Uitkoop van minderheidsaandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/6.4.2.b:6.4.2.b Het stemrechtvereiste van de algemene uitkoopregeling ex art. 2:201a lid 1 BW
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/6.4.2.b
6.4.2.b Het stemrechtvereiste van de algemene uitkoopregeling ex art. 2:201a lid 1 BW
Documentgegevens:
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS601099:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 2012, 299 en 301. In de eerste zaak na de invoering van het stemrechtvereiste, laat de OK na om te onderzoeken of de uitkoper ten minste 95% van de stemrechten vertegenwoordigt, zie OK 8 oktober 2013, JOR 2014/95 (Glanerbrook).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De algemene uitkoopregeling van art. 2:201a BW kent sinds de invoering van de wet vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht eind 2012 ook een cumulatief vereiste van kapitaal en stemrecht.1 Dit houdt verband met de introductie van het stemrechtloze aandeel in art. 2:228 lid 5 BW door diezelfde wet. Voor de algemene uitkoopregeling van art. 2:92a BW geldt geen stemrechtvereiste.
De reden voor de invoering van het stemrechtvereiste in art. 2:201a BW begrijp ik echter niet. De wetgever merkt hierover het volgende op:
“Om te voorkomen dat een aandeelhouder die minder dan 95% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigt, de minderheid zou kunnen uitkopen (omdat een deel van zijn aandelen stemrechtloos is), wordt in art. 201a bij nota van wijziging bepaald dat een uitkoper voor het uitkooprecht niet alleen 95% van het geplaatste kapitaal moet verschaffen, maar tevens 95% van de stemrechten in de algemene vergadering moet kunnen uitoefenen.”2
Het probleem waar de wetgever op doelt, is het feit dat stemrechtloze aandelen op grond van art. 2:24d lid 1 BW niet meetellen voor de vraag in hoeverre kapitaal wordt verschaft (§ 6.3.3 sub c). Dit betekent dat in een vennootschap met een geplaatst kapitaal van 100 aandelen, waarvan 20 stemrechtloze aandelen, de houder van 76 aandelen een uitkoopprocedure kan beginnen. Doordat de 20 stemrechtloze aandelen niet meetellen voor het kapitaalvereiste, verschaft de aandeelhouder namelijk 95% (76 van de 80) van het geplaatste kapitaal. Deze situatie acht de wetgever terecht onwenselijk, omdat de aandeelhouder slechts 76% van het totaal aantal geplaatste aandelen verschaft.
De kwestie is echter opgelost met de toevoeging van het tweede lid aan art. 2:24d BW. Dit lid bepaalt dat voor toepassing van onder andere de algemene uitkoopregeling in art. 2:201a BW de stemrechtloze aandelen wel meetellen voor het kapitaalvereiste. Het is dus niet nodig om in de uitkoopregeling zelf een tweede vereiste op te nemen dat de uitkoper ook minimaal 95% van de stemrechten moet kunnen uitoefenen.
Hiervoor (sub a) heb ik reeds aangegeven dat andere rechtvaardigingsgronden voor het stemrechtvereiste ontbreken. De wetgever moet het vereiste – net als voor de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW – schrappen.