Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.6.4.3
5.6.4.3 Veranderingen in het vermogen van de ontvanger van een goed
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS492727:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Bij soortzaken zou men kunnen verdedigen dat een soortgelijke zaak moet worden teruggegeven.
In gevallen waarin de presterende partij geld heeft betaald, kan de verbintenis tot terugbetaling nog wel worden nagekomen, omdat op de ontvanger de verplichting rust een gelijk bedrag terug te betalen.
In het Engelse recht speelt het probleem niet nadrukkelijk, omdat de vordering doorgaans strekt tot afdracht van een som geld ter grootte van een ongerechtvaardigde verrijking of omdat een goederenrechtelijke (trustrechtelijke) aanspraak bestaat tot afdracht van hetgeen in de plaats is getreden van de ongerechtvaardigde verrijking. Deze vorm van zaaksvervanging past niet in het systeem van het Burgerlijk Wetboek.
Als de presterende partij niet rechthebbende is (derhalve slechts houder), dan volgt uit de nauwe verwantschap met het geval waarin de presterende partij wel rechthebbende is, dat hetgeen hier wordt opgemerkt per analogiam van toepassing is.
Als de ontvanger de ring zou hebben verkocht voor meer dan de marktwaarde, hoeft hij de winst niet af te dragen. Dit extra voordeel ontstaat doorgaans immers niet door de prestatie van de schuldeiser, maar is een gevolg van omstandigheden die in de sfeer van de ontvanger liggen, zoals onderhandelingen die de ontvanger heeft gevoerd. Dat is ook de uitkomst onder Duits recht (zie hoofdstuk 3, par.3.5.3) Als het nieuwe vermogensbestanddeel minder waard is dan het oorspronkelijk verkregen goed, dan dient de ontvanger een beroep te kunnen doen op het verweer dat zijn verrijking is verminderd. Onder Duits recht kan de ontvanger dat ook. In dit geval is de basis voor het verweer art. 6:212 lid 2 en 3. Als de ontvanger van de ring, die €1000 waard is, voor € 800 heeft verkocht, hoeft hij slechts een voordeel van € 800 af te dragen.
De wetgever heeft geen sluitende regeling gegeven voor gevallen waarin de ontvanger te goeder trouw met het ontvangen goed een nieuw vermogensbestanddeel verwerft dat een bepaalde waarde heeft. Dit bestanddeel treedt dan in de plaats van een ontvangen goed. Dan kan de verbintenis tot teruggave van het goed (artikel 6:203 lid 1) niet meer door de ontvanger worden nagekomen.1 Stel dat A een stoel zonder daartoe verschuldigd te zijn aan B geeft, en dat B de stoel ruilt met C tegen een tafel. Als C te goeder trouw is, wordt hij de nieuwe eigenaar van de stoel (artikel 3:86). B kan jegens A zijn verbintenis tot teruggave van de stoel niet meer nakomen.2
Een strikte interpretatie van artikel 6:74 in verbinding met artikel 6:75 en artikel 6:204 brengt in dit soort gevallen met zich dat de presterende partij ook geen schadevergoeding kan vorderen in plaats van nakoming van de verplichting tot terugbetaling (artikel 6:86, vervangende schadevergoeding). Voor vervangende schadevergoeding is immers vereist dat de ontvanger toerekenbaar te kort is geschoten. Artikel 6:204 bepaalt echter dat de ontvanger niet toerekenbaar tekortschiet. Toch is het wenselijk dat de presterende partij een vordering heeft tegen de ontvanger. Immers, het vermogen van de ontvanger is door de verwerving van het nieuwe goed nog steeds groter in vergelijking met de denkbeeldige situatie waarin de onverschuldigde betaling niet zou hebben plaatsgehad. Met andere woorden, de ontvanger is door de onverschuldigde betaling nog steeds verrijkt.
Naar mijn mening blijft de presterende partij niet met lege handen staan. Ik meen dat de verplichting tot teruggave van het ontvangen goed verandert in een verplichting tot waardevergoeding. In het Duitse recht is een waardevergoeding voor deze gevallen expliciet geregeld in de wet.3 In het Burgerlijk Wetboek ontbreekt een expliciete regeling, maar de wet kent wel een bepaling waarmee hetzelfde resultaat wordt bereikt: artikel 6:78. Dit artikel bepaalt dat wanneer een tekortkoming de schuldenaar (ontvanger) niet kan worden toegerekend, maar hij in verband met die tekortkoming een voordeel geniet dat hij bij behoorlijke nakoming niet zou hebben gehad, de schuldeiser (presterende partij) met toepassing van de regels betreffende ongerechtvaardigde verrijking recht heeft op vergoeding van zijn schade tot ten hoogste het bedrag van dit voordeel.
Het artikel verwijst naar de ‘regels betreffende ongerechtvaardigde verrijking’. We zagen eerder dat een ongerechtvaardigde verrijking het gevolg kan zijn van inbreuken en van prestaties. Hier doen beide zich tegelijkertijd voor. De prestatie bestaat uit het geven van een goed, de inbreuk uit beschikkingshandelingen ten aanzien van het goed die alleen door de rechthebbende bevoegd kunnen worden verricht.4 In het vorige hoofdstuk bleek dat deze inbreuk een ongerechtvaardigde verrijking oplevert in de zin van artikel 6:212 lid 1 en dat een marktconforme gebruiksvergoeding moet worden betaald.
Stel bijvoorbeeld dat iemand een gouden ring zonder rechtsgrond heeft gekregen en deze heeft verkocht voor een marktconforme prijs van € 1.000. Hij kan de ring niet meer teruggeven. De rechthebbende kan ook geen schadevergoeding vorderen, omdat de ontvanger niet toerekenbaar is tekortgeschoten (artikel 6:75 jo. artikel 6:204). Echter, alleen de rechthebbende was bevoegd om de beschikkingshandeling te verrichten. De rechthebbende heeft daarom op grond van artikel 6:212 recht op een marktconforme gebruiksvergoeding, die in dit geval € 1.000 bedraagt.5