Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.6.4.6
5.6.4.6 Vereisten voor het verweer in gevallen die niet door de wet zijn geregeld
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS500039:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over art. 6:212 lid 2 en lid 3 hoofdstuk 4, par. 4.6.5.
Birks 2005, p. 210-212; zie hoofdstuk 2, par. 2.7.2
Zie ook hierboven, par. 5.6.4.3.
Commerzbank AG v Gareth Price-Jones [2003] EWCA Civ 1663; zie ook hoofdstuk 2, par. 2.7.2.
Zie vorige noot.
Rb. Rotterdam 25 juni 2008, JOR 2008/327 (G-Star International/IFN Finance). Zie ook noot 141.
A verricht de prestatie aan C niet op grond van een gebrekkige rechtsverhouding met B die in eerste instantie aanleiding geeft tot het verrichten van de prestatie. Derhalve bestaat geen reden voor afwikkeling van deze rechtsverhouding tussen A en B. Zie verder over de vraag wanneer debitor cessus A een vordering uit onverschuldigde betaling heeft op cedent B en cessionaris C: hoofdstuk 6, par. 6.6.
De Rechtbank Rotterdam oordeelde dat de regel van art. 6:203 lid 2 (de ontvanger van een geldsom moet een gelijk bedrag terugbetalen) meebracht dat een verweer van deze strekking niet kan worden aanvaard. Ik meen echter dat art. 6:203 een hoofdregel geeft waar – bij wijze van uitzondering – verweren tegen kunnen worden gevoerd.
Aan welke vereisten moet zijn voldaan voor een geslaagd beroep op het verweer dat de verrijking van de ontvanger is verminderd?
Artikel 6:212 lid 2 in samenhang met lid 3 geeft een eerste vereiste. Lid 2 bepaalt dat de verrijking buiten beschouwing blijft als zij is verminderd en de vermindering niet kan worden toegerekend aan de verrijkte. Lid 3 bepaalt dat dit onder meer het geval is als de vermindering heeft plaatsgevonden in de periode waarin de verrijkte redelijkerwijze met een verplichting tot vergoeding van de schade geen rekening behoefde te houden. De ontvanger moet derhalve ten tijde van de vermindering te goeder trouw zijn geweest.1
Goede trouw is niet het enige vereiste. Wat zijn de overige? Ik meen dat deze kunnen worden geformuleerd door te kijken naar de Duitse en Engelse literatuur en rechtspraak. In deze rechtsstelsels is vereist dat de vermindering van het vermogen van de ontvanger niet zou hebben plaatsgevonden zonder de onverschuldigde betaling. Met andere woorden, er moet een causaal verband bestaan tussen de onverschuldigde betaling en de vermindering. Bij het vaststellen van de vermindering en bij het vaststellen van het causale verband met de onverschuldigde betaling moet de werkelijk bestaande vermogenssituatie worden vergeleken met de denkbeeldige situatie waarin de onverschuldigde betaling niet zou hebben plaatsgevonden.2 Dit sluit aan bij artikel 6:212 lid 3, waar is bepaald dat bij de vaststelling van de vermindering mede rekening wordt gehouden met “uitgaven die zonder de verrijking zouden zijn uitgebleven”.
Uit het vereiste dat sprake is van vermindering van het vermogen van de ontvanger dat in causaal verband staat met de ontvangst van een onverschuldigde betaling, kunnen enkele conclusies worden getrokken voor het Nederlandse recht.
Ten eerste kan van de ontvanger wel terugbetaling worden verlangd als hij met de ontvangen prestatie goederen of diensten heeft verworven. Er is dan wel een uitgave gedaan door de ontvangst van de prestatie, maar het vermogen is niet verminderd met een bedrag dat gelijk is aan die uitgave. De verworven goederen hebben immers een bepaalde waarde. De ontvanger is verplicht tot terugbetaling voor zover de verworven goederen of diensten nog waarde hebben op het moment dat hij wordt aangesproken tot terugbetaling of rekening moet houden met een verplichting tot terugbetaling.3
Uit het vereiste dat de verrijking is verminderd, volgt verder dat het verweer niet is beperkt tot gevallen waarin het vermogen van de ontvanger is verminderd door uitgaven die hij heeft gedaan, bijvoorbeeld door een dure vakantie te boeken. Een beroep op het verweer is naar mijn mening ook mogelijk als het vermogen van de verrijkte is verminderd doordat hij minder moeite heeft gedaan om inkomsten te verwerven. Zo kan een ontvanger besluiten om met vervroegd pensioen te gaan. Een min of meer vergelijkbaar geval deed zich voor in de Engelse rechtspraak, waar een ontvanger te goeder trouw een beter betaalde maar meer stressvolle baan liet schieten, omdat hij door de ontvangst van de prestatie de extra inkomsten minder hard nodig had.4
Het vereiste dat het de vermindering het vermogen van de verrijkte in causaal verband staat met de ontvangst van de prestatie, wordt in het Engelse en Duitse recht ruim opgevat. De vermindering vindt in sommige gevallen al plaats voordat de betaling is ontvangen. Het kan namelijk voorkomen dat iemand weet dat hij een prestatie zal ontvangen en vooruitlopend daarop uitgaven doet die hij zonder de te ontvangen prestatie niet zou doen. In het Engelse recht is aanvaard dat de verrijkte ook in dergelijke gevallen een beroep mag doen op het verweer.5 Naar mijn mening is dat ook wenselijk voor het Nederlandse recht.
De casus die leidde tot een vonnis van de Rechtbank Rotterdam, kan daarbij als illustratie dienen.6 Vereenvoudigd weergegeven is deze casus als volgt. A en B hebben een langdurige handelsrelatie met elkaar, waaruit B regelmatig geldvorderingen verkrijgt op A. A en B vergissen zich en menen ten onrechte dat A een bepaalde schuld heeft aan B. B cedeert al zijn vorderingen op al zijn debiteuren aan factormaatschappij C. In de veronderstelling dat hij van A betalingen zal ontvangen, betaalt C aan B een koopprijs voor de vermeende, maar niet bestaande vordering van B op A. Vervolgens betaalt A de schulden die hij thans aan C meent te hebben. Na verloop van tijd gaat B failliet en komt A erachter dat de vorderingen die zouden zijn gecedeerd aan C, helemaal niet bestonden. A had dit kunnen weten door zijn eigen administratie te raadplegen, terwijl C hiervan veel minder eenvoudig op de hoogte had kunnen zijn. A heeft een vordering tegen C: A verricht een prestatie aan C op grond van een vergissing, terwijl een rechtvaardiging ontbreekt voor het verrichten van deze prestatie door A en het behouden ervan door C.7
A vordert van C de betaalde bedragen terug. Ik meen dat C het verweer mag voeren dat zijn verrijking (die het gevolg is van de ontvangen prestatie) is verminderd door de betaling van de koopsom. De ratio van het verweer is immers dat een ontvanger van een prestatie ongehinderd over zijn vermogen moet kunnen beschikken zonder bedragen te reserveren voor onverwachte vorderingen uit onverschuldigde betaling. Het verweer betreft daarom naar mijn mening dan ook een vermindering die de schuldenaar heeft laten ontstaan vóórdat hij de prestatie heeft ontvangen.8