Inhoudsopgave
De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/4.5.4:4.5.4 De persoon van de opvolgend erfpachter
De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/4.5.4
4.5.4 De persoon van de opvolgend erfpachter
Documentgegevens:
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS391970:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Amsterdam (ktr.) 28 januari 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ0640 (Stork/Staat). Op niet nakomen van de opleveringsverplichtingen stond bovendien een forse boete.
Rb. Amsterdam (ktr.) 28 januari 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ0640, r.o. 15.
Deze opvatting is met instemming begroet door de redactie van RVR in de ‘wenk’ bij het vonnis in RVR 2013/41, de NJ-redactie in de aantekening onder de uitspraak inNJ 2013/534 en door Bos, JBO 2014/66.
Rb. Amsterdam (ktr.) 28 januari 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ0640, r.o. 9.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In sommige gevallen is vooral de overdracht aan een bepaalde opvolgende erfpachter onaanvaardbaar voor de erfverpachter. Zo werd het verzoek om toestemming voor overdracht geweigerd in het geval van een aflopend bedrijfsmatig erfpachtrecht waaraan omvangrijke opleveringsverplichtingen voor de erfpachter waren verbonden.1 De erfverpachter had er belang bij dat de contractuele oplevering zou geschieden door de erfpachter die sinds de uitgifte in 1931 het perceel in gebruik had gehad en die daarop bedrijfsgebouwen, leidingen en andere zaken had aangebracht. De beoogde nieuwe erfpachter, een woningcorporatie, beschikte niet over dezelfde kennis ten aanzien van de mogelijke verontreiniging van de bodem en de aanwezigheid van asbest in de opstallen. De kantonrechter beschouwde de koopovereenkomst als een poging van de erfpachter om onder zijn opleveringsverplichting uit te komen en wees het verzoek om vervangende machtiging af.2 Dat het erfpachtrecht daarmee onoverdraagbaar werd was onder de gegeven omstandigheden van ondergeschikt belang omdat van het oorspronkelijke gebruiksrecht feitelijk alleen nog de opleveringsverplichting resteerde.
Of de toestemming op redelijke gronden wordt geweigerd kan naar het oordeel van de kantonrechter niet uitsluitend gelegen zijn in de persoon van de opvolgende erfpachter, dat is een te beperkte uitleg van art. 5:91 lid 4 BW.3 Er kunnen ook andere redelijke gronden voor een weigering bestaan: “Noch de tekst van de wet, noch de wetsgeschiedenis, noch de jurisprudentie bieden aanknopingspunten voor een ander oordeel.”4 Naar mijn mening is er in dit geval echter geen sprake van een andere weigeringsgrond. Feitelijk gaat het in deze zaak om het moment van de overdracht, om een vrijwel geëindigd recht dat niet opnieuw zou worden uitgegeven en om bezwaren tegen het uitvoeren van de opleveringsverplichting door een ander dan de zittende erfpachter. De weigeringsgrond betreft daarmee juist de persoon van de opvolgend erfpachter, geheel conform de wetsgeschiedenis.