Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/5.2.0
5.2.0 Introductie
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS458977:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, Fiscale monografie nr. 19, blz. 49-50, Kluwer, Deventer, 1993; J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijkbelangregeling, Fed fiscale brochures, blz. 53-54, Fed, Deventer, 1995; H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.2A.4.A.b, Gouda Quint, Deventer.
De gelijkstelling van bewijzen van deelgerechtigdheid in (open) fondsen voor gemene rekening met aandeelbewijzen geldt ook hier, met dien verstande dat dan beslissend is het aantal en niet het nominale bedrag van de bewijzen (art. 44a, vierde lid, Wet IB).
In deze zin T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, Fiscale monografie nr. 19, blz. 55 e.v., Kluwer, Deventer, 1993; J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling, Fed fiscale brochures, blz. 555-56, Fed, Deventer, 1995.
HR 25 november 1992, BNB 1993/103.
Of de wijziging van de aanmerkelijkbelangdefinitie tevens doorwerkt naar het aanmerkelijkbe-langvoorbehoud van belastingverdragen (art. 13, vijfde lid, NSV) hangt af van het desbetreffende belastingverdrag. Sommige belastingverdragen kennen een geheel eigen omschrijving van het begrip 'aanmerkelijk belang', zoals bijvoorbeeld het verdrag met Spanje en de Belastingregeling voor het Koninkrijk, terwijl andere belastingverdragen voor de aanmerkelijkbelangdefinitie eenvoudig verwijzen naar de Nederlandse wetgeving ter zake. De gewijzigde definitie van een aanmerkelijk belang heeft vooralsnog enkel gevolgen voor deze laatste groep belastingverdragen; voor een doorwerking naar de eerste groep belastingverdragen zal het desbetreffende verdrag moeten worden gewijzigd.
De definitie van een aanmerkelijk belang is aanmerkelijk vereenvoudigd ten opzichte van de tot 1 januari 1997 geldende definitie in art. 39, derde lid, (oud) Wet IB. Onder het nieuwe regime is ingevolge art. 20a, derde lid, Wet IB een aanmerkelijk belang aanwezig, indien '(...) de belastingplichtige, al dan niet te zamen met zijn echtgenoot voor ten minste vijf percent van het geplaatste kapitaal onmiddellijk of middellijk aandeelhouder is in een vennootschap welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld.' Ter vergelijking was volgens art. 39, derde lid, (oud) Wet IB een aanmerkelijk belang aanwezig, indien de belastingplichtige in de loop van de laatste vijfjaren, al dan niet te zamen met zijn echtgenoot en zijn bloed- en aanverwanten in de rechte lijn en in de tweede graad van de zijlijn, voor ten minste een derde gedeelte, en, bovendien al dan niet te zamen met zijn echtgenoot, voor meer dan 7% van het nominaal gestorte kapitaal onmiddellijk of middellijk aandeelhouder was geweest. Blijkens de oude en nieuwe wettekst was en is dus relevant of sprake is van aandeelhouderschap in een vennootschap welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld. Met betrekking tot dit laatste element is van belang of het een deelgerechtigdheid betreft in een vennootschap waarvan de winst niet rechtstreeks aan de betrokkenen ten goede komt, doch eerst na een besluit van de gezamenlijke deelgerechtigden. 1 Dit betekent dat een deelname in een open commanditaire vennootschap (art. 2, derde lid, onderdeel c resp. onderdeel f, AWR) resp. een open fonds voor gemene rekening (art. 2, tweede lid, Wet Vpb.)2 een aanmerkelijk belang kan vormen - mits aan de overige voorwaarden voor de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang is voldaan - en een deelname in een vennootschap onder firma resp. (besloten) commanditaire vennootschap niet.3 Beschikt de vennootschap over verschillende soorten aandelen, dan wordt ook een aanmerkelijk belang aanwezig geacht, indien '(••■) de belastingplichtige, al dan niet te zamen met zijn echtgenoot voor ten minste vijf percent van het geplaatste kapitaal van een soort aandelen onmiddellijk of middellijk aandeelhouder is.' Hierbij worden aandelen waaraan uitsluitend een benoemingsrecht, het recht de naam van de vennootschap te mogen bepalen of een met die rechten vergelijkbaar recht is verbonden dan wel een bijzondere aanbiedingsregeling of een daarmee vergelijkbare regeling geldt, tot één soort gerekend. Dit betekent dat ook een aandeelhouder met uitsluitend prioriteitsaandelen in beginsel onder de aanmerkelijkbelangregeling kan vallen.4
In vergelijking met de tot 1 januari 1997 geldende definitie van een aanmerkelijk belang, vallen de volgende wijzigingen op:
het lagere kwalificerende percentage;
de beperktere familiegroep;
het sterk vereenvoudigde soort aanmerkelijk belang;
het ontbreken van een relevant tijdsverloop.
Aan elk van deze aspecten wordt hieronder nader aandacht besteed.
Reeds op deze plaats wordt opgemerkt dat de gewijzigde aanmerkelijkbelang-definitie tevens betekenis heeft voor andere regelingen waarvoor de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang als voorwaarde is gesteld. In het oog springt uiteraard de doorwerking van de gewijzigde aanmerkelijkbelangdefinitie naar de regels van de buitenlandse belastingplicht in de inkomstenbelasting. Minder opvallend is dat de gewijzigde aanmerkelijkbelangdefinitie ook doorwerkt naar de regels van de buitenlandse belastingplicht in de vennootschapsbelasting, nu art. 17, derde lid, Wet Vpb. simpelweg naar de buitenlandse belastingplicht in de Wet IB verwijst. Voorts kan worden gedacht aan de regeling van het gebruikelijke salaris van (art. 22, tweede lid, Wet IB j°) art. 12a Wet LB alsmede aan de regeling van de gebruikelijke inkomsten van art. 24, vierde lid, Wet IB, (art. 33, vijfde lid, Wet IB j°) art. 13a, tweede en derde lid, Wet IB en art. 33, zesde lid, Wet IB. Verder heeft de gewijzigde definitie van een aanmerkelijk belang betekenis voor andere wettelijke regelingen die verwijzen naar de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet IB, zoals:
de aftrekbaarheid van commissarisbeloningen in de vennootschapsbelasting (art. 11 Wet Vpb.);
de latente belastingaftrek en de ondernemingsvrijstelling in de vermogensbelasting (art. 4, vierde en vijfde lid, onderdelen c en art. 7, derde lid, onderdeel c, Wet VB);
de fictieve erfrechtelijke verkrijging van aandelen in een pensioen- of lijfrentelichaam en de latente belastingaftrek in het successierecht (art. 13a en art. 20, vijfde lid, onderdeel c en zesde lid, SW).
Verrassend genoeg zijn de nieuwe aanmerkelijkbelangcriteria vooralsnog niet doorgetrokken naar de regeling inzake onroerendezaaklichamen van art. 4 WBR. Overigens was wel aangekondigd dat in de loop van 1998 een wetsvoorstel ter zake zou worden ingediend, maar dit wetsvoorstel is tot op heden nog niet verschenen.5