Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.6.3.1
7.6.3.1 Richtlijn(historie)
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291492:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 19, 33 en 35. In Nederland was de verhuur van machines en bedrijfsinstallaties op grond van art. 24, nr. 34 Wet OB 1954 aan btw-heffing onderworpen.
M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2020, p. 334.
Paragraaf 81 lid 5 van de Leidraad Omzetbelasting 1954.
Toelichting op 14, B, onderdeel d Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 758.
Nota van de Groep financiële vraagstukken van 7 januari 1974, nr. R/2/74 (FIN 2), deel II, p. 19. Frankrijk wees er in dit kader op dat het gekozen begrip ‘industrieel of commercieel’ in art. 14, B, onderdeel d, punt 2 Voorstel voor een zesde richtlijn niet het gebruik voor alle economische activiteiten omvat en dat het niet altijd eenvoudig zal zijn om vast te stellen of al dan niet sprake is van de verhuur van gebouwen welke voor industriële of commerciële doeleinden worden gebezigd.
Werkdocument van de Groep financiële vraagstukken van 20 februari 1976, nr. T/120/76 (FIN), p. 8.
Bijlage II bij de nota van de van de Groep financiële vraagstukken van 8 oktober 1976, nr. T/755/76 (FIN), punt VI, p. 8.
Het begrip ‘werktuig’ kent in het Nederlandse spraakgebruik de volgende definitie: “1. Voorwerp of geheel van voorwerpen dat gebruikt wordt om zekere krachten te overwinnen met behulp van andere krachten, hulpmiddel bij het bewerken, vervaardigen of verplaatsen van iets (algemener dan gereedschap); (…); 3 (in technische taal) machine.” (Groot woordenboek van de Nederlandse taal, Dikke Van Dale online, geraadpleegd op 29 maart 2021).
Eén van de betekenissen van begrip ‘installatie’ in het Nederlandse spraakgebruik is: “het aanbrengen van apparaten” (Groot woordenboek van de Nederlandse taal, Dikke Van Dale online, geraadpleegd op 29 maart 2021).
In de Engelse (‘equipment’), Duitse (‘Vorrichtungen’), Deense (‘udstyr’), Portugese (‘equipamento’) en Poolse taalversie (‘wyposażenia’) van art. 13, B, onderdeel b, punt 3 Zesde Richtlijn wordt een begrip gebruikt dat het equivalent is of kan zijn van het begrip ‘apparatuur’. Het begrip dat in de Engelse, Deense en Portugese taalversie gebruikt wordt, kan echter ook vertaald worden met uitrusting.
Voor de inwerkingtreding van de Zesde Richtlijn was de verhuur (van vast met een onroerend goed verbonden) bedrijfsmachines en -installaties zowel in Duitsland, Luxemburg als Nederland belast.1 Voor de verhuur van vast met een onroerend goed verbonden bedrijfsmachines en -installaties geldt dat deze normaal gesproken door en aan ondernemers wordt verricht. Het vrijstellen van deze verhuurdienst zou daarom tot cumulatie leiden.2 Bovendien zou het vrijstellen van de verhuur van onroerende bedrijfsmachines en -installaties leiden tot een ongelijke behandeling van de verhuur van bedrijfsmachines en -installaties, aangezien de verhuur van roerende bedrijfsmachines en -installaties belast is.3
In art. 14, B, onderdeel d Voorstel voor een zesde richtlijn is door de Europese Commissie echter geen uitzondering opgenomen voor de verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines. Dat was ook niet nodig, omdat deze verhuurdienst viel onder de (ruime) uitzondering van art. 14, B, onderdeel d, punt 2 Voorstel voor een Zesde Richtlijn voor de verhuur van gebouwen welke voor industriële of commerciële doeleinden worden gebezigd. Uit de Deense (‘faste ejendomme’), Duitse (‘Grundstücke’), Engelse (‘immovable property’) Franse (‘d'immeubles’) en Italiaanse (‘immobili’) taalversie volgt dat deze voorgestelde uitzonderingsbepaling niet beperkt was tot gebouwen, zoals de Nederlandse taalversie suggereert, maar betrekking had op (alle) onroerende goederen. Deze uitzondering was derhalve ruim genoeg om ook de verhuur van vast met een onroerend goed (een fabrieksgebouw bijv.) verbonden bedrijfsmachines en -installaties te omvatten. In de toelichting op art. 14, B, onderdeel d Voorstel voor een zesde richtlijn wordt door de Europese Commissie opgemerkt dat de (technische, economische en sociale) redenen voor de vrijstelling van woonhuizen en verpachtingen in de landbouw niet gelden voor de verhuur met een industrieel of commercieel bedrijfskarakter.4
Het voorgestelde art. 14, B, onderdeel d, punt 2 Voorstel voor een zesde richtlijn bleek te ambitieus. Zowel Frankrijk als Duitsland voelden niets voor deze verplichte uitzondering. Frankrijk stelde voor om op dit gebied een keuzesysteem in te voeren en deze suggestie werd door Duitsland gesteund.5 De Europese Commissie heeft daarom een nieuwe tekst voorgesteld waarin het oude art. 14, B, onderdeel d, punt 2 van het voorstel voor een Zesde Richtlijn als volgt werd opgesplitst:
“(…)
2. De verhuur bestemd voor de belaste bedrijvigheid van een belastingplichtige, op voorwaarde dat de verhuurder afziet van de vrijstelling.
3.de verhuur van blijvend aan de grond bevestigde werktuigen en machines.
(…)”6
In deze paragraaf gaat het om het nieuwe art. 14, B, onderdeel d, punt 3 Voorstel voor een Zesde Richtlijn. Uit de vergaderstukken met betrekking tot de totstandkoming van de Zesde Richtlijn blijkt dat de lidstaten het in principe eens waren dat de ‘(afzonderlijke) verhuur van werktuigen en machines die niet verplaatsbaar zijn’ belast is.7 In de definitieve tekst van art. 13, B, onderdeel b, punt 3 Zesde Richtlijn is ervoor gekozen om de ‘verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines’ uit te zonderen van de vrijstelling voor de verhuur van onroerend goed. In het Nederlandse spraakgebruik omvat het begrip ‘werktuig’ zowel (hand)gereedschap als apparatuur.8 Uit een vergelijking met andere taalversies en het bijvoeglijk naamwoord ‘geïnstalleerd’9, is af te leiden dat het begrip ‘werktuig’ in laatstbedoelde, striktere zin bedoeld is.10
Uit de vergaderstukken inzake de totstandkoming van de Zesde Richtlijn blijkt niet dat met de andere omschrijving van de onroerende staat van de werktuigen en machines (‘blijvend geïnstalleerde’ in plaats van ‘aan de grond bevestigde’) een materiële wijziging is beoogd. Dat valt ook te verklaren. Werktuigen en machines die blijvend zijn geïnstalleerd in, op of aan gebouwen zijn weliswaar niet direct, maar wel indirect (lees: via het gebouw) aan de grond bevestigd. Door de keuze voor ‘blijvend geïnstalleerde’ komt mijns inziens duidelijker uit de verf dat ook die indirecte vaste verbondenheid met de grond volstaat. Het bepaalde in art. 13, B, onderdeel b, punt 3 Zesde Richtlijn is ongewijzigd overgenomen in art. 135 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn.