenlijke gelijkwaardige beslissing. Het middel betoogt dat ‘instemmen’ betekent: “het met iemand of iets eens zijn en dit te kennen geven”.
3.2
Indien een kind, zoals in dit geval, is geboren als gevolg van kunstmatige bevruchting, wordt onder een ‘daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad’ in de zin van art. 1:204 lid 4 BW niet verstaan de enkele bevruchting van de eicellen en/of de terugplaatsing van het embryo, maar het gehele traject van kunstmatige bevruchting. In een zodanig geval is van ‘instemming als levensgezel’ als bedoeld in die bepaling pas sprake als de levensgezel en de moeder samen ervoor hebben gekozen om langs de gevolgde weg van kunstmatige bevruchting (te trachten) een kind te krijgen. Deze uitleg strookt met de passage uit de wetsgeschiedenis, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.14, en met de passage uit de wetsgeschiedenis van de Wet van 25 november 2013 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie3., aangehaald in die conclusie onder 3.25.
3.3
Het hof heeft (in de rov. 5.5-5.8) onder meer overwogen dat de moeder voorafgaand aan de bevruchting een traject heeft doorlopen van ruim anderhalf jaar, dat de moeder tijdens dat traject verschillende noodzakelijke medische stappen heeft gezet om kunstmatige bevruchting mogelijk te maken, dat de vrouw geen invloed heeft gehad op de beslissingen die de moeder tijdens dat traject heeft genomen omdat de vrouw toen nog niet als levensgezel van de moeder betrokken was, en dat het besluit van de moeder om een kind te krijgen er dus al was voordat de vrouw als levensgezel in beeld kwam en niet is gebleken dat de vrouw op dit besluit van de moeder invloed heeft gehad. Deze overwegingen komen erop neer dat de moeder en de vrouw er niet samen voor hebben gekozen om langs de gevolgde weg (te trachten) een kind te krijgen. Die overwegingen, die tegen de achtergrond van de gedingstukken niet onbegrijpelijk zijn, kunnen het oordeel van het hof dragen dat in dit geval geen sprake is van instemming met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad in de zin van art. 1:204 lid 4 BW. De klachten falen.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 2 februari 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 02‑02‑2024
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10411.
Stb. 2013, 480. Vgl. ook het rapport Kind en ouders in de 21e eeuw van de Staatscommissie Herijking ouderschap, p. 415.
Conclusie 13‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Verzoek vervangende toestemming tot erkenning door de vrouw die tijdens een reeds aangevangen fertiliteitstraject een relatie krijgt met de moeder. Wanneer is sprake van instemming met de daad die verwekking tot gevolg kan hebben (art. 1:204 lid 4 BW)?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00792
Zitting 13 oktober 2023
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[de vrouw] ,verzoekster tot cassatie,
hierna: de vrouw,advocaat: mr. C.G.A. van Stratum,
tegen
[de moeder] ,verweerster in cassatie,
hierna: de moeder,advocaat: mr. N.C. van Steijn.
Belanghebbenden:
1. [belanghebbende 1] ,
2. [belanghebbende 2] .
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Partijen hebben een relatie gekregen tijdens een (al eerder aangevangen) fertiliteitstraject van de moeder. Tijdens de relatie is een kind geboren. In deze zaak heeft de vrouw verzocht om vervangende toestemming om het kind te erkennen op de grond dat zij als levensgezel heeft ingestemd met een daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad (art. 1:204 lid 4 BW). De rechtbank heeft de vervangende toestemming verleend omdat zij van oordeel is dat het gaat om de instemming op het moment van de punctie van de eitjes en de terugplaatsing vlak daarna. Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank omdat naar het oordeel van het hof in geval van een bevruchting op een andere dan natuurlijke wijze de daad van verwekking meer omvat dan de enkele bevruchting van de eicellen of de terugplaatsing van de embryo’s. Ook zijn er volgens het hof geen specifieke feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit moet worden afgeleid dat de vrouw met de zwangerschap van de moeder heeft ingestemd, anders dan dat zij de keuze van de moeder duldde en – meer op passieve wijze – meebewoog in de fase waarin de moeder zich op dat moment bevond. In cassatie wordt geklaagd dat het hof een te ruime uitleg heeft gegeven aan de ‘daad van verwekking’ en aan het begrip ‘instemmen’. Daarnaast betoogt het middel met verschillende klachten dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan voor zover daartegen in cassatie geen klacht1.is gericht:2.
(i) De moeder heeft in 2017 besloten dat zij zwanger wil worden met behulp van een zaaddonor. Zij is op zoek gegaan naar een donor en heeft zich in november 2017 ingeschreven op een donorwebsite. Uiteindelijk heeft zij haar zwager, de donor, bereid gevonden om te doneren en vervolgens is zij omstreeks oktober 2018 gestart met kunstmatige inseminatie met donorsperma (KID). Na meerdere mislukte KID-pogingen heeft zij op 20 mei 2019 van de behandelend arts toestemming gekregen om een IVF-traject te starten.
(ii) De moeder en de vrouw hebben op 21 juni 2019 een affectieve relatie gekregen.
(iii) Op 25 juli 2019 heeft de bevruchting buiten het lichaam plaatsgevonden via het IVF-traject en op 28 juli 2019 zijn de embryo’s teruggeplaatst. De vrouw was bij de terugplaatsing aanwezig.
(iv) Op [geboortedatum] 2020 is [kind 1] (hierna: het kind) geboren uit de moeder. De moeder was ten tijde van de geboorte van het kind van rechtswege alleen belast met het ouderlijk gezag.
(v) In augustus 2020 is de relatie tussen de moeder en de vrouw verbroken. Na het feitelijk uit elkaar gaan van partijen heeft er enige tijd een omgangsregeling plaatsgevonden tussen de vrouw en het kind. De moeder heeft de omgang in mei 2021 stopgezet.
(vi) Bij kortgedingvonnis van 13 juli 2021 heeft de voorzieningenrechter een omgangsregeling vastgesteld tussen het kind en de vrouw.
(vii) Op [geboortedatum] 2021 is [kind 2] geboren uit de moeder. De donor is de biologische vader. De moeder en de donor zijn gezamenlijk belast met het gezag over [kind 2] .
(viii) De donor heeft het kind op 3 mei 2022 erkend en op 6 mei 2022 is in het gezagsregister aangetekend dat de donor gezamenlijk met de moeder is belast met het gezag over het kind.
2.2
Bij inleidend verzoekschrift, bij de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle (hierna: de rechtbank) ingekomen op 20 september 2021, heeft de vrouw voor zover in cassatie van belang verzocht om haar vervangende toestemming te verlenen om het kind te erkennen. De vrouw legt – kort samengevat – aan haar verzoeken ten grondslag dat partijen kort voordat de moeder (tussen 25 en 28 juli 2019) zwanger werd van het kind een affectieve relatie kregen (juni 2019) en dat uit die relatie het kind is geboren. Volgens de vrouw valt zij onder de kwalificatie instemmende levensgezel in de zin van art. 1:204 lid 4 BW. De vrouw stelt dat zij het kind graag wil erkennen, maar dat de moeder daarvoor geen toestemming geeft en dat de vrouw en de moeder er evenmin in slagen om afspraken te maken over het gezag, de zorg- en/of omgangsregeling.
2.3
De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 1 oktober 2021 ingevolge art. 1:212 BW een bijzondere curator over de minderjarige benoemd.
2.4
Bij beschikking van 3 februari 20223.heeft de rechtbank – onder meer – de vrouw vervangende toestemming verleend voor de erkenning van het kind en een omgangsregeling vastgesteld. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de manier waarop partijen hun relatie hebben genoemd en vormgegeven volgt dat de vrouw als levensgezel van de moeder is aan te merken (rov. 5.10). Volgens de rechtbank moet de wet zo worden gelezen dat de levensgezel moet hebben ingestemd op het moment van en met de punctie en vlak daarna de terugplaatsing van de eitjes. Niet van belang is of is ingestemd met het gezamenlijk ouderschap (rov. 5.11). Het feit dat de vrouw nauw betrokken is geweest bij (belangrijke momenten van) het IVF-traject maken dat naar het oordeel van de rechtbank voldoende is gebleken dat het impliciet de uitdrukkelijke wens van beide partijen was om samen een kind te krijgen (rov. 5.12). De moeder zou volgens de rechtbank onvoldoende hebben onderbouwd dat het de bedoeling was dat de biologische vader de juridische ouder van het kind zou zijn (rov. 5.13). De rechtbank heeft erkenning in het belang van het kind geacht (5.14) en het verzoek van de vrouw toegewezen.
2.5
Zowel de vrouw als de moeder en de donor zijn van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden (hierna: het hof). Voor zover in cassatie van belang was het beroep van de moeder en de donor gericht tegen de beslissing van de rechtbank de vrouw vervangende toestemming te verlenen om het kind te erkennen. Zij hebben het hof ook verzocht om voor recht te verklaren dat de donor het kind rechtsgeldig heeft erkend.
2.6
De vrouw heeft vervolgens - na vermeerdering van haar verzoek - verzocht om de erkenning van het kind door de donor nietig te verklaren, althans te vernietigen, alsmede de registratie van erkenning en gezag in het gezagsregister door te halen. De vrouw heeft ook bezwaar gemaakt tegen het toelaten van de donor als belanghebbende.
2.7
Bij beschikking van 1 december 20224.heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover is beslist op het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning. Het hof heeft – voor zover in cassatie van belang – het verzoek om vervangende toestemming tot erkenning en de verzoeken van de vrouw betreffende de nietigheid en vernietiging van de erkenning door de donor afgewezen. Het hof heeft daartoe overwogen dat op grond van art. 1:204 lid 4 BW de vrouw die als levensgezel van de moeder heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad de rechter kan vragen om vervangende toestemming tot erkenning van het kind als dit in het belang is van het kind (rov. 5.2). Bij beantwoording van de vraag of er sprake is van instemming door de vrouw, moeten volgens het hof alle omstandigheden van het geval worden betrokken (rov. 5.4). Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat in geval van een bevruchting op een andere dan natuurlijke wijze de daad van verwekking meer omvat dan de enkele bevruchting van de eicellen of de terugplaatsing van de embryo’s (5.5). Gelet op de feitelijkheden voorafgaande aan de zwangerschap, concludeert het hof dat de vrouw geen invloed heeft gehad op de beslissing van de moeder om zwanger te worden. De vrouw was bij het KID-traject niet als levensgezel van de moeder in beeld en ook de toestemming voor het latere IVF-traject heeft de moeder alleen bewerkstelligd (rov. 5.6). Toen de vrouw als partner van de moeder betrokken raakte, was het zwangerschapstraject al in een vergevorderd stadium. Volgens het hof is niet gebleken dat de moeder en de vrouw bij het aangaan van de relatie concreet hebben gesproken over de aanstaande zwangerschap en hun rol daarin. Ook zijn geen specifieke feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgens het hof moet worden afgeleid dat de vrouw met de zwangerschap van de moeder heeft ingestemd, anders dan dat zij de keuze van de moeder duldde en – meer op passieve wijze – meebewoog in de fase waarin de moeder zich op dat moment bevond. Het hof oordeelt dan ook dat het bestaan van de relatie tussen de moeder en de vrouw op het moment van de bevruchting en de terugplaatsing gelet op de gegeven omstandigheden onvoldoende is om daaruit de instemming als bedoeld in art. 1:204 lid 4 BW af te leiden (rov. 5.7). Het hof is van oordeel dat geen sprake is van instemming met de daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad, zodat het hof de beslissing van de rechtbank om de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van het kind vernietigt (rov. 5.9). De verzoeken van de vrouw die strekken tot nietigheid of vernietiging van de erkenning van de donor wijst het hof af. De door de rechtbank verleende vervangende toestemming aan de vrouw komt te ontvallen, zodat er geen sprake is van een nietige erkenning in de zin van art. 1:204 lid 1 onder e BW en volgens het hof is ook geen sprake van misbruik van bevoegdheid door de moeder, zodat de erkenning ook niet vernietigbaar is (rov. 5.16).
2.8
Namens de vrouw is – tijdig5.– beroep in cassatie ingesteld. Namens de moeder is verweer gevoerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit 6 onderdelen en is gericht tegen het oordeel van het hof dat de vrouw geen vervangende toestemming wordt verleend om het kind te erkennen omdat er geen sprake is van instemming van de vrouw met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad. Voordat ik overga tot bespreking van de cassatiemiddelen schets ik het juridisch kader van het afstammingsrecht en meer in het bijzonder van art. 1:204 BW.
Juridische kader afstammingsrecht
3.2
Het afstammingsrecht bepaalt het ontstaan en eindigen van de juridische band tussen ouder en kind. Vanaf de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1838 sloot het afstammingsrecht primair aan op het het huwelijk. Aanvankelijk was het van groot belang of een kind binnen huwelijk – het heette dan ‘wettig’ kind – dan wel buiten huwelijk – als ‘onwettig’ kind – was geboren.6.Dit stelsel van afstamming van buiten huwelijk geboren kinderen was zo goed als overgenomen uit het Franse recht. Kinderen die buiten een huwelijk werden geboren, kregen niet zomaar een familierechterlijke betrekking met hun ouders, maar moesten eerst worden erkend.7.Deze regeling bleef bestaan tot 19478.. Toen verviel de erkenning voor de moeder en kwam het kind door de geboorte direct in een familierechtelijke betrekking met zijn moeder te staan.9.Hoewel de positie van kinderen die buiten een huwelijk werden geboren langzaam verbeterde, bleven de mogelijkheden om op grond van de genetische band tussen de verwekker en het kind tussen hen een familierechtelijke betrekking te vestigen lang zeer beperkt. Het belang van het kind moest in die tijd uitdrukkelijk wijken voor het belang van de samenleving om het huwelijk te beschermen.10.De achterstelling van buiten echt geboren kinderen is met iedere wetswijziging steeds meer afgenomen. Mede door de rechtspraak van het EHRM11.en gewijzigde maatschappelijke-opvattingen omtrent huwelijk en huwelijksmoraal kwam steeds meer het accent op de bescherming van het kind te liggen in plaats van op bescherming van het huwelijk.12.
3.3
Indien het kind buiten huwelijk geboren wordt, kan een man (en sinds 2014 de vrouwelijke partner van de moeder) het kind als zijn (resp. haar) kind erkennen. Hierdoor wordt juridisch ouderschap gevestigd; biologisch ouderschap is hiervoor niet vereist. De erkenning werd en wordt gezien als een rechtshandeling, niet als een waarheidshandeling.
3.4
Bij de Herziening van het afstammingsrecht in de jaren tachtig van de vorige eeuw is stilgestaan bij de vraag of de erkenning een ander karakter zou moeten krijgen en aan zou moeten sluiten bij het waarheidsbeginsel, zodat enkel de biologische vader het kind kan erkennen. De toenmalige Minister van Justitie Korthals Altes en Staatssecretaris van Justitie Korte- van Hemel vonden het echter niet in het belang van het kind om voor de erkenning alleen uit te gaan van de biologische werkelijkheid. Zij achtten het van groot belang voor een kind dat het een vader heeft die zich ook feitelijk als zodanig gedraagt en die ook maatschappelijk als zodanig wordt aanvaard:13.
“Ook wij hebben ons bezonnen over de vraag welke het karakter van de erkenning moet zijn, waarbij wij ons door de volgende overwegingen hebben laten leiden. Wij hebben de indruk - mede op grond van de reacties op het Voorontwerp Herziening van het Afstammingsrecht - dat hier te lande in de praktijk de huidige regeling van de erkenning over het algemeen als bevredigend wordt ervaren. Een feit is echter dat Nederland in West-Europa wat betreft deze kwestie een uitzonderingspositie inneemt. In de wetgeving van de ons omringende landen is uitgangspunt dat alleen de biologische vader kan erkennen: de rechtsgeldigheid van de erkenning kan worden betwist op grond van het feit dat de erkenner niet de verwekker is. De niet-verwekker heeft dan de mogelijkheid door middel van adoptie het vaderschap te verkrijgen. Dit is bijvoorbeeld het geval in België, Zwitserland en Frankrijk. Ook het reeds genoemde Europees Verdrag van 1975 inzake de rechtspositie van onwettige kinderen huldigt het waarheidsbeginsel. Vanuit die optiek is het zeer wel bepleitbaar dat de Nederlandse wetgever aansluiting zoekt bij de in landen heersende rechtsopvatting over het karakter van de erkenning.
Het belang van het kind vooropstellende vragen wij ons af of het ook wenselijk is om in ons recht uit te gaan van het waarheidsbeginsel. Is het kind daarmee meer gebaat? Om de volgende redenen menen wij van niet. Huldigt men het beginsel dat de erkenning in overeenstemming moet zijn met de waarheid en wordt dit alsnog neergelegd in een rechtsregel, dan waarborgt dat nog niet het bestaan van biologische betrekkingen tussen het kind en zijn erkenner, tenzij wordt voorgeschreven dat iedere aspirant-erkenner zich dient te onderwerpen aan een bloedonderzoek. In feite kan dus niet worden bewerkstelligd dat alleen de verwekker tot erkenning van het kind overgaat. In dit verband zij erop gewezen dat het in de gevallen van donor-inseminatie - een methode van bevruchting die hier te lande hoe langer hoe meer voorkomt - voor het kind vrijwel onmogelijk is, althans in Nederland, zijn werkelijke afstamming te achterhalen. Voor het vaststellen van juridisch vaderschap is hier dan ook de biologische relatie per definitie niet relevant. Wij betwijfelen derhalve ten zeerste of met een dergelijk erkenningsstelsel een grotere mate van zekerheid omtrent iemands afstamming wordt verkregen. Stellig zouden, indien de erkenning een waarheidshandeling zou zijn, toch erkenningen door niet-verwekkers blijven voorkomen. Degene die het kind wenst te erkennen, zal niet laten blijken dat hij de verwekker niet is. Derhalve, voor wat betreft het vaststellen van de biologische werkelijkheid ten opzichte van de vader lijkt het kind bij een dergelijke regeling niet meer te zijn gebaat.
Voor wat betreft de kwaliteit van de sociale relatie tussen ouder en kind kan onzes inziens evenmin worden gesteld dat het kind met het onderwerpelijke stelsel beter af zou zijn. Naar onze mening gaat het in de eerste plaats om de intentie van de erkenner en de feitelijke relatie tussen hem en het kind. Iemand die biologisch gezien niet de vader van het kind is, kan evengoed de rol van de verzorgende ouder vervullen, bij wie het kind zich ook thuis voelt, als de biologische vader. Ook kan hij gelijk de biologische vader daarin falen. De direkte oorzaak van de goede relatie tussen ouder en kind is niet in de eerste plaats de biologische betrekking tussen hen, maar de wederzijdse zorg, genegenheid en het begrip voor elkaar.
Dit overdenkende achten wij het juist dat ook in de toekomst niet alleen door adoptie maar ook door erkenning sociaal vaderschap kan ontstaan, dat dus niet gebaseerd is op verwekkerschap. Nogmaals, van groot belang voor een kind is dat het een vader heeft die zich ook feitelijk als zodanig gedraagt en die ook maatschappelijk als zodanig wordt aanvaard. (…)”
3.5
In 1998 is het afstammingsrecht en de regeling van adoptie opnieuw herzien om het afstemmingsrecht aan de eisen van die tijd aan te passen. Naast de reeds bestaande mogelijkheid voor de vader om, onder bepaalde voorwaarden, het juridisch vaderschap te ontkennen omdat hij geen genetische verwantschap met het kind had, kregen ook de moeder in bepaalde gevallen en het kind de mogelijkheid om het familierechtelijk vaderschap aan te tasten op de grond dat de man niet de biologische vader is. De genetische band kreeg een zwaarder accent dan eerder het geval was. Ook kreeg de verwekker de mogelijkheid om de rechter om vervangende toestemming tot erkenning te vragen, indien de moeder geen toestemming gaf. Steeds indringender werd echter gepleit voor een (meer) sekseneutraal afstammingsrecht, in verband met de voortschrijdende voortplantingstechnologie, de veranderde relatiepatronen (en ouderschapsvormen) en het streven naar gelijkheid.14.In de Nota naar aanleiding van het verslag is uitgebreid ingegaan op de vraag of twee mensen van gelijk geslacht een afstammingsband met het kind kunnen krijgen:
“De leden van de VVD-fractie vragen welk rechtskarakter van de erkenning de voorkeur geniet: waarheidshandeling of rechtshandeling. Er moet naar mijn oordeel niet in termen van voorkeuren gesproken worden als het gaat om het rechtskarakter van de erkenning. Dat zou een tegenstelling tussen het een en het ander suggereren die er niet is. Erkenning is en blijft altijd een (familierechtelijke) rechtshandeling omdat deze handeling is gericht op het doen ontstaan van rechtsgevolgen, namelijk de familierechtelijke betrekking met het kind. De erkenning wordt vermoed in overeenstemming met de waarheid te zijn dat de erkenner ook de verwekker is van het kind. Dat neemt niet weg dat een niet-verwekker het kind zal kunnen erkennen. Maar een dergelijke erkenning staat bloot aan de mogelijkheid van vernietiging.
De leden van de VVD-fractie vragen voorts of het uitgangspunt dat in de erkenning een vermoeden van verwekkerschap opgesloten ligt, meebrengt dat twee mensen van hetzelfde geslacht nooit allebei een afstammingsrelatie met een kind kunnen hebben. De leden van de D66-fractie vragen in dit verband of er voor de onmogelijkheid van erkenning door bij voorbeeld de lesbische partner van de moeder wel een objectieve en redelijke grond aanwezig is.
In feitelijke zin kunnen twee mensen van hetzelfde geslacht nooit allebei een afstammingsband met een kind hebben. Bij deze feiten zoekt het afstammingsrecht aansluiting. Deze feiten vormen dan ook de reden waarom de gevallen waarom het hier gaat niet gelijk zijn en er niet gesproken kan worden in termen van ongelijke behandeling die ongerechtvaardigd is als daarvoor geen objectieve en redelijke grond bestaat. De man die niet de verwekker van het kind is en dat weet, maar die aan zijn band met het kind juridisch inhoud wil geven, kan inderdaad het kind erkennen. Zoals hierboven uiteengezet, staat een dergelijke erkenning echter bloot aan vernietiging.
Het kind kan weliswaar niet van twee mensen van hetzelfde geslacht afstammen en daarmee geen afstammingsband in juridische zin hebben, maar deze twee mensen kunnen wel in een met een vader en een moeder vergelijkbare relatie tot het kind staan. Deze ouderschapsrelatie krijgt, los van het ontbreken van een afstammingsband, in het familierecht erkenning door middel van gezamenlijk gezag en gezamenlijke voogdij met de rechten en plichten die daaraan verbonden zijn, zoals de onderhoudsplicht. Op deze wijze kan de feitelijke band – het familie- en gezinsleven – tussen twee volwassenen en een kind juridisch vorm en bescherming krijgen.”15.
3.6
Tot 1 april 2014 was het uitgangspunt dat alleen een man en een vrouw samen de familierechtelijke ouders zijn. In 2011 volgde de indiening van het Wetsvoorstel tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie. Deze wet die op 1 april 2014 in werking is getreden – ook wel aangeduid als de Wet lesbisch ouderschap – regelt dat de vrouwelijke partner van de moeder (ook wel de duomoeder genoemd) de juridische ouder van een kind kan worden zonder dat daarvoor een gerechtelijke procedure of een andere formaliteit is vereist. Nieuw is dat juridisch ouderschap niet via de band van adoptie tot stand wordt gebracht, maar in het afstammingsrecht in strikte zin. Per 1 april 200116.was het al mogelijk voor de duomoeder om via adoptie de juridische ouder van het kind te worden. Het wetsvoorstel introduceerde naast (het vermoeden van) het biologisch ouderschap het sociale ouderschap als grond voor het vestigen van familierechtelijke betrekkingen. De wijziging van het afstammingsrecht is erin gelegen dat de duomoeder door huwelijk met de moeder van het kind van rechtswege de juridische ouder wordt van het kind, indien het kind is geboren met behulp van het zaad van een onbekende donor in de zin van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting. Zijn de moeder en de duomoeder niet gehuwd en/of is er sprake van een bekende donor dan kan de duomoeder juridisch ouder worden door erkenning (art. 1:198 lid 1 onder b en c BW). Dit betekent dat het uitgangspunt dat het juridisch ouderschap zoveel mogelijk het biologisch ouderschap volgt, wordt losgelaten voor de duomoeder. De duomoeder is immers doorgaans niet de biologische ouder van het kind.17.Door ook de sociale ouder de mogelijkheid te geven om in een familierechtelijke betrekking tot het kind te komen staan, zijn er meer personen die als juridische ouder kunnen worden aangemerkt. In de Memorie van Toelichting18.is daarover opgemerkt:
“Evenals in het huidige afstammingsrecht is voor de wijze waarop de familierechtelijke betrekkingen tussen de duomoeder en het kind tot stand komen bepalend of de moeder en de duomoeder zijn gehuwd. Daarnaast is van belang of de biologische vader bekend is aan de moeder.
Zijn de moeders gehuwd en is vooraf duidelijk [is] dat de biologische vader geen rol wil spelen in de verzorging en opvoeding van het kind (er is sprake van een onbekende zaaddonor), dan is het belang van het kind naar de mening van de regering het beste gediend indien zijn feitelijke verzorgers en opvoeders ook zijn juridische ouders zijn. Het geeft duidelijkheid aan het kind wie zijn ouders zijn en brengt met [zich] mee dat het kind vaker twee juridische ouders zal hebben. Het bestaande familie- en gezinsleven tussen de duomoeder en kind wordt zoveel als mogelijk geëerbiedigd.
In die gevallen dat de identiteit van de zaaddonor bekend is aan de moeder, wordt de duomoeder niet van rechtswege de juridische ouder van het kind, ook niet als zij is gehuwd met de moeder van het kind. In dit geval moet de duomoeder het kind erkennen om de juridische ouder van het kind te worden. De erkenning biedt ten opzichte van het ouderschap van rechtswege het voordeel van de keuzemogelijkheid. De moeder, duomoeder en biologische vader kunnen afspraken maken over de persoon van de juridische ouder. Een afweging die niet mogelijk is indien het gaat om een onbekende zaaddonor. In dat geval is de keuze vooraf gemaakt. Bij een bekende zaaddonor besluit de moeder in beginsel wie de juridische ouder wordt van het kind: de bekende zaaddonor of de duomoeder.
Om de rechten van de bekende zaaddonor die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind te respecteren, geeft dit wetsvoorstel hem de mogelijkheid aan de rechter vervangende toestemming voor erkenning te verzoeken. De positie van deze zaaddonor wordt op deze manier in evenwicht gebracht met die van de moeder.”
Vervangende toestemming tot erkenning
3.7
Ook als twee vrouwen niet zijn getrouwd of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, of als geen sprake is van een onbekende donor, kan het kind in juridische zin het kind worden van de duomoeder. De duomoeder kan het kind dan erkennen. Uit art. 1:204 lid 1 BW volgt dat de duomoeder het kind dat de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt alleen kan erkennen met de schriftelijke toestemming van de moeder. Mocht het kind twaalf jaar of ouder zijn dan is ook nog de schriftelijke toestemming van het kind zelf nodig.
3.8
Sinds 2014 is in de wettekst in lid 3 van art. 1:204 BW een regeling tot vervangende toestemming van de rechtbank opgenomen die betrekking heeft op de vader (hetzij verwekker, hetzij biologische vader die in een nauwe persoonlijke betrekking staat) indien de moeder of het kind geen toestemming geeft tot erkenning. Die vervangende toestemming kan worden geweigerd als deze de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of indien een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in gedrang komt. In lid 4 is de situatie geregeld waarin het gaat om een ‘instemmende levensgezel’ van de moeder die om vervangende toestemming verzoekt. Dat kan een man of een vrouw zijn. In dat geval moet de vervangende toestemming in het belang van het kind zijn.
3.9
In het parlementair debat is al vroeg de vraag gesteld hoe de verhouding tussen de bekende donor en de duomoeder bezien moet worden, als zij beiden aanspraak zouden willen maken op erkenning.19.In het oorspronkelijke wetsvoorstel was niet gekozen voor de mogelijkheid dat de duomoeder de rechter vervangende toestemming tot erkenning kon vragen. Bij amendement van het lid Hennis-Plasschaert heeft ook de levensgezel die heeft ingestemd met de daad die de verwekking van het kind tot gevolg heeft gehad de mogelijkheid om de rechter te verzoeken om vervangende toestemming voor erkenning. In de toelichting is ingegaan op de situatie dat zowel de instemmende levensgezel als de verwekker of biologische vader om vervangende toestemming verzoeken:
“De rechter geeft alleen vervangende toestemming aan de instemmende levensgezel als dit in het belang is van het kind. De rechter beoordeelt dit aan de hand van de omstandigheden van het geval. De rechter heeft hiermee dus een ruimere afwijzingsmogelijkheid dan het geval is bij de biologische vader. Voor deze laatsten geldt immers dat de rechter de vervangende toestemming verleen[t], tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt.
Als zowel de instemmende levensgezel als de verwekker of de biologische vader (niet zijnde verwekker, wel hebbende een nauwe persoonlijke betrekking met het kind) om vervangende toestemming verzoeken dan geldt: wie het eerst komt, wie het eerst maalt. Dat is – enigszins gesimplificeerd uitgedrukt – al tientallen jaren de gang van zaken in het afstammingsrecht. In het geval een rechter gelijktijdig wordt geconfronteerd met beide verzoeken, dan ligt het in de rede dat deze zaken in onderlinge samenhang worden beschouwd. Het belang van het kind staat centraal. De omstandigheden van het geval zijn hiervoor maatgevend. Het uitgangspunt is dat de biologische vader en het kind aanspraak hebben op erkenning in rechte van hun familierechtelijke betrekking. In uitzonderlijke gevallen kan het zo zijn dat de aanspraak van de biologische vader moet wijken met het oog op het belang van het kind al dan niet in samenhang beschouwd met het belang van de instemmende levensgezel.”20.
3.10
Ook in de Eerste Kamer is dit nog aan de orde geweest:21.
“Het wetsvoorstel en concurrerende aanspraken op ouderschap
De leden van de fracties van de VVD en GroenLinks vragen aandacht voor concurrerende aanspraken op het juridische ouderschap tussen de duomoeder en de biologische vader. In het wetsvoorstel is hiervoor aangesloten bij het bestaande stelsel. Concurrerende aanspraken zijn niet nieuw, maar komen ook naar huidig recht voor. Voor het ontstaan en het aantasten van het juridische ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder geldt hetzelfde als voor de mannelijke partner van de moeder, die niet de biologische ouder van het kind is.
Nieuw in het voorstel is, dat de positie van de zaaddonor die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind gelijk wordt gesteld aan die van de verwekker. Hij kan om vervangende toestemming voor erkenning verzoeken (wetsvoorstel, artikel I, onderdeel J, lid 4). Nieuw in het voorstel is voorts, dat er is voorzien in een mogelijkheid voor de «instemmende levensgezel» om de rechter te verzoeken om vervangende toestemming voor erkenning. Deze mogelijkheid geldt zowel voor de mannelijke als voor de vrouwelijke instemmende levensgezel. De rechter wijst dit verzoek toe, indien dit in het belang is van het kind (wetsvoorstel, artikel I, onderdeel J, lid 5).
Dit betekent dat – hoewel uitzonderlijk – het mogelijk zal zijn dat twee personen verzoeken om vervangende toestemming voor erkenning: de biologische vader en de «instemmende levensgezel». Dit zal het geval kunnen zijn, als de moeder geen van beiden als juridische ouder van het kind wenst. De rechter zal in dit geval de belangen van alle betrokkenen afwegen. Het belang van het kind vormt in deze afweging een overweging van de eerste orde.”
Klachten
3.11
Na deze inleidende beschouwingen keer ik terug tot het cassatiemiddel. In de onderhavige zaak heeft de moeder de vrouw geen toestemming gegeven het kind te erkennen. De vrouw heeft daarom op de voet van art. 1:204 lid 4 BW vervangende toestemming verzocht om het kind te erkennen omdat zij als levensgezel van de moeder zou hebben ingestemd met de daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad. De rechtbank heeft de vrouw als levensgezel van de moeder beschouwd. Het hof heeft zich hier niet over uitgelaten maar wijst het verzoek af omdat de vrouw niet zou hebben ingestemd met de daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad. In cassatie moet er dan van worden uitgegaan dat de vrouw de levensgezel van de moeder was nu hier niet over geklaagd is.
3.12
Onderdeel 1 klaagt dat het hof een te ruime uitleg heeft gegeven aan het begrip “daad van verwekking” als bedoeld in art. 1:204 lid 4 BW. Het hof heeft aansluiting gezocht bij het begrip “kunstmatige donorbevruchting” uit art. 1 aanhef en sub c van de Wet Donorgegevens kunstmatige bevruchting en oordeelt dat ingeval van een bevruchting op een andere dan natuurlijke wijze de daad van verwekking meer omvat dan de enkele bevruchting van de eicellen of de terugplaatsing van de embryo’s en dat dit moment niet los kan worden gezien van de andere handelingen die zijn gericht op het tot stand komen van een zwangerschap. Volgens het onderdeel getuigt die uitleg van een onjuiste rechtsopvatting en is in geval van een bevruchting op natuurlijke wijze geen twijfel op welk moment de ‘daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad’ ziet. De ‘daad’ verwijst naar het moment waarop de geslachtsgemeenschap plaatsvindt, zodat de intentie om zwanger te worden geen rol speelt. Er is volgens het onderdeel dan ook geen aanleiding om anders naar het begrip te kijken wanneer er sprake is van een niet-natuurlijke bevruchting. Verder betoogt het onderdeel dat fertiliteitstrajecten uit verschillende stappen bestaan, die steeds een (nieuwe) keuze en beslissing inhouden. Bij elke nieuwe stap is er volgens de steller van het middel de keus om door te gaan of te stoppen met het traject en geeft dat tegelijkertijd de mogelijkheid voor een duomoeder om in te stemmen met het traject. Daarbij is het dan gerechtvaardigd om de ‘daad die de verwekking tot gevolg kan hebben’ te beperken tot het moment waarop de bevruchting plaatsvindt. Voor zover daar anders over gedacht wordt, heeft het hof volgens het onderdeel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het volledige voortraject als “daad die de verwekking tot gevolg gehad kan hebben” te beschouwen. Als er al een ruimer begrip gehanteerd zou moeten worden, dan zou dat beperkt moeten blijven tot die medische behandelingen die noodzakelijk zijn geweest om tot deze concrete bevruchting (via IVF) te komen, aldus nog steeds het onderdeel. Het IVF-traject is volgens het onderdeel op 1 juli 2019 aangevangen door de start van de hormoonbehandeling, dus na aanvang van de relatie. Het oordeel van het hof dat het zwangerschapstraject al in een vergevorderd stadium was toen de vrouw eenmaal als partner van de moeder betrokken raakte, is volgens het onderdeel dan ook onbegrijpelijk.
Instemmen met een daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad
3.13
De levensgezel van de moeder die heeft ingestemd met de daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, kan met toestemming het kind erkennen, zo regelt art. 1:204 BW. De vraag die in cassatie centraal staat is wat moet worden verstaan onder ‘de daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad’. Dit begrip is niet nieuw in de wet. Over dit begrip is bij de invoering van de bepaling over de ontkenning van het vaderschap uitgebreid gedebatteerd.22.De man kon immers het vaderschap niet ontkennen indien hij voor het huwelijk had kennis gedragen van de zwangerschap of indien hij had toegestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad. In het debat tussen de heer Van den Bergh van de PvdA, de toenmalige minister Polak en mevrouw Goudsmit van D66 is uitgebreid gedebatteerd over ‘de daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad’ indien de vrouw door overspel zwanger raakt:
“Mejuffrouw Goudsmit (D'66):
(…) In dit artikel staat, dat de man geen rechtsvordering tot ontkenning kan instellen, als hij toestemming heeft gegeven tot een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad. Wij hebben het in het mondeling overleg gehad over de graad van waarschijnlijkheid, waarmee die toestemming, die daad en de verwekking na elkaar moeten zijn gekomen.
In het mondeling overleg heeft de Minister gezegd, dat dit zo moet worden opgevat, dat er tussen toestemming en daad causaal verband moet kunnen bestaan, dat de verwekking met voldoende graad van waarschijnlijkheid te voorzien was als mogelijk gevolg van de daad, waartoe de man toestemming gaf. Ik zou graag, ook ten behoeve van latere beroepen op dit artikel, enige verduidelijking van de Minister hebben. Er zijn als het ware twee schakels in dit artikel; er moet tweemaal causaal verband bestaan, nl. tussen de toestemming en de daad en tussen de daad en de verwekking. De Minister heeft in het mondeling overleg gezegd, naar ik toen althans heb begrepen - het is in het verslag van het mondeling overleg iets anders geformuleerd, maar ik zeg het nu zoals ik het in mijn herinnering heb; daarom kom ik er juist op terug - dat zowel tussen de toestemming en de daad als tussen de daad en de verwekking causaal verband moet bestaan in de normale uitleg van de jurisprudentie, met andere woorden dat het voor beide schakels zo moet worden opgevat dat het naar ervaringsregels te verwachten gevolg van de toestemming de daad en van de daad de verwekking is. Het zou dus niet voldoende zijn te zeggen: De verwekking kan het gevolg zijn geweest van de toestemming. De meen nl., dat dit onjuist zou zijn.
Als een man bijv. in de gevangenis zit en aan zijn vrouw toestemming geeft, hetzij om bij een vriend in te wonen hetzij om zelfs met een andere man te gaan samenwonen, maar daarbij zegt: „Ik moet zoveel maanden zitten en ik heb er geen bezwaar tegen dat je in die tijd je eigen leven leidt, als er maar geen kinderen komen” -die gevallen komen voor - dan meen ik dat het onbillijk is om dit artikel op zo'n man toe te passen.
Minister Polak:
(…)
Het heeft mij enigszins verwonderd, dat de geachte afgevaardigde mejuffrouw Goudsmit zoveel moeite heeft met de tekst en de bedoeling van artikel 11.1.5. Ontkenning is niet mogelijk zo wordt hierin bepaald, indien de man toestemming heeft gegeven tot een daad, die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad. Mejuffrouw Goudsmit zou daarbij zo ver willen gaan de bepaling alleen dan toepasselijk te achten, indien de verwekking het redelijkerwijs te verwachten gevolg van de daad is geweest. Ik vraag mij af of de geachte afgevaardigde dat inderdaad zo heeft bedoeld. Bijna nooit kan men immers van overspel, van het hebben van gemeenschap, zeggen dat het redelijkerwijs te verwachten gevolg de geboorte van een kind heeft. Wil de bepaling enige reële betekenis hebben dan moet voldoende zijn, dat de man toestemming geeft tot een daad, die verwekking van een kind tot gevolg kan hebben, dat wil zeggen, die geschikt is om tot verwekking te leiden. Toestemming tot overspel valt onder de bepaling, ook al bindt de man daaraan de door de geachte afgevaardigde zo duidelijk geschetste voorwaarden. Toestemming tot bezoek met een vriend aan een biscoop valt echter niet onder de bepaling, omdat gezamenlijk kijken naar een film geen kinderen geboren doet worden en die toestemming zich gewoonlijk niet zal uitstrekken tot het nog eens naspelen van alle toepasselijke scènes uit de film.
(…)
De geachte afgevaardigde mejuffrouw Goudsmit wil mij verklaringen ontwringen over de vraag, wanneer iemand nu de vader van een kind kan zijn. Ik ben er nog altijd van overtuigd, dat er van een reis naar de Rivièra geen kindertjes komen en ook niet van een bezoek aan de bioscoop, en dat er over de oorzaken waardoor zij er wel komen, geen meningsverschil bestaat. Wij moeten het aan de rechter overlaten, of kan worden aangenomen dat de man toch de vader van het kind is. Dit zal altijd een bewijs zijn van nevenomstandigheden. Nogmaals, een reis naar de Rivièra en zelfs naar de Spaanse kust, die meer in trek is, is op zich zelf niet voldoende, al komen de kindertjes wel van de ooievaar, dus uit het zuiden.”23.
3.14
Bij de herziening van het afstammingsrecht in 1998 is ten aanzien van de ontkenning van het vaderschap wederom om verduidelijking gevraagd wat onder ‘instemming met de daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad’ moet worden verstaan.24.In de bepaling zelf was geen wijziging gebracht, behalve dat ‘toestemming’ is veranderd in ‘instemming’.
“De leden van de PvdA-fractie vragen vervolgens verduidelijking naar aanleiding van het antwoord op de eerder gestelde vragen over artikel 200, tweede tot en met vierde lid. De nadere vragen betreffende de situatie dat de man instemt met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad. In de wet is deze instemming zo ruim mogelijk geformuleerd om ervoor te zorgen dat daaronder zowel valt de instemming met geslachtsgemeenschap door de vrouw met een andere man als bij voorbeeld ook de instemming met kunstmatige donorinseminatie of met in vitro fertilisatie met gebruikmaking van donorzaad. In de praktijk zal het niet gaan om een zo ruime instemming als nodig voor een goede wettelijke omschrijving, maar om een instemming met hetzij kunstmatige donorinseminatie, hetzij in vitro fertilisatie met gebruikmaking van donorzaad hetzij met geslachtsgemeenschap met een andere man. In de praktijk zal met andere woorden de instemming steeds op een bepaalde vorm van bevruchting anders dan door de man zelf betrekking hebben. In het door de heer Vlaardingerbroek gegeven voorbeeld betreft het de instemming van de man met kunstmatige donorinseminatie, dus geen instemming met gemeenschap met een andere man in het conceptietijdvak. Daaraan is de man dan ook niet gebonden. De vraag of de vrouw dit gegeven niet mag verzwijgen, is naar mijn oordeel van een andere orde. Dat is een kwestie die speelt in de onderlinge relatie.
Het is niet de bedoeling dat over deze meer uitzonderlijke situaties bijvoorbeeld door de burgerlijke stand uitgebreid voorlichting gegeven wordt.
Wel is in het verleden steeds in de richting van spermabanken en ziekenhuizen waar ivf wordt toegepast, benadrukt dat het van belang is dat duidelijk blijkt van de instemming van beide partners met de te volgen behandeling.
Ook om andere redenen, zoals bij voorbeeld in verband met de vraag wat er gebeurt met eventueel overblijvende embryo’s bij ivf, is dit van belang.
Ten slotte vragen deze leden of er geen gevaar bestaat dat de voorgestelde regeling in strijd komt met het EVRM, gelet op de zaak Kroon (EHRM, 27 oktober 1994, A 297-C, NJ 1995, 248).”25.
3.15
Hieruit kan dus worden afgeleid dat de instemming ziet op de vorm van bevruchting dus op de wijze waarop een kind ontstaat (hetzij via kunstmatige donorinseminatie, hetzij via in vitro fertilisatie met gebruikmaking van donorzaad hetzij via geslachtsgemeenschap met een andere man) en dat het moment van de instemming dus niet bepalend is.
3.16
Ook in de rechtspraak wordt als uitgangspunt genomen de instemming met de wijze waarop de bevruchting tot stand komt. Het Gerechtshof Den Haag wees op 17 juli 201926.het verzoek om vervangende toestemming van een vrouw af omdat zij niet samen voor de bevruchting van de moeder hadden gekozen. De moeder was zwanger geraakt door geslachtsgemeenschap met de neef van de vrouw en de vrouw was daarvan niet op de hoogte. Zij had ook geen toestemming gegeven aan de moeder om van die neef zwanger te worden. Hoewel partijen ooit een gezamenlijke kinderwens hadden, kwam het hof tot de slotsom dat de vrouw niet-ontvankelijk was in haar verzoek aangezien zij niet als in instemmende levensgezel kon worden gezien.
3.17
In de zaak die speelde voor de rechtbank Gelderland27.wilde de man het vaderschap ontkennen van een uit zijn huwelijk geboren kind. De rechtbank wees het verzoek van de man af en oordeelde dat de man, door ermee in te stemmen dat de vrouw geslachtsgemeenschap had met anderen mannen, (bewust) een risico had genomen dat de vrouw zwanger zou raken. Volgens de rechter stemde de man in met de daad die de verwekking tot gevolg kan hebben en kan om die reden zijn verzoek tot gegrondverklaring van ontkenning van het vaderschap niet worden toegewezen. Doordat er sprake is van toestemming voor het hebben van geslachtsgemeenschap met een andere man, of andere mannen, wordt hiermee het risico genomen dat er een zwangerschap kan ontstaan.
3.18
Uit het voorgaande lijkt dus te volgen dat de instemming vooral ziet op de wijze waarop de moeder van het kind zwanger wordt. De vraag is of het daarbij nog bepalend is op welk moment de instemming wordt gegeven. De steller van het middel betoogt dat deze instemming ook kan plaatsvinden als al voor een bepaalde wijze is gekozen, maar de daadwerkelijke bevruchting nog niet heeft plaatsgevonden. Daarvoor wordt aansluiting gezocht bij art. 1:198 lid 1 onder b BW indien de duomoeder is overleden. Dit artikel regelt dat het moederschap van de duomoeder van rechtswege ontstaat indien er ten tijde van de geboorte sprake is van een huwelijk en de moeder voor het ontstaan van de zwangerschap gebruik heeft gemaakt van een zaaddonor in de zin van art. 1 onder c Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting en de identiteit van deze donor onbekend is. Ten bewijze van het feit dat de zwangerschap van de moeder is ontstaan door kunstmatige donorbevruchting in de zin van art. 1 onder c Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting, dient bij de aangifte van de geboorte een verklaring van de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting te worden overgelegd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Uit deze onbekendheidsverklaring blijkt tevens dat de identiteit van de zaaddonor onbekend is aan de vrouw bij wie de kunstmatige donorbevruchting is verricht. Wordt de verklaring bij de aangifte van de geboorte overgelegd, dan is de duomoeder met terugwerkende kracht tot aan de geboorte de juridische ouder van het kind. Als deze verklaring is overgelegd, maar de duomoeder is overleden op het tijdstip van de geboorte van het kind, wordt de duomoeder als gevolg van het voorstel ook de juridische ouder van het kind. Het tijdstip waarop de kunstmatige bevruchting bij de moeder is verricht, is daartoe bepalend. Als dit tijdstip is gelegen vóór de datum van overlijden van de duomoeder, wordt aangenomen dat zij betrokken is geweest bij de beslissing over de kunstmatige donorbevruchting van de moeder. Verondersteld wordt dat de intentie van de beide vrouwen het gezamenlijke ouderschap was.
“Als deze verklaring is overgelegd, maar de duomoeder is overleden op het tijdstip van de geboorte van het kind, wordt de duomoeder als gevolg van het voorstel ook de juridische ouder van het kind. De voorwaarde in het voorstel dat in consultatie is gegeven, was dat haar huwelijk met de moeder binnen 306 dagen voor de geboorte van het kind door haar dood is ontbonden. Deze termijn komt overeen met die voor de overleden mannelijke echtgenoot (artikel 199, aanhef en onder b, BW). In overeenstemming met het advies van de Raad voor de rechtspraak, dat is onderschreven door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, is in het nu voorliggende voorstel niet deze termijn bepalend, maar het tijdstip waarop de kunstmatige bevruchting bij de moeder is verricht. Als dit tijdstip is gelegen vóór de datum van overlijden van de duomoeder, wordt aangenomen dat zij betrokken is geweest bij de beslissing over de kunstmatige donorbevruchting van de moeder. Verondersteld wordt dat de intentie van de beide vrouwen het gezamenlijke ouderschap was. Het tijdstip waarop de kunstmatige bevruchting is verricht is tot op de dag nauwkeurig vast te stellen en doet daardoor zo veel mogelijk recht aan de feitelijke situatie.”28.
3.19
Zoals uit de memorie van toelichting blijkt wordt in geval van het overlijden van de duomoeder voor de geboorte van het kind aangenomen dat als de bevruchting voor het overlijden heeft plaatsgevonden de duomoeder betrokken is geweest bij de beslissing over de kunstmatige donorbevruchting. Ook daar wordt er dus vanuit gegaan dat de instemming van de levensgezel ziet op de wijze van bevruchting die door partijen samen gekozen is.
3.20
In het licht van het voorgaande is het dan ook niet rechtens onjuist dat het hof voor de ‘daad van verwekking’ een ruimer begrip hanteert dan de bevruchting van de eicellen of het terugplaatsen van de embryo’s. Zoals uit de parlementaire geschiedenis en de rechtspraak volgt, gaat het er juist om of de levensgezel van de moeder heeft ingestemd met de wijze waarop de moeder zwanger wordt of voor lief heeft genomen (in geval van prostitutie of vreemdgaan). In de Eerste Kamer is nog met zoveel woorden aangegeven dat in het verleden steeds in de richting van spermabanken en ziekenhuizen waar ivf wordt toegepast, benadrukt werd dat het van belang is dat duidelijk blijkt van de instemming van beide partners met de te volgen behandeling. Ook hieruit volgt dat de instemming in beginsel al aanwezig moet zijn voordat aan een behandeling wordt begonnen. De verwijzing van het hof naar art. 1 aanhef en sub c van de Wet Donorgegevens kunstmatige bevruchting is kennelijk ingegeven omdat er dan– zoals in de onderhavige zaak – zaad van een ander dan de levensgezel wordt gebruikt. Kennelijk is het hof van mening dat partijen dan ook samen hadden moeten beslissen wie de donor zou worden. Nu de moeder deze beslissing alleen heeft genomen, laat het hof dit meewegen bij de beslissing of er van instemming met de daad van verwekking sprake is. Om die reden is het dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof in dit geval ook het KID-traject meeweegt in de beslissing. De donor die de moeder heeft gebruikt in het KID-traject was immers dezelfde donor waarmee het IVF-traject is vervolgd. Of zoals de vrouw betoogt een levensgezel ook nog kan instemmen met een ‘daad van verwekking’ nadat een moeder al voor een bepaalde wijze van bevruchting heeft gekozen maar voordat de bevruchting heeft plaatsgevonden, hangt m.i. af van de omstandigheden van het geval. Het oordeel van het hof dat in de onderhavige zaak het zwangerschapstraject al in een ver gevorderd stadium was, is niet onbegrijpelijk. Zoals ook uit de feitenvaststelling waartegen geen klachten zijn gericht volgt, had de moeder immers al een aantal pogingen gedaan om zwanger te worden. Onderdeel 1 faalt dan ook.
3.21
Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.7 waar het hof het volgende heeft overwogen:
“Het IVF-traject was al gestart voor de relatie. De eicelpunctie en zaaddonatie hadden zelfs al plaatsgevonden en de bevruchting was buiten het lichaam tot stand gebracht.”
Het onderdeel klaagt dat deze feitenvaststelling onbegrijpelijk is in het licht van het partijdebat nu volgens het onderdeel tussen partijen niet in geschil was dat de feitelijke IVF behandeling is gestart op 1 juli 2019, derhalve na de start van de relatie op 21 juni 2019, dat de eicelpunctie heeft plaatsgevonden op 25 juli 2019 en de bevruchting buiten het lichaam heeft plaatsgevonden tussen 25 juli 2019 (eicelpunctie) en 27 juli 2019 (terugplaatsing bevruchte embryo’s), alles na de start van de relatie.
3.22
Het onderdeel klaagt terecht dat de feitenvaststelling van het hof niet volledig overeenkomt met hetgeen door partijen is aangevoerd. Zowel de moeder29.als de vrouw30.hebben immers gesteld dat de eicelpunctie op 25 juli 2019 heeft plaatsgevonden en dat de terugplaatsing kort daarna heeft plaatsgevonden. Partijen hadden toen al een relatie met elkaar. De moeder heeft enkel gesteld dat zij voor de relatie met de vrouw op 19 juni 2019 een afspraak heeft gemaakt ten behoeve van de punctie31.die dus vervolgens op 25 juli 2019 heeft plaatsgevonden. Het onderdeel kan echter niet tot cassatie leiden. Zoals bij onderdeel 1 is opgemerkt is niet bepalend of de eicelpunctie al had plaatsgevonden voordat partijen een relatie kregen. Vast staat dat de moeder al voor de relatie met de vrouw akkoord had gekregen om het IVF-traject te starten en dat zij zelf de beslissing heeft genomen om dit traject in te gaan en een donor had gevonden. Zij heeft ook voor het starten van de relatie afspraken gemaakt om uitvoering te geven aan dit traject. Dat deze afspraken hebben plaatsgevonden nadat de relatie van partijen was gestart, doet daar niets aan af. Het oordeel van het hof dat het IVF-traject dus al was gestart voor de relatie is in dat licht bezien dan ook niet onbegrijpelijk.
3.23
Onderdeel 3 voert aan dat het hof uit gaat van een onjuiste, want te ruime, opvatting van het begrip ‘instemmen’. Het hof heeft – anders dan de rechtbank – volgens het onderdeel het begrip ‘instemmen’ ten onrechte als een gezamenlijk gelijkwaardige beslissing uitgelegd. Dat getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Daarnaast miskent die uitleg de juridische grondslag van sociaal ouderschap, aldus het onderdeel. In de procesinleiding wordt daarvoor naar het rapport van de Staatscommissie Herijking ouderschap gewezen waar het zou gaan om de ‘intentie op het willen verwekken van het kind’ zodat daaruit ook een beperktere opvatting van het begrip instemmen zou volgen dan het hof heeft gehanteerd, aldus het onderdeel. Waar het hof in rov. 5.7 de aanwezigheid van de vrouw bij de terugplaatsing van de embryo’s heeft beoordeeld in het licht van de gelijkwaardige beslissing getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Dat zelfde geldt voor de overweging van het hof in rov. 5.8.
3.24
Zoals hiervoor reeds aangegeven is sinds de herziening van het afstammingsrecht in 1998 in de wet ‘toestemming’ met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, veranderd naar ‘instemming’. Van een inhoudelijke wijziging lijkt echter geen sprake te zijn. In de parlementaire stukken is wel om verduidelijking va het begrip ‘instemmen gevraagd:
“Ten slotte vragen de leden van de PvdA-fractie in dit onderdeel wanneer juridisch gezien sprake is van «instemming» met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad. De instemming is juridisch relevant, indien zij ziet op het doel waarvoor zij gegeven wordt, namelijk de verwekking van een kind met het zaad van een andere man dan de echtgenoot of levensgezel dan de moeder. Deze instemming hoeft niet op schrift gesteld te zijn, maar kan achteraf bij voorbeeld door middel van getuigen bewezen worden. Aangezien meestal pas achteraf de noodzaak blijkt de destijds geuite instemming aan te tonen, is het wel aan te bevelen om de instemming op schrift te stellen. Het gaat mijns inziens te ver om aan de instemming de voorwaarde te verbinden dat deze schriftelijk is geschied. Dat zou er immers toe kunnen leiden dat het vaderschap op verzoek van bij voorbeeld het kind niet gerechtelijk kan worden vastgesteld, enkel omdat destijds de instemming (die er wel was) niet op schrift is gezet.”32.
3.25
De instemming lijkt een uiting te zijn (al dan niet in de gedragingen) waaruit blijkt dat de levensgezel ermee akkoord is dat de moeder via een bepaalde wijze zwanger zou worden. Uit de memorie van toelichting bij het wetvoorstel juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder volgt dat er vanuit gegaan wordt dat er door ‘de moeders’ samen wordt gekozen voor een kind en de daarbij horende verantwoordelijkheid:
“Het moederschap kan door de moeders niet worden ontkend als de duomoeder voor het huwelijk heeft kennis gedragen van de zwangerschap. Deze regeling sluit aan bij de realiteit, dat zij die willens en wetens trouwt met een zwangere vrouw, haar kind als het hare accepteert. De zwangere vrouw aanvaardt haar echtgenote op haar beurt als moeder van het kind.
Het moederschap kan evenmin worden ontkend door de moeders, als de duomoeder heeft ingestemd met de kunstmatige donorbevruchting als bedoeld in artikel 198, eerste lid, aanhef en onder b, van het voorstel. De moeders kiezen samen voor een kind en de hierbij horende verantwoordelijkheid. Zij kunnen zich hieraan, met name gelet op het belang van het kind, niet onttrekken.”33.
3.26
In het rapport van de Staatscommissie Herijking ouderschap wordt over de rol van de instemmende levensgezel het volgende opgemerkt:
“De Staatscommissie onderschrijft het huidige wettelijke uitgangspunt dat een instemmende levensgezel verantwoordelijk wordt gehouden voor het ontstaan van de zwangerschap. Verondersteld mag worden dat de geboortemoeder en haar levensgezel samen het traject zijn ingegaan om een zwangerschap tot stand te brengen en beiden daarmee de bereidheid hebben getoond de ouderrol op zich te nemen. Ongeacht het antwoord op de vraag of de relatie inmiddels is verbroken, behoort de instemmende levensgezel de mogelijkheid te hebben om het ouderschap over het kind te aanvaarden. De instemmende levensgezel is in dit geval niet de genetische ouder van het kind. Dit brengt met zich dat mogelijkerwijs een keuze moet worden gemaakt over wie voorrang krijgt voor aanvaarding van het ouderschap, de instemmende levensgezel of een andere persoon, zoals een nieuwe levensgezel van de geboortemoeder of de donor. De Staatscommissie is van oordeel dat in zijn algemeenheid niet kan worden aangegeven met wiens aanvaarding van het ouderschap het belang van het kind het beste wordt gediend. De afweging van alle omstandigheden dient aan de rechter te worden overgelaten. De rechter zal bij die afweging de belangen van het kind voorop moeten stellen en deze dienen af te wegen tegen de belangen van de persoon of personen die de ouderrol op zich wil(len) nemen. Een voorkeurspositie is hierbij niet aan de orde. De Staatscommissie adviseert daarom om het huidige in de wet (artikel 1:204 lid 4 BW) opgenomen criterium dat de rechter een verzoek van de instemmende levensgezel tot vervangende toestemming voor aanvaarding van het ouderschap toewijst als hij oordeelt dat dit in het belang van het kind is, te handhaven.”34.
3.27
De Staatscommissie heeft zich verder nog uitgelaten over de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de verwekker of instemmende levensgezel. Onder het huidige recht is gerechtelijke vaststelling van het ouderschap mogelijk van de verwekker of van de instemmende levensgezel van de geboortemoeder. Deze rechtsfiguur is de tegenhanger van de regeling betreffende het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning aan de verwekker van een kind of de instemmende levensgezel van de geboortemoeder. Om die reden is de Staatscommissie dan ook van oordeel dat het ouderschap gestoeld dient te zijn op dezelfde uitgangspunten.
“Waar de verwekker ten tijde van de totstandkoming van de zwangerschap een duurzame relatie met de aanstaande geboortemoeder had en beiden ervoor kozen om een kind te willen krijgen, behoren zij beiden aan de getoonde bereidheid te kunnen worden gehouden. Dit heeft tot gevolg dat, als de moeder of het kind een verzoek doet tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de verwekker van het kind, dit verzoek wordt toegewezen, tenzij de rechter oordeelt dat de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet in het belang van het kind is.
Dit zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen als duidelijk is dat de verwekker nimmer de intentie heeft gehad om een zwangerschap tot stand te brengen en het juridisch ouderschap over het kind op zich te nemen. Volhardt hij in deze houding en blijkt hij niet bereid zijn houding ten opzichte van het kind te herzien, dan kán de rechter tot het oordeel komen dat het kind van deze man in de hoedanigheid van ouder niets heeft te verwachten. In dat geval zal hij het verzoek tot gerechtelijke vaststelling kunnen afwijzen. (…)
Onder de huidige regeling kan ook het ouderschap van de instemmende levensgezel gerechtelijk worden vastgesteld. In de praktijk betekent dit dat de aanstaande geboortemoeder en de levensgezel samen een vruchtbaarheidstraject zijn ingegaan, dat is uitgemond in kunstmatige inseminatie met donorsperma. Vervolgens blijkt dat de levensgezel niet in staat is het kind te erkennen – bijvoorbeeld omdat hij of zij is overleden – of weigert het kind te erkennen. Dit laatste zal zich vooral voordoen als de relatie met de geboortemoeder intussen is beëindigd. De Staatscommissie acht het in de rede liggen dat de juridische betrekkingen zoals men die voor ogen had, alsnog kunnen worden bereikt en het ouderschap aldus door de rechter moet kunnen worden vastgesteld.”
3.28
Hoe een levensgezel precies moet ‘instemmen’ is niet met zoveel woorden vastgelegd. Anders dan het onderdeel stelt, lijkt zowel uit de parlementaire geschiedenis als uit het rapport van de Staatscommissie te volgen dat er vanuit wordt gegaan dat partijen een gezamenlijke beslissing nemen om ouder te worden van een kind en de verantwoordelijkheden die daarbij horen. Indien sprake is van een gezamenlijke beslissing ligt daarin de instemming van een levensgezel besloten. Voor zover het hof dus ook heeft gekeken of partijen samen hebben gekozen om een kind te krijgen en hun rol daarin, getuigt het oordeel dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting.
3.29
In de onderhavige zaak heeft het hof in rov. 5.4 overwogen dat aan de hand van alle feiten en omstandigheden moet worden beoordeeld of sprake is van instemming met een daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad. Het hof heeft daarvoor eerst gekeken naar de feitelijkheden voorafgaand aan de zwangerschap. Daaruit volgt volgens het hof dat de moeder zelfstandig de beslissing heeft genomen om zwanger te worden. Met de laatste zinsnede in rov. 5.6 lijkt het hof nog te verduidelijken dat de vrouw voorafgaande aan de zwangerschap geen enkele rol heeft gespeeld in de beslissing van de moeder om zwanger te worden. Van instemming met een daad van verwekking was op dat moment volgens het hof dan ook geen sprake. Vervolgens heeft het hof nog meegenomen of partijen bij het aangaan van de relatie concreet hebben gesproken over de aanstaande zwangerschap en hun rol daarin en de rol van de vrouw bij de terugplaatsing van de embryo’s. Het hof heeft dus niet enkel beslissend geacht of er sprake was van een gezamenlijke gelijkwaardige beslissing op het moment dat de moeder had besloten zwanger te worden, maar ook andere feiten en omstandigheden mee laten wegen. Het hof ziet echter in het onderhavige geval niet dat het later instemmen van de vrouw met de handelingen die de verwekking tot gevolg konden hebben, tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het begrip instemmen is dus niet gebleken zodat onderdeel 3 faalt.
3.30
Onderdeel 4 klaagt dat in het licht van het partijdebat onbegrijpelijk is dat het hof heeft overwogen dat de moeder en de vrouw bij het aangaan van de relatie niet concreet hebben gesproken over de aanstaande zwangerschap en dat de vrouw de zwangerschap van de moeder duldde en – meer op passieve wijze – meebewoog in de fase waarin de moeder zich op dat moment bevond. Volgens het onderdeel volgt uit het partijdebat dat er duidelijk voorafgaand aan de verwekking is aangegeven dat de vrouw een ouderrol wilde spelen en dat er voor de zwangerschap gesproken is over erkenning.
3.31
Het hof heeft bij de beoordeling eerst de feitelijkheden voorafgaande aan de zwangerschap mee laten wegen. Daaruit volgt volgens het hof dat de moeder de beslissing om het zwangerschapstraject in te gaan (en heel specifiek het IVF-traject), alleen heeft genomen. In zoverre is het hof dus kennelijk van oordeel dat het IVF-traject al was begonnen voordat de vrouw en de moeder een relatie kregen. Nu de moeder op 20 mei 2019 toestemming heeft gekregen het IVF-traject in te gaan en er al afspraken waren gemaakt om dit traject uit te voeren, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Het hof heeft vervolgens beoordeeld wat de rol van de vrouw is geweest op het moment dat de relatie startte. Hoewel de steller van het middel terecht opmerkt dat uit het partijdebat volgt dat de vrouw heeft gesteld dat zij voor de zwangerschap heeft aangegeven een ouderrol te willen, volgt daaruit niet dat de moeder die rol ook voor de vrouw zag en partijen daar concreet over hebben gesproken. De moeder heeft immers steeds weersproken dat zij ‘het samen zouden gaan doen’. Het oordeel van het hof is in zoverre dan ook niet onbegrijpelijk. Voor het hof is het aanwezig zijn bij de behandelingen in het licht van het traject dat de moeder alleen heeft doorlopen geen aanleiding om daaruit af te leiden dat er sprake was van een instemmende levensgezel. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Het onderdeel faalt.
3.32
Onderdeel 5 voert aan dat het hof heeft verzuimd op essentiële stellingen van de vrouw in te gaan. De vrouw wijst op de volgende stellingen:- Toen bleek dat de moeder zwanger was, zond de moeder een appje aan de vrouw om haar te feliciteren met het feit dat ze moeder wordt, waarop de vrouw reageert: ‘jij dan ook’;- De vrouw stond als partner bij de verloskundige geregistreerd;- De vrouw heeft – in overleg met de moeder – de naam van het kind gekozen;- Partijen hebben samen het geboortekaartje uitgezocht waarop zowel de vrouw als de moeder als moeder genoemd werden;- Het kind is in aanwezigheid van de vrouw geboren;- De vrouw heeft het kind bij de gemeente aangegeven;- De buitenwereld ging er vanuit dat de vrouw en de moeder samen moeder waren;- Beide partijen spraken over onze dochter.
Volgens het onderdeel is onbegrijpelijk dat uit deze feiten en omstandigheden niet zou volgen dat er sprake was van een (aanvankelijk) gezamenlijke intentie om samen ouder te worden en waarom deze door de vrouw aangevoerde omstandigheden niets zeggen over instemmen met de daad die de verwekking tot gevolg kan hebben.
3.33
De door de vrouw naar voren gebrachte feiten en omstandigheden hebben pas plaatsgevonden na de totstandkoming van de zwangerschap en dus nadat de ‘daad van verwekking’ al had plaatsgevonden. Het hof overweegt dat de gedragingen wel een invulling kunnen geven aan hun gedragingen en bedoelingen voorafgaande aan de zwangerschap, maar het hof acht het in dit geval niet doorslaggevend voor de vraag of de vrouw heeft ingestemd met de daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad. De moeder heeft een lang traject doorlopen voordat dit tot een zwangerschap heeft geleid. De vrouw kwam vlak voordat de moeder daadwerkelijk zwanger raakte in beeld als partner van de moeder. Kennelijk weegt dat voor het hof in dit geval zwaar mee. Dit is een feitelijke beoordeling en is niet onbegrijpelijk zodat het onderdeel faalt.
3.34
Onderdeel 6 is een voortbouw klacht. Nu al de voorgaande onderdelen falen, faalt ook dit onderdeel.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑10‑2023
Onderdeel 2 is gericht tegen de feitenvaststelling door het hof.
Vergelijk de bestreden beschikking onder 3.
De procesinleiding is op 28 februari 2023 ter griffie via het webportaal van de Hoge Raad ingediend.
De Code Civil van 1804 bepaalde dat tussen ouders en hun natuurlijke kinderen door erkenning, hetzij vrijwillig, hetzij gedwongen door de rechter, burgerlijke betrekkingen ontstaan; een gedwongen erkenning ten aanzien van de vader was echter uitgesloten. Zie Kamerstukken II 1987-1988, 20 626, nr. 3, p. 2.
Wet van 10 juli 1947 Stb. H 232.
Voor zover het kind niet een overspelig of bloedschennig kind van haar was. Sinds de inwerkingtreding op 23 april 1964 van het Verdrag van Brussel (12 september 1962) betreffende de vaststelling van de familierechtelijke betrekkingen tussen het onwettig kind en zijn moeder staat ieder kind, dus ook het zgn. ‘overspelige’ of ‘bloedschennige’ kind, in familierechtelijke betrekking met zijn geboortemoeder vanaf de geboorte.
Zie ook Rapport Staatscommissie herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, onder 6.3.1.
Onder andere door het Marckx-arrest EHRM 13 juni 1979, ECLI:NL:XX:1979:AC3090, NJ 1980/462, m.nt. E.A. Alkema.
Zie Kamerstukken II 1987-1988, 20 626, nr. 3, p. 3.
Kamerstukken II 1987-1988, 20 626, nr. 3, p. 13-14.
Kamerstukken II 1996–1997, 24 649, nr. 6, p. 16-17. Onderstreping A-G.
Wet van 21 december 2000, Stb. 2001, 10.
Zie Kamerstukken II 2011-2012, 33 032, nr. 3, p. 4.
Kamerstukken II 2011/12, 33 032, nr. 3, p. 17-18.
Kamerstukken II 2012–2013, 33 032, nr. 15, p. 1 en 2.
Onderstreping A-G.
Onderstreping A-G.
ECLI:NL:GHDHA:2019:2031, Fpf 2020/10 m.nt. P. Vlaardingerbroek.
Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 20 april 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:3647, JIN 2016/170 m.nt. J.F. van Drenth.
Kamerstukken II 2011–2012, 33 032, nr. 3, p. 14-15. Onderstreping A-G.
Zie het verweerschrift in eerste aanleg van de zijde van de moeder onder punt 31 en het beroepschrift van de moeder onder punt 14.
Zie onder punt 23 van het inleidend verzoekschrift.
Zie het beroepschrift onder punt 13.
Kamerstukken II 1996–1997, 24 649, nr. 6, p. 10-11.
Kamerstukken II 2011–2012, 33 032, nr. 3, p. 16. Onderstreping A-G.
Rapport Staatscommissie Herijking ouderschap “kind en ouders in de 21e eeuw”, p. 415. Onderstreping A-G.
Beroepschrift 28‑02‑2023
PROCESINLEIDING VERZOEKPROCEDURE BIJ DE HOGE RAAD
[de vrouw], hierna te noemen ‘de vrouw’, wonende te [woonplaats], te dezer zake domicilie kiezende te (3015 LC) Rotterdam aan de Westersingel 84 ten kantore van SmeetsGijbels, van welk kantoor mr. C.G.A. van Stratum, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, door haar als zodanig is aangewezen om haar te vertegenwoordigen in deze cassatieprocedure,
stelt cassatieberoep in tegen de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 1 december 2022 met zaaknummers 200.310.219/01 en /02 en 200.310.286/01, gewezen tussen de vrouw als verzoeker in de zaken met nummers 200.310.219/01 en 02 en verweerster in incidenteel hoger beroep en in de zaak met nummer 200.310.286/01 als verweerster in hoger beroep en
[de moeder], hierna te noemen ‘de moeder’, wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres], en [de donor], hierna te noemen ‘de donor’, wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres], als verweerders in hoger beroep en verzoekers in incidenteel hoger beroep in de zaken met de nummers 200.310.219/01 en /02 en verzoekers in hoger beroep in de zaak met nummer 200.310.286/01, die in hoger beroep werden bijgestaan door mr. B.P.G. Dijkers te Twello aan wie een afschrift van deze procesinleiding wordt toegezonden.
Belanghebbende is mr. [belanghebbende 2] (bijzonder curator), advocaat te Zwolle, in haar hoedanigheid van bijzondere curator van [kind 1] ([kind 1]), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2020.
De vrouw voert tegen de aangevallen beschikking aan het navolgende:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het Hof bij de in deze bestreden beschikking, gewezen op 1 december 2022 onder zaaknummers 200.310.219/01, 200.310.219/02 en 200.310.286/01 heeft overwogen en beslist gelijk in 's‑Hofs beschikking vermeld — hier als herhaald en ingelast te beschouwen — ten onrechte om één of meer van de navolgende, zo nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen, redenen.
1. Inleiding
1.1
In dit cassatieberoep staat artikel 1:204 lid 4 BW en meer specifiek de juridische begrippen ‘instemmen’ en ‘daad van verwekking’ centraal in een situatie waarin de bevruchting op een niet-natuurlijke wijze (via een IVF-traject) is geschied, waarbij als bijzonderheid geldt dat de relatie tussen partijen is ontstaan tijdens het (al eerder aangevangen) fertiliteitstraject van de moeder en de bevruchting en terugplaatsing van de embryo's is geschied tijdens de relatie. Centraal staat in deze procedure welk moment als ‘daad van verwekking’ moet worden beschouwd. Is dat het daadwerkelijke moment van bevruchting en ontstaan van de zwangerschap (standpunt vrouw en rechtbank) of is dat het hele zwangerschapstraject in de ruime zin van het woord (standpunt moeder en hof). De tweede vraag die centraal staat is hoe invulling dient te worden gegeven aan het begrip ‘instemmen’ in de zin van artikel 1:204 lid 4 BW.
1.2
In cassatie kan van de volgende feiten en data worden uitgegaan.
1.3
De moeder heeft in 2017 besloten dat zij zwanger wilde worden met behulp van een zaaddonor. Zij heeft zich in november 2017 ingeschreven op een donorwebsite en heeft uiteindelijk haar zwager bereid gevonden om te doneren. Omstreeks oktober 2018 is zij gestart met kunstmatige inseminatie met donorsperma (KID). Na meerdere mislukte KID pogingen heeft zij op 20 mei 2018 van de behandelend arts toestemming gekregen om een IVF-traject te starten.
1.4
Het IVF traject is aanvangen op 1 juli 2019 met de hormoonbehandeling.1. Op 21 juli 2019 was er een echo om de groei van de eitjes te monitoren. Op 23 juli 2019 was er opnieuw een echo, gevolgd op 25 juli 2019 door de eerste eicelpunctie. Daarna heeft de bevruchting buiten het lichaam plaatsgevonden en op 28 juli 2019 zijn de embryo's teruggeplaatst en dat heeft tot een zwangerschap geleid. Op [geboortedatum] 2020 is [kind 1] geboren uit de moeder.
1.5
De moeder en de vrouw hebben elkaar leren kennen in mei 2016. De vrouw heeft haar relatie met de moeder in de periode mei 2016 tot eind 2017 beschouwd als een affectieve relatie die na de beëindiging daarvan is omgezet in een hechte vriendschap,2. waaruit later wederom een affectieve relatie is ontstaan. De moeder geeft daaraan een andere kwalificatie.3. Tussen partijen staat vast dat zij op 21 juni 2019 een affectieve relatie hebben gekregen, waaraan een periode van meer intensiever contact aan vooraf was gegaan4. wat geresulteerd heeft in het ontstaan van die affectieve relatie. De relatie tussen de moeder en de vrouw is geëindigd in augustus 2020.
1.6
De vrouw heeft de rechtbank op de voet van artikel 1:204 lid 4 BW verzocht om aan haar vervangende toestemming voor erkenning te verlenen, haar mede met het gezag over [kind 1] te belasten en een omgangsregeling vast te stellen. De Rechtbank Overijssel heeft het verzoek tot vervangende toestemming voor erkenning bij beschikking van 3 februari 2022 toegewezen en daarbij ten aanzien van de ‘instemming’ en het moment van ‘daad van verwekking’ het volgende overwogen:
‘5.11
De rechtbank stelt voorop dat de wet zo moet worden gelezen dat de vereiste instemming afkomstig moet zijn van de levensgezel. Het gaat hier om de instemming op het moment van en met de punctie en vlak daarna de terugplaatsing van de eitjes. Niet is vereist dat de moeder heeft ingestemd met het gezamenlijk ouderschap.
De vrouw heeft verklaard ingestemd te hebben met de daad tot verwekking en stelt daartoe dat zij dat heeft besproken met de moeder, dat zij betrokken is geweest bij de stappen om te komen tot de daad van verwekking en ook bij de daadwerkelijke terugplaatsing van de eitjes aanwezig is geweest. De rechtbank ziet, evenals de vrouw, reden om te concluderen dat er sprake is van de vereiste instemming. De wet schrijft overigens niet voor dat de instemming schriftelijk moet blijken.
5.12
In aanvulling daarop overweegt de rechtbank dat de omstandigheden dat de vrouw de levensgezel was van de moeder op het moment van de verwekking en dat de vrouw nauw betrokken is geweest bij (belangrijke momenten van) het IVF-traject rondom de verwekking van [kind 1] maken dat naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken is dat het impliciet de uitdrukkelijke wens van beide partijen was om samen een kind te krijgen. Dit wordt bevestigd door hoe partijen daarna hun leven zo hebben ingericht dat het voor [kind 1] duidelijk was dat zij door twee moeders werd grootgebracht. De moeder heeft toegestaan dat de vrouw mede de ouderrol voor [kind 1] op zich heeft genomen; de vrouw staat ook op het geboortekaartje van [kind 1] en [kind 1] noemde de vrouw ‘mama’. Deze omstandigheden brengen mee dat het standpunt van de moeder niet houdbaar is en maken daarentegen duidelijk dat de moeder een verantwoordelijkheid heeft jegens [kind 1], en jegens de vrouw, om de vrouw een positie te geven in het leven van [kind 1].
5.13
Dat de juridische gevolgen mogelijk niet tot in detail van te voren zijn doorgesproken en partijen en de biologische vader/bekende donor geen afspraken hebben gemaakt over ieders rol in het leven van [kind 1], laat de rechtbank, gelet op hoe het vanaf de zwangerschap in de praktijk is verlopen, voor risico van de moeder. Te meer nu ook voor de zwangerschap dit onderwerp ter sprake is gekomen en een lastig onderwerp bleek, aldus de moeder. De moeder heeft onvoldoende onderbouwd dat het de bedoeling was dat de biologische ouder de juridische ouder van [kind 1] zou zijn. Deze stelling staat bovendien haaks op het gegeven dat de vrouw na de geboorte op het geboortekaartje staat vermeld en zorgtaken op zich heeft genomen’.
1.7
Het verzoek tot gezamenlijke gezagsuitoefening is door de rechtbank afgewezen (r.o. 5.39) en er is een omgangsregeling tussen [kind 1] en de vrouw vastgesteld (r.o. 6.2) onder afwijzing van het verzoek om daaraan een dwangsom te verbinden (r.o. 5.34 jo 6.5).
1.8
Beide partijen zijn vervolgens in hoger beroep gegaan. De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek tot gezamenlijk gezag alsmede de afwijzing om een dwangsom aan de niet nakoming van de omgangsregeling te verbinden. Dit hoger beroep is ingeschreven onder zaaknummer 200.310.219/01. De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen toewijzing van het verzoek tot vervangende toestemming voor erkenning door de vrouw en de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling. Dit hoger beroep is ingeschreven onder zaaknummer 200.310.286/01.
1.9
Door de moeder is (voor zover in cassatie van belang) gegriefd (grief 3) tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw met de daad die verwekking tot gevolg kan hebben gehad heeft ingestemd. Uit de toelichting op haar grief volgt dat zij een ruime uitleg bepleit van het juridisch begrip ‘daad die verwekking tot gevolg kan hebben’. Daar valt volgens haar ondermeer ook onder het instemmen met de zaaddonor5. en het volledige IVF-traject.6.
1.10
Door de vrouw is — in lijn met haar standpunt in eerste aanleg7. — het standpunt ingenomen dat het moment van de ‘daad die verwekking tot gevolg kan hebben’ het moment dat het zaad bij het ei komt betrof.8. Datzelfde standpunt is ook min of meer door de bijzonder curator ingenomen9. die als daad van verwekking het moment van terugplaatsing van de (bevruchte) eitjes heeft gekwalificeerd en zich op het standpunt heeft gesteld dat de fase die daaraan voorafging niet hoort bij de daad van verwekking.
1.11
Beide zaken zijn gevoegd door het Hof behandeld en bij beschikking van 1 december 2022 heeft het Gerechtshof opnieuw rechtdoende het verzoek van de vrouw afgewezen en ten aanzien van de daad die verwekking tot gevolg gehad kan hebben en de instemming met die daad het volgende overwogen:
‘5.5
‘Het hof is allereerst, anders dan de rechtbank, van oordeel dat in geval van een bevruchting op een andere dan natuurlijke wijze de daad van verwekking meer omvat dan de enkele bevruchting van de eicellen of de terugplaatsing van de embryo's. Een kunstmatige donorbevruchting bestaat namelijk blijkens artikel 1 aanhef en sub c van de Wet Donorgegevens kunstmatige bevruchting uit (meerdere) handelingen die zijn gericht op het anders dan op natuurlijke wijze tot stand komen van een zwangerschap. In de onderhavige situatie heeft de moeder een voortraject doorlopen van ruim anderhalf jaar. Voorafgaand aan de bevruchting zijn er door haar allerlei noodzakelijke (medische) stappen gezet om de bevruchting mogelijk te maken. Zo heeft de moeder gezocht naar een donor, is een cyclus van KID-behandelingen uitgevoerd, heeft zij gesprekken met artsen gevoerd en hebben diverse medische handelingen in het kader van het IVF-traject plaatsgevonden (zoals het toedienen van injecties, de punctie, de bevruchting buiten het lichaam en de terugplaatsing van de embryo's). Het enkele moment van de bevruchting of terugplaatsing van de embryo's kan daarom niet los worden gezien van de andere handelingen die zijn gericht op het tot stand komen van een zwangerschap.
5.6
Gelet op de feitelijkheden voorafgaand aan de zwangerschap, concludeert het hof dat de vrouw in ieder geval geen invloed heeft gehad op de beslissing van de moeder om zwanger te worden. De moeder heeft deze beslissing zelfstandig genomen ruim voordat zij een relatie kreeg met de vrouw. Bij het KID-traject was de vrouw niet als levensgezel in beeld. Ook de toestemming voor het latere IVF traject heeft de moeder alleen bewerkstelligd. Overigens heeft de moeder tijdens het traject de vrouw op de hoogte gehouden over de ontwikkelingen, maar uit de overgelegde Whatsapp berichten blijkt niet anders dan dat dit uitsluitend informatief was. Zij hadden op dat moment nog geen relatie en moeder informeerde ook andere personen uit haar netwerk op vergelijkbare wijze. In ieder geval blijkt uit deze berichten niet dat de vrouw een aandeel had in de beslissing van de moeder om zwanger te worden en in dat kader een heel traject van (medische) behandelingen aan te gaan, laat staan dat er sprake was van een gelijkwaardige rol bij de besluitvorming.
5.7
Toen de vrouw eenmaal als partner van de moeder betrokken raakte, was het zwangerschapstraject al in een vergevorderd stadium. Niet gebleken is dat de moeder en de vrouw bij het aangaan van hun relatie concreet hebben gesproken over de aanstaande zwangerschap en hun rol daarin. Ook zijn tijdens deze procedure geen specifieke feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit moet worden afgeleid dat de vrouw met de zwangerschap van moeder heeft ingestemd, anders dan dat zij de keuze van de moeder duldde en — meer op passieve wijze — meebewoog in de fase waarin de moeder zich op dat moment bevond. Het hof is daarom van oordeel dat het bestaan van de relatie tussen de moeder en de vrouw op het moment van de bevruchting en de terugplaatsing gelet op de gegeven omstandigheden onvoldoende is om daaruit de instemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 4 BW af te leiden. Nadat de vrouw en de moeder de relatie waren gestart was de vrouw inderdaad aanwezig bij de terugplaatsing van de embryo's. Daaruit kan worden afgeleid dat de vrouw de moeder op dat moment ondersteunde in het traject dat zij doorliep en mogelijk zelfs in haar wens om zwanger te worden, maar zij heeft op dat moment geen invloed gehad op de (eerdere) keuzes van de moeder, het gehele gevolgde traject en de uiteindelijke zwangerschap van de moeder. Het IVF-traject was al gestart voor de relatie. De eicelpunctie en de zaaddonatie hadden zelfs al plaatsgevonden en de bevruchting was buiten het lichaam tot stand gebracht. Als de vrouw al op dat moment (expliciet of impliciet) zou hebben ingestemd met alle handelingen die de verwekking tot gevolg konden hebben (waaronder de terugplaatsing) dan kan dat gelet op de hele gang van zaken in dit geval niet tot een ander oordeel leiden.
5.8.
De vrouw heeft tot slot nog aangevoerd dat zij zich tijdens de zwangerschap van de moeder als ouder heeft gedragen, onder meer door te helpen bij het kiezen van een naam en de doordat zij als ouder op het geboortekaartje stond. Daarnaast is zij vanaf de geboorte van [kind 1] zeer betrokken bij haar geweest. Het hof stelt vast dat deze omstandigheden pas na de totstandkoming van de zwangerschap hebben plaatsgevonden. Dergelijke gedragingen van de moeder en de vrouw kunnen weliswaar verdere invulling geven aan hun gedragingen en bedoelingen in het tijdsbestek voorafgaand aan de zwangerschap, maar geven in dit geval geen aanleiding voor een andere visie op de rol van de vrouw bij de totstandkoming van de zwangerschap. In zoverre acht het hof dit dan ook niet relevant voor de beoordeling van de vraag of de vrouw heeft ingestemd met de daad die tot verwekking kan hebben geleid.
5.9
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er geen sprake is van instemming met de daad die verwekking tot gevolg kan hebben gehad. De overige voorwaarden van artikel 1:204 lid 4 BW (de vrouw als levensgezel en het belang van [kind 1]) behoeven daarom niet meer door het hof te worden beoordeeld. Dit betekent dat het hoger beroep van de moeder en de donor op dit onderdeel slaagt. Het hof zal daarom de beslissing van de rechtbank om de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [kind 1] vernietigen.’’
2. Klachtonderdelen
Het oordeel van het hof in rechtsoverwegingen 5.5. tot 5.9 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans is onbegrijpelijk om de hierna te noemen — zo nodig in onderlinge samenhang te lezen — redenen.
Klachtonderdeel 1.
2.1
Het hof gaat in r.o. 5.5. en verder uit van een te ruime uitleg van het begrip ‘daad van verwekking’ als bedoeld in artikel 1:204 lid 4 BW.
2.2
Het hof zoekt voor de uitleg van dat begrip aansluiting bij het begrip ‘kunstmatige donorbevruchting’ uit artikel 1 aanhef en sub c van de Wet Donorgegevens kunstmatige bevruchting: (meerdere) handelingen die zijn gericht op het anders dan op natuurlijke wijze tot stand komen van een zwangerschap) en oordeelt dat ingeval van een bevruchting op een andere dan natuurlijke wijze de daad van verwekking meer omvat dan de enkele bevruchting van de eicellen of de terugplaatsing van de embryo's en dat dit moment niet los kan worden gezien van de andere handelingen (‘voorafgaand aan de bevruchting zijn er door haar allerlei noodzakelijke (medische) stappen gezet om de bevruchting mogelijk te maken. Zo heeft de moeder gezocht naar een donor, is een cyclus van KID-behandelingen uitgevoerd, heeft zij gesprekken met artsen gevoerd en hebben diverse medische handelingen in het kader van het IVF-traject plaatsgevonden (zoals het toedienen van injecties, de punctie, de bevruchting buiten het lichaam en de terugplaatsing van de embryo's’) die zijn gericht op het tot stand komen van een zwangerschap.
2.3
Die (ruime) uitleg getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. In geval van een bevruchting op natuurlijke wijze lijdt geen twijfel op welk moment de ‘daad die verwekking tot gevolg kan hebben’ ziet. Dat is een specifieke momentopname, en dat suggereert het woord ‘daad’ ook, dat verwijst naar het moment waarop de geslachtsgemeenschap plaatsvindt. Daarbij speelt een intentie om zwanger te willen worden geen enkele rol.10. Het gaat om de daad op zich. Bestaat er aanleiding om anders naar dat begrip te kijken wanneer er sprake is van een niet-natuurlijke bevruchting? In de visie van de vrouw niet.
2.4
De parlementaire geschiedenis van de Wet Lesbisch Ouderschap biedt geen aanknopingspunt voor de ruime uitleg die het hof bezigt, integendeel, daar wordt (weliswaar in een iets andere context) gesproken over een specifiek moment (het tijdstip waarop de kunstmatige bevruchting is verricht is tot op de dag nauwkeurig vast te stellen en doet daardoor zoveel mogelijk recht aan de feitelijke situatie).11. Ook het rapport Kind en ouders in de 21e eeuw van de Staatscommissie Herijking Ouderschap spreekt over het moment van de conceptie en dat past in de visie van de vrouw ook bij de grondslag (sociaal ouderschap).12. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat fertiliteitstrajecten soms vele jaren in beslag kunnen nemen en soms zonder resultaat blijven. In de onderhavige procedure hebben er twee medische trajecten plaatsgevonden. Het eerste traject (KID) is aangevangen in 2017 en is zonder resultaat gebleven. Het tweede traject is aangevangen op 1 juli 2019 en heeft geresulteerd in de geboorte van [kind 1] in 2020. Dergelijke fertiliteitstrajecten bestaat uit verschillende stappen, die steeds een (nieuwe) keuze en beslissing inhouden. Het is geen rijdende trein maar een stoptrein met stations. Bij ieder station dient een keuze gemaakt te worden (uitstappen of verder rijden), maar tegelijkertijd bestaat er ook de mogelijkheid voor een duo-moeder om gaande de rit met de biologische moeder op de trein te stappen en samen verder te reizen. Daarbij is het gerechtvaardigd om een eng begrip te hanteren als het gaat om de ‘daad die verwekking tot gevolg kan hebben’ en dat begrip te beperken tot het moment van de bevruchting. Diezelfde lijn zien we terug in de jurisprudentie. Verwezen wordt naar de beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 17 juli 2019.13. In die procedure was sprake van een langdurige affectieve lesbische relatie, waar sprake was van een kinderwens in welk verband er ook getracht is om via IVF een zwangerschap te bewerkstelligen. De moeder werd echter zwanger omdat zij (buiten medeweten van haar partner) vreemd ging met de neef van de meemoeder. Het hof wijst het verzoek tot vervangende toestemming voor erkenning van de meemoeder af en overweegt daartoe (r.o 10) dat partijen niet samen voor de bevruchting (via vreemdgaan) van verweerster hebben gekozen. In de kern gaat het daar ook om als het gaat om sociaal ouderschap: kiezen wij samen voor dit kindje via deze bevruchting of niet. Daarvoor is niet noodzakelijk dat de meemoeder vanaf het begin samen met de biologische moeder in de trein is gestapt, alhoewel dat in veel gevallen wel het geval zal zijn. De grondslag is immers sociaal ouderschap en dat kan ook gaande de rit ontstaan. Daarbij wordt er nog op gewezen dat overige toetsingscriteria die artikel 1:204 lid 4 BW voorschrijft de rechter ook de mogelijkheid geeft om de belangenafweging te maken die ook een rol speelt (erkenning door meemoeder of bekende donor, belang van het kind).
2.5
Voor zover daar anders over gedacht zou worden meent de vrouw ook anderszins dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, door het volledige voortraject als ‘daad die verwekking tot gevolg gehad kan hebben’ te beschouwen, zoals de zoektocht naar een donor, de cyclus van KID-behandelingen, en gesprekken met artsen. Als er al een ruimer begrip gehanteerd zou moeten worden (quod non) dan zou dat beperkt moeten blijven tot die medische behandelingen die noodzakelijk zijn geweest (in medische zin) om tot deze concrete bevruchting (via IVF) te komen. Ten aanzien het van het eerdere KID-traject moet immers worden geconcludeerd dat de verwekking niet is gelukt.14. Dat ziet dan op de meest cruciale behandelingen binnen het IVF-traject die een oorzakelijk verband hebben met de uiteindelijke bevruchting, en dat traject hebben partijen samen doorlopen.15. Het IVF-traject is feitelijk op 1 juli 2019 aangevangen door de start van de hormoonbehandeling, dus na aanvang van de relatie.16. In zoverre is het apert onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat het zwangerschapstraject al in een vergevorderd stadium was toen de vrouw eenmaal als partner van de moeder betrokken raakte. Het KID-traject en het IVF-traject zijn twee verschillende trajecten en het traject wat geresulteerd heeft in de zwangerschap is aangevangen ná de start van de relatie. Mocht daar anders over gedacht worden dan meent de vrouw nog steeds dat het vanuit maatschappelijk perspectief belangrijk is dat er duidelijkheid komt over hoe het juridisch begrip ‘daad die verwekking tot gevolg kan hebben’ gekwalificeerd dient te worden wanneer er sprake is van een niet-natuurlijke wijze van bevruchting. Met name is van belang voor een meemoeder om te weten tot welk moment het mogelijk is om met de biologische moeder op de trein te stappen. Een kinderwens is een existentiële wens. Een moeder gevoel is een heel sterk (en natuurlijk) gevoel, dat vaak wordt omschreven als een oerkracht. Dat blijkt ook uit de extreme heftigheid die uit het dossier blijkt.17. Wanneer er aan de voorkant méér duidelijkheid bestaat over het juridisch kader geeft dat lesbische ouders de mogelijkheid om andere keuzes te maken, zoals bijvoorbeeld niet in de trein te stappen.
Klachtonderdeel 2.
2.6
In 5.7 oordeelt het hof ‘Het IVF-traject was al gestart voor de relatie. De eicelpunctie en zaaddonatie hadden zelfs al plaatsgevonden en de bevruchting was buiten het lichaam tot stand gebracht.’
2.7
Deze feitenvaststelling is onbegrijpelijk in het licht van het partijdebat nu tussen partijen niet in geschil was18. dat de feitelijke IVF behandeling is gestart op 1 juli 2019 (start hormoonbehandeling), derhalve na de start van de relatie op 21 juni 2019, dat de eicelpunctie heeft plaatsgevonden op 25 juli 2019, en evenmin tussen partijen in geschil was dat de bevruchting buiten het lichaam heeft plaatsgevonden tussen 25 juli 2019 (eicelpunctie) en 27 juli 2019 (terugplaatsing bevruchte embryo's), alles derhalve na de start van de relatie.
2.8
Nu dit een dragend onderdeel van de beslissing is kan het oordeel evenmin in stand blijven, nu het hof zich evident op onjuiste feiten heeft gebaseerd.
2.9
Gegrondverklaring van klachtonderdeel 1 en 2 vitieert ook het oordeel in r.o. 5.6 en 5.7 waar het hof in gaat op de ‘instemming’ en daarbij voortborduurt op het (onjuiste) begrip ‘daad die verwekking tot gevolg kan hebben’(5.7:
‘de eicelpunctie en zaaddonatie hadden zelfs al plaatsgevonden en de bevruchting was buiten het lichaam tot stand gebracht. Als de vrouw al op dat moment (expliciet of impliciet) zou hebben ingestemd met alle handelingen die die verwekking tot gevolg konden hebben (waaronder de terugplaatsing), dan kan dat gelet op de hele gang van zaken in dit geval niet tot een ander oordeel leiden’
).
Klachtonderdeel 3.
2.10
Het hof gaat voorts uit van een onjuiste, want te ruime, opvatting van het begrip ‘instemmen’. De Van Dale geeft als definitie van instemmen: ‘het met iemand of iets eens zijn en dit te kennen geven’. Instemming geeft uiting aan een (eenzijdige) mening van iemand. De rechtbank heeft in dit kader in de visie van de vrouw met juistheid overwogen: ‘niet is vereist dat de moeder heeft ingestemd met het gezamenlijk ouderschap’. Het hof legt het begrip instemming — ten onrechte — uit als een gezamenlijke gelijkwaardige beslissing (r.o. 5.6 gelet op de feitelijkheden voorafgaand aan de zwangerschap concludeert het hof dat de vrouw in ieder geval geen invloed heeft gehad op de beslissing van de moeder om zwanger te worden […]. In ieder geval blijkt uit deze berichten niet dat de vrouw een aandeel had in de beslissing van moeder om zwanger te worden en in dat kader een heel traject van (medische) behandelingen aan te gaan, laat staan dat er sprake was van een gelijkwaardige rol bij de besluitvorming, en r.o. 5.7 ‘zij heeft op dat moment geen invloed gehad op de (eerdere) keuzes van de moeder, het hele gevolgde traject en de uiteindelijke zwangerschap’). Dat getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Die uitleg miskent bovendien de juridische grondslag van sociaal ouderschap. De Commissie Herijking Ouderschap benoemt dit als ‘de intentie op het willen verwekken van het kind’.19. Zij heeft bovendien geadviseerd om het woord ‘erkenning’ in geval van lesbisch ouderschap te vervangen door de term ‘aanvaarding van het ouderschap’20. nu die term volgens de commissie beter beantwoordt aan het karakter van de rechtsfiguur. Ook hier ligt een beperktere opvatting van het begrip instemming besloten dan het hof heeft gehanteerd.
2.11
Het hof heeft de omstandigheden van het geval in r.o. 5.7 beoordeeld langs de lat van het onjuiste begrip ‘instemmen’. Zo heeft het hof de aanwezigheid van moeder bij de terugplaatsing van de embryo's beoordeeld in het licht van de gelijkwaardige beslissing (‘daaruit kan worden afgeleid dat de vrouw de moeder op dat moment ondersteunde in het traject dat zij doorliep en mogelijk zelfs in haar wens om zwanger te worden, maar zij het op dat moment geen invloed gehad op (eerdere) keuzes van de moeder, het hele gevolgde traject en de uiteindelijke zwangerschap van moeder’). Dat getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
2.12
Dat zelfde geldt voor rechtsoverweging 5.8. waar het hof de stellingen van de vrouw die zagen op gedragingen na de totstandkoming van de zwangerschap heeft beoordeeld langs diezelfde onjuiste lat: ‘maar geven in dit geval geen aanleiding voor een andere visie op de rol van de vrouw bij de totstandkoming van de zwangerschap’.
Klachtonderdeel 4.
2.13
In r.o. 5.7 oordeelt het hof:
‘niet gebleken is dat de moeder en de vrouw bij het aangaan van hun relatie concreet hebben gesproken over de aanstaande zwangerschap en hun rol daarin. Ook zijn tijdens deze procedure geen specifieke feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit moet worden afgeleid dat de vrouw met de zwangerschap van de moeder heeft ingestemd, anders dan dat zij de keuze van de moeder duldde en- meer op passieve wijze — meebewoog in de fase waarin de moeder zich op dat moment bevond.’
2.14
Dat oordeel is apert onbegrijpelijk in het licht van het partijdebat, meer specifiek (doch niet uitsluitend) het uitvoerige partijdebat wat ten overstaan van de meervoudige kamer van de rechtbank heeft plaatsgevonden over de instemming. De moeder heeft ter zitting verklaard dat de vrouw op 21 juni gevraagd heeft om een rol te spelen in het leven van het kind.21. Zij heeft ter zitting, in antwoord op vragen van de rechtbank, ook verklaard dat er van de zijde van de vrouw al voor de zwangerschap was aangedrongen op erkenning.22. De vrouw heeft over die instemming het volgende verklaard:23.
‘op het moment dat de relatie startte, en dat moment staat tussen partijen vast, heeft de vrouw ermee ingestemd dat er dan een kindje zou worden geboren. Wetende wat ze wist, de contacten die ze al had met [de moeder] vanaf 2016. Een relatie starten is instemmen met de kinderwens. Op 25 juli was er een relatie en dus heeft de vrouw ingestemd’
‘Op 21 juni hebben we een gesprek gehad om eerst onze relatie te bespreken. Ik wilde heel graag een relatie. Ik heb gezegd dat als we een relatie krijgen, dan krijgen we ook samen een kind. Ik heb [de moeder] gezegd dat ze er nog een week over na moest denken. Ik wilde zeker weten dat ze erachter stond. Ze zij gelijk: ja, ik weet het zeker. Ik kreeg een sleutel. Voor mij was het heel helder. Per 21 juni was voor mij duidelijk om het samen te doen. Ik heb mij gecommitteerd om samen een kind te krijgen.’
En in antwoord op de vraag van de rechtbank bij wie de keuze lag om het traject van de 25e in te gaan:
‘De vrouw: bij beiden, ik stemde in om hierin mee te gaan. Ik ben er in gestapt, in haar traject. Hoe dat kort voor de 25e is besproken? [de moeder] kreeg 1 juli een injectie voor de groei van de eitjes. Voor groeihormonen. Ik heb gevraagd, wanneer is dan de punctie? Wanneer gaan we? Ben ik daar ook bij? Dat moest ze nog navragen.’
2.15
Bij de bijzonder curator24. heeft de vrouw verklaard:
‘Op 21 juni 2019 heeft [de vrouw] aan [de moeder] gevraagd of zij een relatie met haar wilde. [de vrouw] geeft aan dat [de moeder] heeft hier toen volmondig ‘ja’ op heeft geantwoord. [de vrouw] merkt op dat zij tijdens dit gesprek heeft aangegeven dat dit voor haar ook betekende dat ze dan samen een kind zouden krijgen. [de vrouw] geeft aan dat ze toen tegen [de moeder] nog heeft gezegd: ‘denk er goed over na, want dat betekent ook voor jou dat we dit samen gaan doen’. [de vrouw] geeft aan dat zij [de moeder] toen een week de tijd heeft gegeven om er over na te denken. Die tijd heeft [de moeder] niet genomen, geeft [de vrouw] aan; [de moeder] nam de beslissing diezelfde dag nog.
[de vrouw] vertelt dat zij vanaf dat moment in het IVF-traject is betrokken. Op 21 juli was de start van het IVF-traject met een echo. Op 28 juli was de terugplaatsing van twee eitjes. Bij beide momenten is [de vrouw] aanwezig geweest. Ook in die week ertussen was [de vrouw] bij [de moeder]. [de vrouw] vertelt dat op 1 augustus bleek dat [de moeder] een verdraaide eierstok had waarvoor zij naar het ziekenhuis moest. Dit gaf veel onzekerheid voor [de moeder], maar ook voor [de vrouw]. [de vrouw] vertelt dat zij in die periode het aanspraakpunt was vanuit het ziekenhuis voor [de moeder] voor de familie van [de moeder]. De familie van [de moeder] wist toen al dat er sprake was van een relatie.’
2.16
Dit partijdebat laat zich bezwaarlijk anders uitleggen dan dat er duidelijk voorafgaand aan de verwekking van [kind 1] is aangegeven dat de vrouw een ouderrol wilde spelen en dat er zelfs voorafgaand aan de zwangerschap is gesproken over erkenning. In het licht van dit partijdebat is het apert onbegrijpelijk dat het hof tot het oordeel komt dat niet gebleken is dat de moeder en de vrouw bij het aangaan van hun relatie concreet hebben gesproken over de aanstaande zwangerschap en hun rol daarin. De verklaringen van partijen over de inhoud van die gesprekken lopen uiteen maar uit beide verklaringen valt tenminste op te maken dat daar nu juist wél over is gesproken.
2.17
De vrouw acht het voorts onbegrijpelijk in het licht van het partijdebat dat het hof tot het oordeel komt dat de vrouw de zwangerschap van de moeder duldde en — meer op passieve wijze — meebewoog in de fase waarin de moeder zich op dat moment bevond. Dat is onbegrijpelijk in het licht van de stellingen die zijn benoemd in 2.14, de aanwezigheid van de vrouw bij alle belangrijke handelingen binnen het IVF-traject maar ook in het licht van de actieve gedragingen van partijen nadien die hierna worden benoemd in par. 2.20.
Klachtonderdeel 5
2.18
Het hof heeft verzuimd om gemotiveerd op essentiële stellingen van de vrouw in te gaan. De vrouw heeft het volgende gesteld om te onderbouwen dat er sprake was van een (aanvankelijke) gezamenlijke intentie (en dus in ieder geval een instemming met de zwangerschap van haar zijde) om samen ouder te worden:
- •
Toen bleek dat de moeder zwanger was (kort na de bevruchting/daad van verwekking) zond de moeder op eigen initiatief een appje aan de vrouw om haar te feliciteren met het feit dat ze moeder wordt, waarop de vrouw reageert ‘jij dan ook’.25.
- •
De vrouw stond als partner bij de verloskundige geregistreerd.26.
Zonder nadere toelichting die ontbreekt is niet begrijpelijk waarom het hof meent dat dit niets zegt over intentioneel (sociaal) gezamenlijk ouderschap, meer in het bijzonder nu dit de stellingen van de vrouw dat het een gezamenlijke keuze was om samen ouders te worden bevestigt en het bericht kort op de bevruchting (daad van verwekking) is verzonden door de moeder aan de vrouw en partijen zich kennelijk daarna ook als partners bij de verloskundige hebben gemeld.
2.19
Het oordeel van het hof in r.o. 5.8 (De vrouw heeft tot slot nog aangevoerd dat zij zich tijdens de zwangerschap van de moeder als ouder heeft gedragen, onder meer door te helpen bij het kiezen van een naam en de doordat zij als ouder op het geboortekaartje stond. Daarnaast is zij vanaf de geboorte van [kind 1] zeer betrokken bij haar geweest. Het hof stelt vast dat deze omstandigheden pas na de totstandkoming van de zwangerschap hebben plaatsgevonden. Dergelijke gedragingen van de moeder en de vrouw kunnen weliswaar verdere invulling geven aan hun gedragingen en bedoelingen in het tijdsbestek voorafgaand aan de zwangerschap,maar geven in dit geval geen aanleiding voor een andere visie op de rol van de vrouw bij de totstandkoming van de zwangerschap.In zoverre acht het hof dit dan ook niet relevant voor de beoordeling van de vraag of de vrouw heeft ingestemd met de daad die tot verwekking kan hebben geleid) voldoet niet aan de hieraan te stellen motiveringseisen.
2.20
Zonder nadere toelichting die ontbreekt is niet duidelijk waarom de volgende door de vrouw aangevoerde omstandigheden in dit geval niets zouden zeggen over instemmen met de daad die verwekking tot gevolg kan hebben:
- •
Toen bleek dat de moeder zwanger was (kort na de bevruchting/daad van verwekking) zond zij een appje aan de vrouw waarin ze aangeeft dat de vrouw mama wordt, waarop de vrouw reageert: ‘jij ook’.27.
- •
De vrouw stond als partner bij de verloskundige geregistreerd.28.
- •
De vrouw heeft — in overleg met de moeder — de naam [kind 1] gekozen.29.
- •
Partijen hebben samen het geboortekaartje uitgezocht waarop zowel de vrouw als de moeder als moeder genoemd werden.30.
- •
[kind 1] is in aanwezigheid van de vrouw geboren.31.
- •
De vrouw heeft haar bij de gemeente aangegeven.32.
- •
De buitenwereld ging er van uit dat de vrouw en de moeder samen moeder waren.33.
- •
Beide partijen spraken over onze dochter.34.
2.21
Alle door de vrouw aangevoerde en met stukken onderbouwde stellingen wijzen immers op een intentie van beide partijen om samen ouders van [kind 1] te worden. Deze feiten en stellingen zijn zowel door de bijzonder curator als door de rechtbank juist wél als relevante omstandigheden aangemerkt die iets zeggen over de vraag of er is ingestemd met een daad die verwekking tot gevolg kan hebben.35. Voor wat betreft de aangifte van de geboorte van [kind 1] bij de burgerlijke stand wordt nog verwezen naar het rapport van de Staatscommissie Herijking Ouderschap, waarin wordt aangegeven dat zelfs overwogen is om het juridisch ouderschap van de tweede ouder automatisch te laten ontstaan voor degene die de geboorte van het kind komt aangeven omdat dit in de praktijk veelal de verwekker van het kind is.36. Voorts wordt nog verwezen naar de beschikking van de Rechtbank Gelderland37. waarin de omstandigheid dat de man met de vrouw was meegegaan naar de verloskundige, dat hij zich aan familie, vrienden en kennissen heeft gepresenteerd als vader van het kind en ook anderszins de verantwoordelijkheid als vader op zich heeft genomen tenminste de schijn wekt dat de vrouw medeweten en instemming van de man een zwangerschap heeft bewerkstelligd, als gevolg waarvan de rechtbank tot het oordeel komt dat de man heeft ingestemd met een daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad. Het hof kon dan ook niet volstaan met deze motivering nu deze geen enkele inzage geeft in de gedachtegang van het hof ten aanzien van deze stellingen in het licht van het partijdebat, het oordeel van de rechtbank en het advies van de bijzonder curator.
Klachtonderdeel 6
2.22
Gegrondverklaring van één van de hiervoor aangedragen klachtonderdelen vitieert ook het oordeel van het hof in rechtsoverwegingen 5.10 tot en met 5.16 nu dat voortborduurt op de vernietiging van het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vervangende toestemming voor erkenning van [kind 1] door de moeder. Dat geldt in het bijzonder voor het oordeel in 5.16 waar het hof een oordeel geeft over de nietigheid c.q. vernietigbaarheid van de erkenning van [kind 1] door de donor en het oordeel dat de moeder de belangen van de vrouw niet geschaad heeft door toestemming te geven voor de erkenning aan de donor.
2.23
Gegrondverklaring van één van de hiervoor aangedragen klachtonderdelen vitieert voorts het oordeel van het hof in r.o. 5.17 waar het hof het verzoek van de vrouw om mede met het gezag over [kind 1] belast te worden afwijst op de grond dat de vrouw geen juridisch ouder van [kind 1] is (nu het oordeel dat aan haar vervangende toestemming voor erkenning verleend wordt vernietigd wordt door het hof).
Redenen waarom:
Het de Hoge Raad moge behagen op vorenstaande gronden, of op één of meer daarvan, te vernietigen de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 december 2022 onder zaaknummers 200.310.219/01, 200.310.219/02 en 200.310.286/01 waartegen het middel is gericht, met zodanige verdere beslissing als Uw Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Rotterdam, 28 februari 2023
't welk doende enz.
Advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 28‑02‑2023
P.D. EA, proces-verbaal mondelinge behandeling, blad 6, 10e alinea.
P.D. EA, verzoekschrift par. 8 ev.
P.D. EA, verweerschrift, par. 35 ev.
P.D. EA, verzoekschrift, par. 17
P.D HB: Appelschrift par 83
P.D. HB: Appelschrift, pag. 84, in lijn met haar standpunt in eerste aanleg, zie P.D EA: PV mondelinge behandeling rechtbank Overijssel 16 december 2021, blad 4
PD EA: Proces-verbaal 16 december 2021 rechtbank Overijssel, blad 4
PD HB: Proces-verbaal 20 oktober 2022 hof Arnhem-Leeuwarden, blad 4 bovenaan.
PD HB: Proces-verbaal 20 oktober 2022 hof Arnhem-Leeuwarden, blad 5, 2e alinea.
Zie bijv. ECLI:NL:RBSGR:2005:AY5186
Rapport Staatscommissie Herijking ouderschap ‘kind en ouders in de 21e eeuw’, p. 415
Zie in gelijke zin PD EA: PV mondelinge behandeling eerste aanleg, blad 5, alinea 9 (mr. Vijftigschild) alsmede de bijzonder curator (PD HB: brief bijzonder curator 10 oktober 2022, pagina 13: ‘niet het zoeken naar een donor of de persoonlijke inseminatie hebben immers tot de zwangerschap geleid, enkel de stappen die gezet zijn in het kader van het IVF-traject hebben die zwangerschap bewerkstelligd. En dat cruciale traject hebben partijen naar mijn mening samen gedaan’
Zie voetnoot hiervoor, brief bijzonder curator
Zie ook productie 9 bij appelschrift van de zijde van de moeder: brief Isala vrouw-kindcentrum, op pagina 2 staat dat de IVF behandeling op 25 juli 2019 heeft plaatsgevonden en daarachter zit een overzicht van de verschillende behandelingen en op welke tijdstippen deze hebben plaatsgevonden.
Crowdfunding acties om dwangsommen en advocaten te betalen om de mee-moeder buiten het leven van [kind 1] te houden, de internet pagina's, demonstraties buiten het gerechtsgebouw voor tijdens en na de zitting in eerste aanleg, de door de vrouw genoemde integriteitsmeldingen bij haar werkgever etc. etc.
PD HB: Verweerschrift moeder par. 14 en 15: de vrouw heeft moeder op 25 juli 2019 naar het ziekenhuis begeleid voor de eicelpunctie. Zie ook PD EA: PV mondelinge behandeling, blad 5. Moment van bevruchting: tussen 25 juli en 28 juli 2019. Zie ook PD EA: Inleidend verzoekschrift van de vrouw par. 23, zie ook voetnoot 16.
Rapport Staatscommissie Herijking ouderschap ‘kind en ouders in de 21e eeuw’, p. 415
Rapport Staatscommissie Herijking ouderschap ‘kind en ouders in de 21e eeuw’, 11.2.3.2.
PD EA: Proces-verbaal mondelinge behandeling, blad 6, laatste alinea: ‘dat er op 21 juni in een gesprek heel duidelijk zou zijn aangegeven dat partijen samen moeder zouden worden en samen een kind zouden grootbrengen, daar is geen sprake van. Zij heeft het gevraagd, ik wil een rol, maar nimmer gesproken over eventueel ouderschap’
PD EA: Proces-verbaal mondelinge behandeling, blad 8, 3e alinea: ik vond het wel een lastig onderwerp moet ik zeggen. Ook omdat de vrouw aangedrongen heeft op erkenning. Dat deed ze ook al voor de zwangerschap. Relatietherapie was aan de orde. We hadden ook ruzie in de auto daarover.
PD EA: Proces-verbaal mondelinge behandeling, blad 6 ev.
PD EA: Advies bijzonder curator, ingediend op 26 november 2021, pagina 7
PD EA Brief 8 december 2021, productie 34 van de zijde van de vrouw
PD EA Inleidend verzoekschrift par. 23
PD EA Brief 8 december 2021, productie 34 van de zijde van de vrouw:
PD EA Inleidend verzoekschrift par. 23, zie ook PD HB: brief bijzonder curator t.b.v. zitting 20 oktober 2022 waar zij op pagina 13 aangeeft dat dit tussen partijen vast staat.
PD EA Inleidend verzoekschrift par. 26 en prod. 16
PD EA Inleidend verzoekschrift par. 27
PD EA Inleidend verzoekschrift par. 28
PD EA Inleidend verzoekschrift par. 29
PD EA Inleidend verzoekschrift par. 32
PD EA Productie 14 van de zijde van de vrouw
PD HB brief bijzonder curator t.b.v. zitting 20 oktober 2022, pagina 13, beschikking rechtbank 5.12
Rapport Staatscommissie Herijking ouderschap ‘kind en ouders in de 21e eeuw’, p. 409